Zusters van "De Voorzienigheid", vluchtelingen
 INHOUD Journaal Bestuur & Organisatie Spiritualiteit Geschiedenis Activiteiten Publicaties  Geloofsbrief
                                home                                                                                                                                         


Inhoud: 

vluchten is levenslang
Nederlandse politiek
Verharding in asielbeleid
AMA's
Legitiematies beleid
Immigratie Nederland
begeleiding terugkeer
regionale opvang
Exterrritoriale gevangenissen
Gedenken
Gevangenen bezoeken
Waken bij de Bijmerbajes
Gedenk hoe het was in Egypte
Enkele portretten
Herdenking bij Dokwerker

VLUCHTELINGEN IN ONS MIDDEN
 

Dit boekje kwam tot stand naar aanleiding van een gesprek dat op september 2003 werd gevoerd door enkele zusters over hun dagelijkse ervaringen in de maatschappij van vandaag.

Vluchten  is levenslang

An Melman heeft enige jaren gewerkt in het AsielZoekersCentrum van Crailo, het grootste opvangcentrum voor vluchtelingen in Nederland. Ze werkte zeven jaar bij de houtbewerking en leerde zo veel vluchtelingen kennen. In die tijd hielp ze onder andere vluchtelingen, als deze eenmaal een woning kregen toegewezen, met het opknappen van de woning, inrichten en verhuizen. Haar garage was altijd een opslagplaats van meubels, huisraad en kleding.
Uit die jaren heeft ze nog veel contacten overgehouden. Met name enkele Afghaanse gezinnen en alleenstaande Iraanse mannen houden contact.  De laatste jaren werd An daardoor verschillende malen geconfronteerd met zeer ernstige situaties en de problemen waar vluchtelingen in de nasleep van de lange procedures geraken kunnen.

Ineens een telefoontje. Soms midden in de nacht. Ernstige crisis. Een vluchteling weet niemand anders te bellen dan An. Als het heel dringend klinkt, rijdt An midden in de nacht naar de andere kant van het land waar de persoon in kwestie woont. Dat is regelmatig nodig, in sommige gevallen nachten achtereen. Want ook voor vluchtelingen die een woning kregen en een status, of zelfs een Nederlands paspoort, is de ellende niet voorbij.
De herinneringen aan de verschrikkingen die ze meemaakten achtervolgen hen, maken hen ziek. De doodsangsten gaan niet meer weg uit hun lijf.
Of ze gaan kapot, omdat ze geen baan krijgen, zich nutteloos voelen, door de lege dagen helemaal verward raken in herinneringen. Velen die geen werk kunnen vinden, verliezen de hoop op toekomst. En wie geen toekomst heeft, raakt verdwaald in het verleden.
Met regelmaat bellen ze, meestal midden in de nacht, met An. Mannen die alleen de weg moeten vinden en die niet kunnen vinden in dit land. Vrouwen, alleen met hun kinderen, staan voor een te zware opgave. Als je al vreemdeling bent, zijn nieuwe moeilijkheden vaak te groot om het nog aan te kunnen. Sommigen geven elkaar het telefoonnummer door van An. Het voelt dichterbij dan maatschappelijk werk, dat bovendien ’s nachts gesloten is. En ’s nachts zijn de beren het grootst, is de angst het heftigst. Vaak angst, omdat de cultuur hier zo anders is dan wat men gewend was.


Tamira” kwam haar man, die eerder gevlucht was, achterna met hun twee kinderen. De man wou het niet, maar zij zette door. Toen ze hier aankwam bleek hij met een Nederlandse vrouw te wonen. Hij sloot haar op. Ze wist op een gegeven moment uit huis te ontsnappen en kreeg uiteindelijk ook een eigen woning met haar twee kinderen; ze kreeg snel een status. Ze is lerares, sprak goed Engels en leerde ook snel Nederlands. 
In de Afghaanse cultuur, met name op het platteland,  is het onmogelijk om als vrouw alleen te leven. Tamira’s familie die in Europa woont dringt haar weer een man op. De man zelf houdt af. Zij moet van de familie huwen anders wordt ze een buitenstaander. De spanning is zo geëscaleerd dat ze inmiddels voor allerlei ziekten medicijnen krijgt. Toen An gebeld werd om hulp en erheen reed, trof ze een moeder aan die gilde van ellende, al urenlang. Uren duurde het tot ze iets kalmer werd.
Haar dochter krijgt inmiddels andere problemen. Ze mag haar vriendinnen van school niet mee naar huis nemen omdat haar broer, een jongen dus, ook in huis is. De vrouw is te snel alleen komen te staan, zonder veel relaties om zich heen. Ze leeft voort in de Afghaanse cultuur en is voor de sociale contacten afhankelijk van haar familie. Sinds kort accepteert ze enige hulp om in haar problemen te worden begeleid.

Fatima” is een vrouw met een sterk karakter. Zij was gevlucht met haar man en kinderen, en zij heeft zelf haar man weggestuurd. Hij wenste enkel contact met zijn eigen familie, waarvoor zij zich moest uitsloven. Met haar familie mocht ze geen contact hebben.
Ze heeft vier kinderen tussen 18 en 9 jaar, en het opvoeden is wel een stuk moeilijker alleen. De jongens hadden al veel van het machogedrag van hun vader meegekregen, vanaf 8 of 9 jaar oud ontwikkelen ze hetzelfde gedrag tegenover hun moeder.
Zij heeft het getroffen met de Sociale Dienst in haar woonplaats. Daar begrijpt men dat een dergelijke vrouw gek wordt als ze alleen maar thuis zou zijn. Ze mag vrijwilligerswerk doen in jongerencentra en ze mag ook een paar kleine baantjes hebben om wat bij te verdienen. “Grijze” baantjes dus. Na een lange moeizame periode redt ze het nu wel.
De man van een wat moderner echtpaar begreep het probleem van het isolement en zei tegen haar: “Ga mijn moeder af en toe bezoeken”. Waarop er geroddel begint tussen de Afghaanse mannen van die gemeenschap. Ze spreken die ene man erop aan en zeggen dat hij dat moet stoppen omdat “Fatima” een hoer is. Zijn moeder bezoeken zou zoiets zijn als achter hem aan zitten…

