|
Inhoud:
vluchten is levenslang
Nederlandse politiek
Verharding in asielbeleid
AMA's
Legitiematies
beleid
Immigratie Nederland
begeleiding terugkeer
regionale opvang
Exterrritoriale
gevangenissen
Gedenken
Gevangenen bezoeken
Waken bij de Bijmerbajes
Gedenk hoe het was in Egypte
Enkele portretten
Herdenking bij Dokwerker
|
VLUCHTELINGEN IN ONS MIDDEN
Dit boekje kwam tot stand naar aanleiding van een
gesprek dat op
september 2003 werd gevoerd door enkele zusters over hun
dagelijkse ervaringen in de maatschappij van vandaag.
Vluchten
is
levenslang
An Melman heeft enige jaren gewerkt
in het AsielZoekersCentrum
van Crailo, het
grootste opvangcentrum voor vluchtelingen in Nederland. Ze werkte zeven
jaar bij de houtbewerking en leerde zo veel vluchtelingen kennen. In
die tijd hielp ze onder andere vluchtelingen, als deze eenmaal een
woning kregen toegewezen, met het opknappen van de woning, inrichten en
verhuizen. Haar garage was altijd een opslagplaats van meubels,
huisraad en kleding.
Uit die jaren heeft ze nog veel contacten overgehouden. Met name enkele Afghaanse
gezinnen en
alleenstaande Iraanse
mannen houden
contact. De laatste jaren werd An
daardoor verschillende malen geconfronteerd met zeer ernstige situaties
en de problemen waar vluchtelingen in de nasleep van de lange
procedures
geraken kunnen.
Ineens een telefoontje. Soms midden in de nacht. Ernstige crisis. Een
vluchteling weet niemand anders te bellen dan An.
Als het heel dringend klinkt, rijdt An
midden in de nacht naar de andere kant van
het land waar de persoon in kwestie woont. Dat is regelmatig nodig, in
sommige gevallen nachten achtereen. Want ook voor vluchtelingen die een
woning kregen en een status, of zelfs een Nederlands paspoort, is de
ellende
niet voorbij.
De herinneringen aan de verschrikkingen die ze meemaakten achtervolgen
hen, maken hen ziek. De doodsangsten gaan niet meer weg uit hun lijf.
Of ze gaan kapot, omdat ze geen baan krijgen, zich nutteloos voelen,
door de lege dagen helemaal verward raken in herinneringen. Velen die
geen werk kunnen vinden, verliezen de hoop op toekomst. En wie geen
toekomst heeft, raakt verdwaald in het verleden.
Met regelmaat bellen ze, meestal midden in de nacht, met An. Mannen die alleen de weg
moeten vinden en die niet kunnen vinden in dit land. Vrouwen, alleen
met hun kinderen, staan voor een te zware opgave. Als je al vreemdeling
bent, zijn
nieuwe moeilijkheden vaak te groot om het nog aan te kunnen. Sommigen
geven elkaar het telefoonnummer door van An.
Het voelt dichterbij dan maatschappelijk werk, dat bovendien
’s nachts gesloten is. En ’s nachts zijn de beren
het grootst, is de angst het heftigst. Vaak angst, omdat de cultuur
hier zo anders is dan wat men gewend was.
“Tamira”
kwam haar man, die eerder gevlucht was, achterna met hun twee kinderen.
De man wou het niet, maar zij zette door. Toen ze hier aankwam
bleek hij met een Nederlandse vrouw te wonen. Hij sloot haar op. Ze
wist op een
gegeven moment uit huis te ontsnappen en kreeg uiteindelijk ook een
eigen woning met haar twee kinderen; ze kreeg snel een status. Ze is
lerares, sprak goed Engels en leerde ook snel Nederlands.
In de Afghaanse cultuur, met name
op het platteland, is het onmogelijk om als vrouw alleen te
leven. Tamira’s
familie die in Europa woont
dringt haar weer een man op. De man
zelf houdt af. Zij moet van de familie huwen anders wordt ze een
buitenstaander. De spanning is zo geëscaleerd dat ze inmiddels voor allerlei ziekten
medicijnen krijgt. Toen An
gebeld werd om hulp en erheen reed, trof ze een moeder aan die gilde
van ellende, al urenlang. Uren duurde het tot ze iets kalmer werd.
Haar dochter krijgt inmiddels
andere problemen. Ze mag haar vriendinnen van school niet mee naar huis
nemen omdat haar broer, een jongen dus, ook in huis is. De vrouw is te
snel alleen komen te staan, zonder veel relaties om zich heen. Ze leeft
voort in de Afghaanse cultuur en is voor de sociale contacten
afhankelijk van haar familie. Sinds kort accepteert ze enige hulp
om in haar problemen te worden begeleid.
“Fatima”
is een vrouw met
een sterk karakter. Zij was gevlucht met haar man en kinderen, en
zij heeft zelf haar man weggestuurd. Hij wenste enkel contact met
zijn eigen familie, waarvoor zij zich moest uitsloven. Met haar familie
mocht ze geen contact hebben.
Ze heeft vier kinderen tussen 18 en 9 jaar, en het opvoeden is wel een
stuk moeilijker alleen. De jongens hadden al veel van het
machogedrag van hun vader meegekregen, vanaf 8 of 9 jaar
oud ontwikkelen ze hetzelfde gedrag tegenover hun moeder.
Zij heeft het getroffen met de Sociale Dienst in haar
woonplaats. Daar begrijpt men dat een dergelijke vrouw gek wordt
als ze alleen maar thuis zou zijn. Ze mag vrijwilligerswerk doen
in jongerencentra en ze mag ook een paar kleine baantjes hebben
om wat bij te verdienen. “Grijze” baantjes dus. Na
een lange moeizame
periode redt ze het nu wel.
De man van een wat moderner echtpaar begreep het probleem van het
isolement en zei tegen haar: “Ga mijn moeder af en toe
bezoeken”. Waarop er geroddel begint tussen de Afghaanse
mannen
van die gemeenschap. Ze spreken die ene man erop aan en zeggen dat
hij dat moet stoppen omdat “Fatima”
een hoer
is. Zijn moeder bezoeken zou zoiets zijn als achter hem aan
zitten…
De laatste twee jaar kreeg An
7 keer te maken met een vrouw die achterbleef omdat haar man een
einde aan zijn leven had gemaakt. De langdurige spanningen van de
asielprocedure, de voortdurende druk om banen te vinden die ze niet
konden krijgen en na de oorlog tegen Afghanistan in 2001 de dreiging om
alsnog te worden teruggestuurd waren te veel geworden. In de
traditionele moslimwereld is zelfdoding nog meer taboe dan in
christelijke kringen. De vrouwen krijgen de schuld. Zij hebben hun man
niet goed opgevangen heet het. Ze raken volledig geïsoleerd,
niemand wil meer contact met hen, ze raken al hun vriendinnen kwijt. Ze
vallen terug op de enkele Nederlandse vrouw in wie ze vertrouwen
hebben. Zo kwamen deze vrouwen bij An
terug.
De confrontatie met het lichaam van hun man is teveel, wat dan te doen
weten ze niet. Als An
dan komt, moet de politie nog gebeld worden. Gelukkig begrijpen die het
verzoek om zonder dienstauto en uniform te komen, zodat alles discreet
kan worden afgehandeld. Er moet onderdak geregeld worden voor de
kinderen, vaak moet geholpen worden om de begrafenis geregeld te
krijgen. Het worden stille begrafenissen, weggemoffeld. Een paar
getuigen
van de gemeente.
Dan begint de lange weg om zulke vrouwen aan te moedigen hulp te zoeken
bij een huisarts, bij het RIAGG. In hun cultuur regel je moeilijkheden
onder vrienden en houd je het voor vreemden angstvallig verborgen. De
weg naar hulpverlening is moeizaam, en loopt vaak stuk als de eerste
contacten niet goed verlopen.
“Jasmina”
is helemaal de kluts kwijt, ze is compleet outcast.