De laatste twee jaar kreeg An 7 keer te maken met een vrouw die achterbleef omdat haar man een einde aan zijn leven had gemaakt. De langdurige spanningen van de asielprocedure, de voortdurende druk om banen te vinden die ze niet konden krijgen en na de oorlog tegen Afghanistan in 2001 de dreiging om alsnog te worden teruggestuurd waren te veel geworden. In de traditionele moslimwereld is zelfdoding nog meer taboe dan in christelijke kringen. De vrouwen krijgen de schuld. Zij hebben hun man niet goed opgevangen heet het. Ze raken volledig geïsoleerd, niemand wil meer contact met hen, ze raken al hun vriendinnen kwijt. Ze vallen terug op de enkele Nederlandse vrouw in wie ze vertrouwen hebben. Zo kwamen deze vrouwen bij An terug.
De confrontatie met het lichaam van hun man is teveel, wat dan te doen weten ze niet. Als An dan komt, moet de politie nog gebeld worden. Gelukkig begrijpen die het verzoek om zonder dienstauto en uniform te komen, zodat alles discreet kan worden afgehandeld. Er moet onderdak geregeld worden voor de kinderen, vaak moet geholpen worden om de begrafenis geregeld te krijgen. Het worden stille begrafenissen, weggemoffeld. Een paar getuigen van de gemeente.
Dan begint de lange weg om zulke vrouwen aan te moedigen hulp te zoeken bij een huisarts, bij het RIAGG. In hun cultuur regel je moeilijkheden onder vrienden en houd je het voor vreemden angstvallig verborgen. De weg naar hulpverlening is moeizaam, en loopt vaak stuk als de eerste contacten niet goed verlopen.

Jasmina”  is helemaal de kluts kwijt, ze is compleet outcast. Door de dood van haar man stond ze plotseling voor begrafeniskosten. Ze probeerde te verzwijgen wat er was gebeurd, maar dat lukte niet. De vluchtelingen redden het omdat ze op hun familie en zelfs breder, op andere vluchtelingen uit hun land kunnen terugvallen bij hoge kosten. Maar nu dus niet, daarvoor is zelfdoding te zeer taboe. Ze is heel handig in het rondkomen en heeft uiteindelijk toch kans gezien om het financieel te overleven.
Maar ze staat er helemaal alleen voor. Liefst zou ze willen verhuizen naar een andere plek in Nederland, waar men niet weet dat haar man zelf zijn leven beëindigde.
Ook zij merkt hoe haar kinderen onhandelbaar worden, de jongens dan. Ze tonen geen enkel respect voor hun moeder.  De jongens zitten op de bank en eten aan tafel, laten zich bedienen door hun moeder en zusjes. En als zij gegeten hebben, dan eet moeder met de zusjes zittend op de grond de resten.
De moeder is door de hele situatie te murw om zich hiertegen te kunnen weren.
Het is een extreem geval, bij de andere vrouwen loopt het niet zo erg uit de hand. Maar de ellende en het isolement spelen bij al deze vrouwen die als weduwe achterbleven door zelfdoding van de man. Sommigen weten contacten te vinden in de Nederlandse gemeenschap en proberen dan hun kinderen een sterk Nederlandse opvoeding te geven.
Voor de meeste vrouwen is dat te moeilijk, door de taal, door het wantrouwen in de eigen achterban, door de eigen labiele toestand na de plotselinge verandering in het gezin. Dan is het enige houvast dat ze kunnen bedenken, zo Afghaans mogelijk blijven, zich in het bekende vastbijten. Maar dat maakt ze tegelijk weerloos tegenover de roddel van familie en vrienden en tegenover de grillen van de eigen zoons.
Een jongen van 12 jaar is in staat om zijn vriend op te bellen: “Let op je moeder, zorg dat er niemand bij haar op bezoek komt!”
De schaamte om de zelfdoding, de schaamte “dat ze hun man niet wisten te steunen”, de angst dat ze als hoer worden beschouwd maakt dat ze ook zichzelf helemaal terugtrekken en alle contacten vermijden.


En alle opgekropte ellende komt er dan nogal eens midden in de nacht uit. Dan gaat bij An de telefoon. En als het helemaal niet anders kan, pakt An de auto en rijdt erheen om zo’n vrouw de kans te geven maar gewoon te praten, te praten tot de ergste druk er af is. Soms, na lang praten, is het mogelijk iemand toch zover te krijgen dat ze hulp zoekt bij maatschappelijk werk.

Voor al deze vrouwen geldt, dat ze blijven leven onder de druk van de verplichting om de achtergebleven familie in Afghanistan te helpen. Dat geldt voor alle vluchtelingen. Het is zowel een sociale druk van de omgeving en het thuisland, als een innerlijke druk. Als familie help je elkaar. En in de culturen van de zuidelijke landen reikt familie heel ver.
De vluchtelingen die in de rijke landen zijn terechtgekomen dienen dus met regelmaat geld te sturen naar het thuisland. De relaties raken verstoord als ze dat niet doen. Ze zouden zich ook niet goed voelen als ze dat niet doen. Dus er moet van de kleine uitkeringen ook altijd nog gespaard worden voor de familie.

José Höhne-Sparborth

terug


Nederlandse politiek en vluchtelingen

Algemeen:

Vluchtelingen
zijn meer dan andere groepen altijd speelbal van de politiek. Als het een land goed uitkomt om bepaalde vluchtelingen in de schijnwerpers te zetten, dan hebben politici en media het regelmatig over die arme mensen die zo lijden.  Denk aan de wijze waarop in de tijd van de Koude Oorlog werd gesproken over de onderdrukking in communistische landen en de vluchtelingen uit die landen. Ze werden met open armen ontvangen, omdat West Europa en Amerika sterk anticommunistisch waren.

In de jaren ‘80 konden vluchtelingen uit Iran gemakkelijk opvang vinden, de Verenigde Staten betaalden er zelfs voor. In die jaren voerde Saddam Hoessein oorlog tegen dat land, op verzoek van de Verenigde Staten en hij werd daarvoor bewapend door hen en door West Europa. “Wij” hielden niet van de Ayatolla Komeini en dus was Saddam Hoessein onze vriend. Verhalen over de vele communisten en anderen die hij vermoordde werden als communistische propaganda afgedaan. Irakese vluchtelingen hadden het zwaar om erkenning te krijgen en zaten jarenlang in de procedure.

Sinds de val van de Berlijnse muur zijn communistische landen niet meer een factor van betekenis. Noord Korea, Vietnam en Cuba zijn te zwak en China is bezig zijn grenzen te openen voor westerse bedrijven. Sindsdien zijn vluchtelingen voor westerse landen niet meer van politieke betekenis en worden ze enkel nog als storende elementen ervaren. De politieke toon van spreken over hen is veranderd. Er wordt vooral over hen gesproken alsof ze gelukszoekers zijn, halve criminelen, mensen die op ons geld afkomen.
Als dat het beeld van vluchtelingen is, is het makkelijker voor de politiek om harde maatregelen te nemen tegen hen. Sinds 1990 zien we dan ook dat in verkiezingstijden maatregelen worden aangekondigd en achtereenvolgende regeringen telkens weer maatregelen aanscherpen.

In het nieuwe millennium werd de toon nog grimmiger.
De aanslag op de WTC torens in New York op 11 september 2001 werd door Bush als ‘terrorisme’ benoemd, maar je kunt het ook anders zien: als een protest van niet-westerse landen tegen de wijze waarop ‘het westen’ zijn eigen economische belangen in heel de wereld doorzet. Men noemt het globalisering. Maar het betekent vooral dat westerse multinationals zonder hindernissen in alle zuidelijke landen tegen lage lonen kunnen laten produceren om in het noorden grove winsten te maken met die producten.
Bush interpreteerde de aanslag als “botsing tussen culturen”, namelijk van dictaturen tegen de vrije wereld en de democratie, ofwel van moslims tegen christenen. En hij startte zijn “oorlog tegen het terrorisme”, gericht tegen landen waar de VS en het verdere westen tot nu toe ‘geen poot aan de grond kregen’.  De islamitische wereld is afhoudend vanwege te moderne westerse invloeden en de olielanden zijn rijk genoeg om de VS niet nodig te hebben. Dat een deel van de rijkste oliegebieden samenvalt met de islamitische wereld, is voor het westerse oliebedrijfsleven een grote hindernis. Onder de noemer “oorlog tegen het terrorisme” is de VS en met hen enkele ‘westerse’ bondgenoten (Europa, Australië en Japan) erin geslaagd de militaire aanwezigheid in het Midden Oosten en Centraal Azië zeer te versterken.  De Islam wordt sindsdien als vijand nummer 1 beschouwd, en de landen waar ‘het westen’ militairen heeft gestald worden veilig verklaard. In de taal van de ‘westerse’ politici kunnen veel vluchtelingen nu dus terug.
Vluchtelingen uit Afrika worden al heel lang als economisch vluchteling bestempeld, wat niet helemaal onlogisch is als je weet hoe ellendig Afrika eraan toe is. Aan de oorlogen in Afrika wordt echter weinig media-aandacht gegeven. Daardoor kunnen politieke motieven genegeerd worden.
De term “economisch vluchteling” wordt tevens uitgesproken met een toon alsof er over rovers wordt gesproken.

Nederland heeft nog een heel eigen moment dat het vluchtelingenwanbeleid aanscherpte.
Pim Fortuyn veegde op cabareteske manier de vloer aan met ‘een te slappe overheid’, hij wist alle politici voor gek te zetten en werd daardoor heel populair.  Sindsdien wensen VVD en delen van het CDA te laten zien dat ze wel degelijk hard en stevig kunnen ingrijpen. Dat werd sterker toen hij vermoord was en ineens een soort icoon werd. De ‘politieke spierballen’ worden getoond.

Voor vluchtelingenzaken is Mevrouw Verdonk aangezocht, die voordien directeur was van de gevangenis in Scheveningen. Deze behoort tot de gevangenissen in Nederland waar de zwaarste criminelen worden vastgehouden. Als mevrouw Verdonk spreekt, spreekt ze als de directeur van een gevangenisvleugel met de ergste soort misdadigers: ‘daarmee onderhandel je niet, je stelt harde en duidelijke grenzen en verder geen gezeur’. Dat is het beleid geworden tegenover vluchtelingen.

Overigens pleitte Pim Fortuyn voor een generaal pardon en dan de grens op slot. Nu gaat de grens op slot zonder generaal pardon.


Intussen krijgen steeds meer religieuze gemeenschappen en parochies te maken met de noodzaak om “illegalen” een opvang te bieden, zodat ze niet op straat verhongeren.

terug

 

Verharding in het asielbeleid:

In
de jaren ‘70 kwamen de eerste asielzoekers. Zij kregen een uitkering en konden dan hun eigen huisvesting regelen en werk zoeken. Vanaf 1983 is er een apart opvang/ beoordelingssysteem, waarmee vluchtelingen bijeengeplaatst werden, in langdurige procedures beoordeeld werden en steeds vaker afgewezen. De eindeloze procedure geeft veel onzekerheid gedurende jaren; bij veel vluchtelingen leidt dat tot psychische problemen en ook ziekte. Sinds 1990 is het beleid erop gericht vooral de contacten tussen Nederlanders en asielzoekers te verminderen.
Vanaf 1995 mogen gemeenten alleen nog woonruimte geven aan vluchtelingen die een status hebben, anderen blijven in de centra wonen, voor jaren.
De vluchtelingen worden beoordeeld volgens het Verdrag van Genève, dat van individuele vluchtmotieven uitgaat (vervolgd door de regering). Zodra een land dan het stempel ‘veilig’ heeft gekregen, mag men alle vluchtelingen uit dat land terugsturen, behalve hen die inmiddels de Nederlandse nationaliteit kregen. Afghanistan is veilig verklaard door de Nederlandse regering, terwijl het land nog in puin ligt, de westerse troepen nodig zijn om de regering (die pro-westers is) in het zadel te houden en eigenlijk enkel de hoofdstad Kaboel enigszins veilig is. Noord Irak is veilig verklaard door de Nederlandse regering, terwijl kenners van de situatie vrezen dat het land elk moment kan imploderen (zeer diverse groepen kunnen een burgeroorlog uitlokken).

Het Verdrag van Genève wordt dus door de Nederlandse regering zo eng mogelijk geïnterpreteerd. Maar er is ook een probleem met dat verdrag zelf. Het verplicht enkel de opname van vluchtelingen die door hun regering aanwijsbaar vervolgd worden.
Daarmee worden niet alle vluchtmotieven erkend. Vluchten voor een oorlogssituatie bijvoorbeeld, of vluchten omdat je uitgehuwelijkt wordt, of vluchten omdat je als vrouw vermoord wordt door je familie vanwege ‘schande’, of vluchten omdat je verkracht werd en dan verder als prostitué wordt behandeld, geldt allemaal niet als motief. Verkracht of mishandeld worden door je man, die in sommige culturen altijd gelijk krijgt, geldt ook niet als vluchtmotief.
Zo worden vrouwen die via de vrouwenhandel naar ons land kwamen en hier in de prostitutie gedwongen worden, naar hun land teruggestuurd als ze aangifte gedaan hebben tegen de mensenhandelaren en hun getuigenis niet meer nodig is in het proces.
Sinds 1998 zijn er speciale maatregelen voor vluchtelingen jonger dan 18 jaar. Zij worden als AMA’s in kampen bijeengehouden onder toezicht tot ze18 jaar zijn, en worden dan naar hun land teruggestuurd. De opvang van deze jongeren gebeurt ver van de Nederlandse samenleving.

terug

 

AMA’s

Manuela, 16 jaar, vluchtte met haar broertje uit Angola na teveel oorlogsellende. Haar ouders werden vermoord, waarna ze haar tante in de stad trokken. Die werd ook vermoord, haar oom misbruikte haar. Toen heeft ze in de haven overleefd; een matroos verkrachtte haar en nam haar mee op de boot. Ze moest de bootslui in natura betalen. Ze werd in Rotterdam gedropt. In het AZC wordt ze niet geloofd over haar leeftijd; botonderzoek zou uitwijzen dat ze ouder is. De Ombudsman echter twijfelt sterk aan de onderzoeksmethode die gebruikt wordt om de leeftijd via het bot te scannen. Maar toch wordt Manuela op straat gezet: “Zorg zelf maar dat je binnen 24 uur Nederland verlaat.”

Andere jongeren komen in het AMA-kamp Vught. ‘s Morgens half zeven opstaan, straffe dagorde tot half elf  ’s avonds als in een strafkamp. Zonder privacy, in groen of rood uniform, zonder geld, zonder bewegingsvrijheid, zonder contact met de buitenwereld. Tot de dag dat je 18 jaar wordt en op straat wordt gezet of op het vliegtuig (heel soms, als er een paspoort is). De meesten proberen het kamp te ontvluchten en komen in de illegaliteit terecht.  Mensen onder strafregiem interneren als ze geen misdaad pleegden is tegen elke rechtsregel. Maar Nederland praktiseert het en blijft tegelijk buitenlanden aanspreken op mensenrechten.

terug

 

Ontmoedigingsbeleid

Sinds de jaren negentig is het beleid er op gericht om vluchtelingen te ontmoedigen naar Nederland te komen. Men stelde een eerste snelle procedure van 48 uur in, waarbinnen werd beslist of iemand de langere toelatingsprocedure mocht ingaan. Wie dat niet mocht, werd teruggestuurd. In het begin werd zo 10% eruit gehaald die niet als vluchteling onderkend werden. Daarvoor was de procedure ook bedoeld: wie duidelijk geen vluchteling is, eruit halen.

 

Inmiddels wordt ruim 80 % afgewezen en werkt het beleid voornamelijk in de hand dat er geen vluchtelingen meer naar Nederland komen. Ze zoeken hun heil in andere landen. In 2003 kwamen er nog maar zo’n 1000 asielzoekers in de procedure. De doelstelling van het beleid is dus gelukt. Er is al opgemerkt in de Europese Unie “dat Nederland het enige land is dat de vluchtelingenstroom wist in te dammen”.
Er is ook kritiek gekomen vanuit Genève, dat Nederland de rechten van vluchtelingen schendt.

Hoogzwangere vrouwen passen niet in de 48uurs procedure. Zij mogen blijven tot ze bevallen zijn en als de baby zes weken is worden ze alsnog op straat gezet.
Mensen die zonder geldige documenten aankomen (door oorlog of door de politieke situatie!) krijgen geen kans, tenzij ze alsnog documenten weten te organiseren. Dan echter hebben ze geen recht op de normale opvang, en moeten ze tijdens de jarenlange procedure hier leven op kosten van familie, religieuzen en kerken. Ook de kraakbeweging vangt feitelijk veel “illegalen” op.

terug

 

Legitimaties voor het strakke beleid

Drie argumenten die Nederland inzet ter rechtvaardiging van zijn strenge beleid, verdienen extra vermelding.
Afwijzing wordt gerechtvaardigd als mensen geen geldige papieren hebben. Juist de mensen die door hun regering worden vervolgd (de enige reden dus die Nederland nog accepteert als vluchtverhaal)  kunnen vaak niet aan een paspoort komen. Als hun verhaal dan niet is te controleren (waarvoor nogal eens de medewerking van hun regering nodig is…) worden ze afgewezen.
Afwijzing wordt gerechtvaardigd als in de latere procedure “hun verhaal verandert”. Als later “echte vluchtmotieven” bovenkomen die aanvankelijk, binnen de eerste 48 uur, niet waren genoemd, worden die niet geaccepteerd als argument voor de uiteindelijke beslissing. Daarmee gaat men voorbij aan de angst die veel vluchtelingen hebben waardoor ze niet meteen alles vertellen aan een vreemde ambtenaar binnen de setting van een verhoorkamer. Vooral gaat het voorbij aan de schaamte die speelt in het vluchtverhaal van vrouwen die werden verkracht (in de gevangenis, om ze te intimideren, of waar de verkrachting meteen betekent dat ze outcast zijn of vermoord dreigen te worden).
Afwijzing wordt tegenwoordig ook gerechtvaardigd als de mensen via mensensmokkelaars het land inkwamen, waarmee verwezen wordt naar de maffia-achtige methoden van de smokkelaars. Daardoor worden de slachtoffers gestraft omdat men de daders (smokkelaars) niet weet te pakken. Juist de vluchtelingen, die door de eigen regering vervolgd worden, kunnen meestal het land niet langs de normale grens verlaten en zijn aangewezen op – zeg maar liever overgeleverd aan – mensensmokkelaars.
Deze drie argumenten als weigering om de vluchteling te accepteren, zijn feitelijk niet minder dan ontkennen onder welke omstandigheden deze mensen vaak hun land moesten verlaten.

terug

 

Immigratie naar Nederland

Lange tijd was het eenvoudigste argument tegen vluchtelingen dat Nederland vol was.  Dat is echter niet het feitelijke argument. Dat wordt helder als je kijkt hoeveel immigranten) niet vluchtelingen er per jaar worden toegelaten in Nederland. 
Er komen per jaar ruim 45.000 buitenlanders naar Nederland, maar die komen voor economische redenen: banen in bedrijven, en met goede diploma’s. Ze komen uit de Verenigde Staten, Canada, Japan en de EG landen. Velen van hen hoeven geen Nederlands te leren, omdat in hun bedrijven voldoende mensen zijn die Engels spreken.

Er is onlangs nog weer gemeld door het Bureau van de Statistiek, dat het bedrijfsleven altijd behoefte zal houden aan goed opgeleide arbeidskrachten uit het buitenland, dus er zal migratie naar Nederland blijven. Arbeidsmigratie, economische migratie dus. Maar dat betekent, dat het Nederlandse bedrijfsleven helemaal zelf kan uitzoeken wie ze uit het buitenland laten komen.
Het is goed te weten, dat de vluchtelingen die de laatste tien jaar Nederland bereikten, allemaal goed opgeleide mensen waren, die in hun eigen land er economisch niet slecht aan toe waren.  Eigenlijk zouden ze dus goed in te zetten zijn op de plekken waar Nederland tekort heeft, inclusief in de onderwijssector en de medische sector.
Het gaat namelijk veelal om vluchtelingen die tenminste het vliegticket konden betalen, of zelfs een mensensmokkelaar. Om een idee te geven: om vanuit Irak over land naar Nederland te komen moesten sommigen per persoon $4000 betalen.

terug

 

Begeleiding bij terugkeer

Uitgeprocedeerde asielzoekers moeten vaak binnen 28 dagen de terugkeer naar hun land regelen en worden soms al binnen 48 uur na afwijzing op straat gezet. Als “illegalen”  zwerven ze op straat of vinden een tijdelijke opvang.
Voor velen geldt, dat ze om allerlei redenen niet naar hun land terug kunnen. (Zie achterin ‘Enkele portretten’).
Er is inmiddels veel opvang voor deze groepen, verzorgd door kerken en religieuze gemeenschappen en door stichtingen die het niet eens zijn met dit onmenselijke beleid. Maar doordat velen niet kunnen terugkeren naar hun land, raakt die opvang verstopt. De uitzichtloosheid (geen werk, geen opleiding, geen medische zorg, kinderen niet naar school) leidt tot grote psychische problemen.
Vaak wonen afgewezen vluchtelingen ook in kraakpanden.; totdat er een ontruiming volgt door de politie. Deze particuliere opvangplekken proberen zoveel mogelijk mee te helpen aan uiteindelijk terugkeer.
Samen met de afgewezen vluchtelingen brengt men bezoeken aan de ambassade van het oorsprongsland om te zien of er toch reisdocumenten te krijgen zijn.  Men zoekt mogelijkheden voor psychologische behandeling om de schade, door de lange tijd van angst en wachten ontstaan, te helpen wegwerken zodat die mens weer kracht heeft om voor zichzelf te vechten. Men zoekt geld bijeen om in het thuisland een nieuwe start mogelijk te maken: vaak gaat het om gebieden die door oorlog verwoest zijn.
Maar er blijven veel mensen hier als illegaal achter, die werkelijk niet terugkunnen: omdat ze vrezen voor hun regering (bijvoorbeeld deserteurs of dienstweigeraars gedurende oorlogstijd). Ze vrezen voor familie of voor bloedwraak van andere families (vrouwen die verkracht werden, vrouwen uit de vrouwenhandel, mannen die deel uitmaken van familie in een situatie van familievete).

terug

 

De mythe van regionale opvang

In Nederland en Europa wordt het harde afwijzingsbeleid onder andere verdedigd met het argument dat opvang in de eigen regio beter is.
Dat valt erg tegen, om verschillende redenen. De meeste oorlogen worden uitgevochten in de zuidelijke continenten. Daar zijn ook de hardste samenlevingen. Dat komt door koloniale geschiedenis en door de wijze waarop de westerse multinationale ondernemingen de levensomstandigheden in het zuiden steeds slechter maken. In de strijd om het overleven gaan de diverse arme groepen dan elkaar te lijf. Of oude etnische tegenstellingen steken de kop op: diverse stammen die door de koloniale tijd binnen kunstmatige grenzen bij elkaar gedwongen zijn maar te verschillend van aard zijn. Vaak is een land in oorlog bovendien onderdeel van een grotere regio met spanning.

Er spelen verschillende factoren tegelijk die opvang in de regio onmogelijk maken. Toch gebeurt de meeste opvang feitelijk in de regio, omdat de meeste vluchtelingen helemaal geen geld hebben om naar het noorden te vluchten. Bij ons komen alleen maar die vluchtelingen die economisch in staat zijn een mensensmokkelaar te betalen die hen hierheen loodst.
In de regio worden de
armsten opgevangen. Dat zijn de meesten, die brengen niets mee. Ze leven feitelijk jarenlang in kampen, wat in veel gevallen betekent in tenten. De landen in die regio zijn zelf arm en hebben geen behoefte aan deze grote toeloop van allerarmsten. Veel van die opvangkampen zie je dan ook vlak over de grens, in gebied waar niets is. Tussen Irak en Jordanië zitten ze zelfs in tenten in niemandsland. Deze vluchtelingen kunnen geen eigen bestaan opbouwen maar leven soms jarenlang afhankelijk van de internationale voedselhulp. Zonder uitzicht op toekomst. Totdat men vindt dat de situatie in het land zozeer verbeterd is dat men wel terugkan. Dan komen ze meestal terug in een verwoest land, of minstens een verwoest dorp, of is hun huis er niet meer. En zelf hebben ze niets.
De schijnwerpers van de media zijn niet gericht op deze grote groepen. Ze worden vergeten en er zijn geen instanties die hen helpen weer op gang te komen.

Europa geeft de voorkeur aan de opvang inde regio, omdat dat goedkoper is. Vluchtelingen ginds kosten ongeveer vijftig dollar per jaar, tegen tienduizend dollar in Nederland. Dat die 50 dollar net genoeg is om ze niet te laten sterven, denkt men er niet bij.
Als de Vluchtelingenorganisatie méér geld zou geven aan die vluchtelingen in de eigen regio, zou dat tot spanningen leiden met de arme bevolking van het opvangland, die immers ook weinig heeft. Om de problemen in die regio niet nog groter te maken, moet de hulp dus tot een minimum beperkt blijven. Dat is wel goedkoop voor het noorden. 

terug

 

Exterritoriale gevangenissen

In de ‘Bijlmerbajes’ in Amsterdam is één toren gereserveerd om enkelingen en families onder te brengen die meteen worden afgewezen en dan teruggestuurd zullen worden. Er zijn nog zeven van die gevangenissen in Nederland. Omdat er vaak kinderen bij zijn en kinderen volgens het Verdrag over de Rechten van de Mens niet gevangen gezet mogen worden, zijn deze gevangenissen exterritoriaal verklaard. Formeel zijn ze dus niet Nederland. Wat daar gebeurt, gebeurt niet in Nederland. Zo kan Nederland blijven volhouden dat het geen mensenrechten schendt.
Er zijn verschillende groepen die zich het lot van deze mensen bijzonder aantrekken. Er is een bezoekersgroep, er zijn groepen die regelmatig liturgische vieringen houden bij hen binnen, of ook buiten voor de poort.
Als deze mensen na een jaar nog niet uit te zetten zijn, worden ze doorgaans ergens op een station afgeleverd, zonder geld voor enig ticket. Ze belanden op straat, “in de illegaliteit’, en komen dan in die opvangvormen terecht die we eerder al noemden: kerk, klooster, kraakpand en opvanghuizen voor daklozen.

Als de staat een jaar lang niet in staat was hen terug te sturen, is de kans ook zeer gering dat het hen zelf wel zal lukken naar hun land terug te keren (als dat al kan gezien de situatie).
Dat kan niet verhinderen dat regelmatig een vluchteling tot de uiterste wanhoop wordt gedreven.

terug


 

Gedenken

Elk jaar maken veel vluchtelingen een eind aan hun leven, omdat ze niet meer zijn opgewassen tegen de onzekerheid en de angst.
Het tijdschrift Vier in Een, nu Vonk geheten, probeerde de namen te krijgen van degenen die in 2001 en 2002 op deze wijze overleden, slaagde daar niet in. Het bleek niet mogelijk de namen te achterhalen, er bestaat verlegenheid rondom dit probleem. Of er is zelfs een bewuste politiek om deze gegevens binnenskamers te houden.
Omdat men toch deze mensen wilde gedenken, die naar ons land kwamen, in de hoop op bescherming en hier de dood door wanhoop vonden, werd de gedenkprent op de voorgaande bladzijde met de vele naamlozen in het tijdschrift geplaatst.


Bron: Netwerk religieuzen voor Vluchtelingen
Alle gegevens uit dit hoofdstuk werden genomen uit het laatste nummer van het tijdschrift Vier in Een, nu Vonk geheten. Dat nummer, augustus 2003, was verzorgd door dat Netwerk.


 terug


 

GRENSGEVANGENEN BEZOEKEN

In Amsterdam zijn er twee grensgevangenissen. In Nederland zijn er in totaal acht.
Eens in de twee weken gaan enkele Bezoekgroepen de grensgevangenissen van Amsterdam in om te praten met de vreemdelingen die daar vastzitten, om hen de gelegenheid te geven hun hart te luchten, om hen moed in te spreken, hen wat afleiding te bieden en vooral om het samen een uurtje gezellig te hebben.

Het is donderdag. Vanavond gaan we weer naar het grenshospitium, de grensgevangenis in de Bijlmer. Het is altijd een spannend gebeuren. Bij de Spaklerweg van het metrostation staan al enkele medebezoekers te wachten. Tegen 19.00 uur, we zijn dan met zessen, melden we ons bij de poort. Bij de ingang levert iedereen zijn paspoort in, deze wordt gecontroleerd en het nummer genoteerd. We kunnen onze jassen en spullen opslaan in een kluis en dan moet iedereen door een detectiepoortje, dat heftig begint te gillen als iemand een grote gesp aan zijn schoenen heeft of zijn huissleutels nog in zijn zak. Als we de trap opgaan zijn er al 6 deuren achter ons in het slot gevallen.
In de bezoekerszaal zetten we koekjes, chocolade, fruit en sap klaar. De ‘bewoners’ brengen koffie en thee mee van de afdeling waar ze vandaan komen.
Meestal komen er een 8-tal ’bewoners’, soms meer soms minder met een begeleider. In het begin is het altijd aftasten waar iedereen gaat zitten en welke talen er worden gesproken: Engels, Frans, Chinees, Russisch, Urdu of één van de vele talen die ergens op de wereld gesproken worden.
De laatste keer zat ik naast een jonge man die chinees sprak. We hebben nogal wat materiaal dat helpt bij de communicatie. Je wilt met elkaar in contact, dus je probeert van alles. We gebruikten een atlas, een chinees woordenboek, tekeningetjes en gebaren. Zo kwamen we tot een “gesprek” over familie, cultuur, gebruiken en eetgewoontes. Hij probeerde me enkele woorden chinees te leren en leerde me tellen van 1 tot 10 in het Chinees. We zochten woorden als broer en zus, vader en moeder. En met gebaren was er een behoorlijke uitwisseling. Bij het woord advocaat schudde hij hopeloos het hoofd. We bladerden nog wat in een boek over Nederlandse cultuur. Hij bewonderde de prachtige kerken. We “praatten” over het Chinees Nieuwjaar met zijn eigen sfeer en cultuur, met zijn draken en het speciale vuurwerk, wat we ieder jaar ook in Amsterdam horen en zien.


Om 20.30 uur was het tijd om te vertrekken en ik zei hem dat ik hem een kaartje wilde sturen. Hij knikte en ik kreeg zijn naam en het nummer van zijn cel en ook dat van een collega.
Intussen wist ik dat hij 22 jaar was en al 4 maanden hier opgesloten zat.

Toen hij en de anderen vertrokken waren, had ik een gevoel van schaamte, dat we deze prachtige mensen opsluiten, die niets misdaan hebben en evenals wij, mensen zijn met idealen, met gevoel voor het goede, die er iets van willen maken in het leven, maar nu door onze politiek in een dergelijke uitzichtloze situatie zijn gebracht. Ze zitten daar zonder enige zekerheid over hun toekomst. Ze weten niet of ze in Nederland kunnen blijven, of ze op straat gezet zullen worden, hoe lang ze nog opgesloten zullen zitten en of ze terug moeten naar het land van herkomst.

Iedere keer zijn de bezoeken anders: soms hoor je droevige verhalen, soms zijn de mensen angstig of boos en er is altijd grote onzekerheid over hun toekomst, wat mensen soms heel depressief maakt.
Na ons bezoek schrijven we een brief naar de geestelijke verzorgers. We vertellen kort wat we meegemaakt hebben en als het mensen erg slecht gaat vertellen we hen dit.
We kunnen de situatie niet veranderen door ons bezoek, we kunnen geen beloftes doen. Ze zullen hoe dan ook nog een lange moeilijke weg te gaan hebben. Maar mensen hebben meestal een grote innerlijke levenskracht. En door onze houding van aandacht en weet hebben van de situatie, denk ik en hoop ik dat dit voor hen een steuntje mag zijn in deze tijd. En voor mezelf, dat ik op de hoogte blijf, me bewust blijf, wat er in ons land gebeurt met mensen.

terug

 

Waken bij de Bijlmerbajes

In de tijd voor Pasen wordt er ook op een andere manier stilgestaan bij wat er in deze grensgevangenis met mensen gebeurt. Er wordt dan een teken van solidariteit aan de grensgevangenen gegeven. Daarbij wordt tevens duidelijk gemaakt, dat er grote vragen zijn bij het opsluiten van mensen die niets misdaan hebben. Dit wordt gedaan door middel van wakes bij het grensgevang in de Bijlmerbajes. Deze wakes worden telkens vanuit de traditie en het gedachtegoed van een andere geloofsgemeenschap gehouden:

25 februari
Aswoensdag:   14.00 uur   Netwerk Religieuzen  voor 
                                         Vluchtelingen en Catholic Worker
29 februari       14.00 uur    Basis Beweging Nederland

 7 maart            15.00 uur    Orthodoxe wake

14 maart           14.00 uur   Vrijzinnig Herv. & Remonstranten

28 maart           14.00 uur    Doopsgezinde wake

4 april
Palmzondag    14.00 uur     Samen op Weg

9 april
Goede Vrijdag  14.00 uur     Franciscaanse Vredeswacht

11 april Pasen    14.00 uur     Oecumenisch Vuur


Iedereen is bij elke wake welkom! De wakes duren een uur. Er wordt 10 minuten van te voren verzameld bij metrostation Spaklerweg. Voor meer informatie: bel Johanna Ketelaar 023-5473699

Johanna Ketelaar

terug

 

Gedenk dat je vreemdeling was in Egypte

In het Eerste Boek van de Bijbel, het “Oude Testament”, vinden we heftige discussies tussen “God”en “mensen”, bijvoorbeeld over de vraag hoe met vreemdelingen om te gaan.
Alle bijbelteksten zijn door mensen geschreven, die om een of andere reden meenden dat ze “in de naam van God” iets moesten duidelijk maken. En ze schreven, omdat ze het niet eens waren met de gang van zaken of met heersende meningen.
Als je een bepaald pleidooi vaak tegenkomt, valt daaruit af te leiden wat er naar het idee van die schrijver mankeert aan de samenleving.

Vaak klinkt de roep om te gedenken, in de zin van herinneren. Een oproep dus tegen het vergeten. Houd dat in herinnering, blijf het weten.
Die oproep klinkt vaak aan het adres van God: “Gedenk ons in uw barmhartigheid”; “Gedenk uw goedheid en zie niet op onze zonden”; “Gedenk het Verbond dat U sloot met onze vaderen”.
Dat die roep zo vaak werd neergeschreven, kan op twee dingen duiden. De ene mogelijkheid is, dat de auteur zich de zondigheid van het volk bewust is en vreest dat het volk de toorn van God over zich afroept door zijn handelwijze. De andere mogelijkheid is, dat de auteur zoveel ellende om zich heen ziet, dat hij zich afvraagt waar de barmhartigheid Gods nog merkbaar wordt.
In ieder geval is de reële situatie vaak het tegenovergestelde dan waar de tekst om vraagt. Daarom vraagt de tekst het. Om het vanuit onze situatie begrijpelijk te maken: als er veel oorlog is of oorlog dreigt, schrijven veel mensen over het belang van vrede. Als er veel schade wordt gedaan aan het milieu, worden er veel teksten geschreven over het belang van het milieu.

In de bijbel wordt niet enkel aan God gevraagd om zich Zijn barmhartigheid te herinneren. Dat wordt ook aan de mensen gevraagd. Dat gebeurt dan vaak op zo´n manier, dat het lijkt alsof God spreekt. God zelf smeekt de mens zich toch te herinneren aan het verleden, om in het heden heil te laten geschieden.

En zo vinden we in het boek Deuteronomium regelmatig de zin terug “Gedenk dat je slaaf was in Egypte”. Dat verwachte God van de mensen met wie Hij een Verbond aanging. Gedenk dat je slaaf was in Egypte.
God vraagt als het ware om twee herinneringen tegelijk: weet dat je vreemdeling was, weet dat je slaaf was.  En wellicht zelfs: herinner je hoe dat bijna altijd samengaat: vreemdeling zijn en slaaf zijn. 
Dat herinneren heeft in Deuteronomium een zeer duidelijke betekenis. Herinner het je, zodat je ervoor zult zorgen dat dat niet weer gebeurt: niet aan jou, niet aan anderen.
Vrij vertaald: onder jullie, die weten wat slavernij was, mag niemand slaaf zijn. Onder jullie, die weten wat het betekende vreemdeling te zijn, mag niemand als vreemdeling worden behandeld.
Vreemdeling lijkt een term die te maken heeft met paspoorten. Maar vreemdeling is vooral  iemand die behandeld wordt als er niet bij horend, vreemd; iemand die buitengesloten wordt.  Prinses Maximá werd niet als vreemdeling binnengehaald, maar als onze (ONZE) prinses. Het woord vreemdeling verwijst naar uitsluiting. Engelstalige topmensen die bij Shell, Albert Heijn, Philips worden binnengehaald, vallen niet onder de term vreemdeling.
Ze vallen ook niet onder de eis die de huidige regering stelt aan vreemdelingen om te “integreren”. Ze hoeven noch onze taal noch onze gewoontes te leren. “Wij”spreken wel Engels omwille van hen, en ze zijn binnengehaald om op hun wijze het bedrijf te gaan leiden. “Hun wijze” is zelfs hetgeen waarvoor ze een giga-salaris krijgen. 
Vreemdeling is iemand die zich moet aanpassen, in het beste geval. Of die er niet bij hoort, in het slechtere geval.
Daarover zegt Deuteronomium dan, als een voorwaarde voor het volk waarmee God een verbond aangaat: “Gedenk dat je slaaf was in Egypte”.

Ze onthielden het dus niet. Ze vergaten het. En e en volk dat zoiets vergeet, maakt anderen tot slaaf, tot vreemdeling. In 1946 had de oproep aan het adres van de Nederlandse regering heel goed kunnen luiden: “Gedenk wat de oorlog je gedaan heeft”, toen besloten werd om tegen Indonesië een oorlog te starten. Of de oproep had kunnen luiden: “Gedenk hoe de bezetting voelde, hoe blij je was bevrijd te zijn”, toen Nederland besloot de bevrijdingsstrijd van Indonesië met geweld te beantwoorden.

Gedenken. Je herinneren. Weet hebben van het leed en de ellende die jou gebeurde, zodat je dat een ander niet laat overkomen. Of ook weet hebben van wat je anderen aandeed, opdat je ze niet nog meer zult aandoen. Gedenken, herinneren als voorwaarde om vrede en gerechtigheid te laten wonen. In dit land, onder dit volk, op deze aarde.  Blijven vasthouden aan geschiedenismomenten die betekenis geven aan ons actuele handelen.
In het rijke Nederland je herinneren …
-  dat vijf eeuwen koloniale geschiedenis voor veel onderontwikkeling zorgde in het zuiden;
-   dat de Gouden Eeuw veel van doen had met onze slavenhandel;
-   dat slavenhandel en koloniale tijd ontwrichting bracht waar het zuiden nu nog aan lijdt;
-   dat in de jaren dertig tot zestig veel Nederlanders emigreerden om het elders beter te krijgen (er wonen meer Nederlanders in buitenlanden dan buitenlanders in Nederland);
-   dat veel buitenlanders naar Nederland werden gehaald voor onze economie;
-   dat in de Europese Unie Nederland staat aangegeven als het land waar de integratie het slechtste gelukt is, en dat Nederland dan vooral ook naar zichzelf moet kijken (want hoe komt dat?);
-   dat er jaarlijks 300.000 mensen uit buitenlanden naar Nederland komen voor goede salarissen, en dat de politici daar niets over zeggen.

Je herinneren. Gedenken. Alleen dan kan barmhartigheid, recht en vrede bloeien onder ons.

Jezus voert, volgens het evangelie van Johannes, dezelfde discussie met andere woorden. Vanaf hoofdstuk 5 raakt hij in groot conflict met de schriftgeleerden en Farizeeën, de leiders van het volk. Zij zeggen dat ze zich aan de wet houden, en Jezus gaat tegen hen in. Soms maakt Hij hen duidelijk dat ze zich helemaal niet aan de wet houden, maar tegen de wet in handelen. Maar vooral gaat Hij nogal te keer tegen hen, omdat ze de letter van de wet stellen boven gerechtigheid. Gerechtigheid en barmhartigheid zijn de attributen die bij Zijn Vader passen, en waartoe Hij in de wereld werd gezonden.
Als de vraag speelt om recht te doen en barmhartig te zijn, is een beroep op de wet om aan de barmhartigheid te ontkomen een goddeloze handelwijze. Los van God.

En Gedenken komt dan in één vorm terug, die centraal kwam te staan in alle christelijke gemeenschappen. In Avondmaal of Eucharistie gedenken we, kijkend naar Verleden om Hier en Nu de weg te hervinden, om Hier en Nu te weten hoe Toekomst kan zijn onder ons. We gedenken Met Brood en Wijn, DOET DIT tot Mijn gedachtenis, we maken tot ons eigen Lijf waartoe Hij door de Vader was gezonden. Gerechtigheid en barmhartigheid doen, en niet de wet als uitvlucht nemen om daaraan te ontsnappen; zeker niet degene die een dergelijke wet zelf kan maken.

José Höhne-Sparborth

terug  

Enkele Portretten

Alian uit Kameroen: alleenstaand. Op straat sinds december 2000.
Als lid van een oppositiepartij tussen 1994 en 1997 meermalen gearresteerd en gemarteld. Ontsnapt en na hernieuwde arrestatie gevlucht naar Duitsland. Zijn verzoek werd afgewezen, maar hij wist op tijd naar Nederland te komen, waar hij geen asiel meer kan aanvragen en op straat leeft.

Feng Hu uit China, 30 jaar. Op straat sinds oktober 1996 samen met kinderen van 6 en 4 jaar.
In maart 1994 kwam ze naar Nederland, vroeg asiel aan, dat werd afgewezen. Toen ze probeerde terug te keren, kreeg ze op de ambassade geen papieren. Pogingen om via buren en de burgemeester in haar dorp in China aan papieren te komen stokten ook. Na nog twee afwijzingen bereidde ze zich voor om met haar twee kinderen illegaal in Nederland te overleven.

Claudia uit Ruanda, 22 jaar. Op straat sinds augustus 2000.
”Ik ben mijn man achterna gevlucht. Ik had echter nog geen geldig visum voor Italië en mocht hier geen asiel aanvragen. Ik moest naar Italië. Ik ben drie keer gevangen gezet, alsof ik crimineel was. Ik ben Tutsi en mijn man is Hutu. Hij wordt gezocht in Ruanda voor zijn politieke activiteiten. Men wil ons beiden vermoorden vanwege ons gemengd etnisch huwelijk”.


Rojda uit Turks Koerdistan, 6 jaar, samen met haar moeder (31 jaar) op straat sinds december 1998.
Haar moeder was, net als har vader, haar oom, opa en grootoom actief voor de Koerdische culturele organisatie HADEP, die door Turkije werd verboden. Nadat haar vader werd opgepakt en vervolgens “verdween” werd haar moeder tussen 1995 en 1998 acht maal gearresteerd en zat van enige dagen tot drie maanden gevangen. Ze werd geschopt en geslagen. 

Irina uit Azerbeidzjan, 38 jaar, alleenstaand. Op straat sinds mei 2000.
Irina was Armeens christen met een moslimman en kind van 3 jaar.  In 1990 drongen soldaten de flat binnen, mishandelden en verkrachtten haar en vermoordden haar kind.  Zij vluchtten naar het christelijke Nagora Karabach, maar daar waren de rollen omgedraaid: haar man werd doodgeschoten in haar bijzijn en zij werd opnieuw verkracht. Naar Nederland gevlucht werd haar asielaanvraag echter direct afgedaan in AC Rijsenbergen.

Martha uit Ethiopië, 33 jaar met Albenet, dochter van 2 jaar. Op straat sinds januari 1999.
Martha’s man was aanhanger van Mengistu. Toen deze in 1991 werd verdreven door Zenawi kregen beiden problemen. Haar man werd gedood en zijzelf bijna. Ze werd gearresteerd en mishandeld, waarbij ze en beenbreuken opliep. Daarna zette ze zich voluit in voor de hand-Amhaarse verzetsbeweging AAPO.
Toen dit ontdekt werd wist ze met hulp van een oom naar Nederland te komen.

Familie Anno uit Syrië: man (42), vrouw (35), en kinderen van 6 en 3 jaar. Op straat sinds mei 2000.
Jean is een Aramees Syrisch-orthodox, maar niet praktiserend. Zijn vrouw is Assyrisch-katholiek.  In 1997 wordt Jean opgepakt en ervan beschuldigd lid te zijn van de Assyrische partij. Na drie jaar regelmatig opgepakt en verhoord te zijn en ook op andere wijze getreiterd, vluchtten ze in 2000 naar Nederland. Na afwijzing is een nieuwe procedure begonnen, die lang kan duren.

(genomen uit Vier in Een, augustus 2003)

 

Toen , in 1942,
waren er 123.000 joden in onveiligheid.
24.000 konden onderduiken in Nederland.
Nu zijn er 26.000 mensen in onveiligheid.
Voor hoe velen zal er ruimte zijn
om onder te duiken?
We zijn met veel meer Nederlanders,
we zijn veel welvarender,
we riskeren niet ons leven.
De onveiligheid is anders,
voor de verschrikking van dit soort leed
bestaat geen schaal van Richter
om het te vergelijken.

Ik was 10 jaar toen ik aan het raam stond
en op het plein de joden zag,
bijeen gedreven om afgevoerd te worden.
Ik kromp in elkaar.
Wat we kunnen vergelijken,
toen en nu,
zijn de mensen die in elkaar krimpen.

(Huub Oosterhuis op 25.2.2004
herdenking van de Spoorwegstaking 1941
bij de Dokwerker in Amsterdam)

terug