Door de dood van haar man stond ze plotseling voor begrafeniskosten. Ze
probeerde te verzwijgen wat er was gebeurd, maar dat lukte niet. De
vluchtelingen redden het omdat ze op hun familie en zelfs breder, op
andere vluchtelingen uit hun land kunnen terugvallen bij hoge kosten.
Maar nu dus niet, daarvoor is zelfdoding te zeer taboe. Ze is heel
handig in het rondkomen en heeft uiteindelijk toch kans gezien om het
financieel te overleven.
Maar ze staat er helemaal alleen voor. Liefst zou ze willen verhuizen
naar een andere plek in Nederland, waar men niet weet
dat haar man zelf zijn leven beëindigde.
Ook zij merkt hoe haar kinderen onhandelbaar worden, de jongens dan. Ze
tonen geen enkel respect voor hun moeder.
De jongens zitten op de bank en eten aan tafel, laten zich bedienen
door hun moeder en zusjes. En als zij gegeten hebben, dan eet moeder
met de zusjes zittend op de grond de resten.
De moeder is door de hele situatie te murw om zich hiertegen te kunnen
weren.
Het is een extreem geval, bij de andere vrouwen loopt
het niet zo erg uit de hand. Maar de ellende en het isolement spelen
bij al deze vrouwen die als weduwe achterbleven door zelfdoding van
de man. Sommigen weten contacten te vinden in de Nederlandse
gemeenschap en proberen dan hun kinderen een sterk Nederlandse
opvoeding te geven.
Voor de meeste vrouwen is dat te moeilijk, door de taal, door het
wantrouwen in de eigen achterban, door de eigen labiele toestand na de
plotselinge verandering in het gezin. Dan is het enige houvast dat ze
kunnen bedenken, zo Afghaans mogelijk blijven, zich in het bekende
vastbijten. Maar dat maakt ze tegelijk weerloos tegenover de roddel van
familie en vrienden en tegenover de grillen van de eigen zoons.
Een jongen van 12 jaar is in staat om zijn vriend op te bellen:
“Let op je moeder, zorg dat er niemand bij haar op bezoek
komt!”
De schaamte om de zelfdoding, de schaamte “dat ze hun
man niet wisten te steunen”, de angst dat ze als hoer worden
beschouwd maakt dat ze ook zichzelf helemaal terugtrekken en alle
contacten
vermijden.
En alle opgekropte ellende komt er dan nogal eens midden in de nacht
uit. Dan gaat bij An de
telefoon. En als het helemaal niet anders kan, pakt An de auto en rijdt erheen om zo’n vrouw de kans te
geven maar gewoon te praten, te praten tot de ergste druk er af
is. Soms, na lang praten, is het mogelijk iemand toch zover te krijgen
dat ze hulp zoekt bij maatschappelijk werk.
Voor al deze vrouwen geldt, dat ze blijven leven onder de druk van de
verplichting om de achtergebleven familie in Afghanistan te helpen. Dat
geldt voor alle vluchtelingen. Het is zowel een sociale druk van de
omgeving en het thuisland, als een innerlijke druk. Als familie help je
elkaar. En in de
culturen van de zuidelijke landen reikt familie heel ver.
De vluchtelingen die in de rijke landen zijn terechtgekomen dienen dus
met regelmaat geld te sturen naar het thuisland. De relaties raken
verstoord als ze dat niet doen. Ze zouden zich ook niet goed voelen als
ze dat niet doen. Dus er moet van de kleine uitkeringen
ook altijd nog gespaard worden voor de familie.
José Höhne-Sparborth
terug
Nederlandse
politiek en vluchtelingen
Algemeen:
Vluchtelingen
zijn meer dan
andere groepen altijd speelbal van de politiek. Als het een land goed
uitkomt om bepaalde vluchtelingen in de schijnwerpers te zetten,
dan hebben politici en media het regelmatig over die arme mensen
die zo lijden. Denk aan de wijze waarop in de tijd van de
Koude
Oorlog werd gesproken over de onderdrukking in communistische landen
en de vluchtelingen uit die landen. Ze werden met open armen ontvangen,
omdat West Europa en Amerika sterk anticommunistisch waren.
In de jaren ‘80 konden vluchtelingen uit Iran gemakkelijk
opvang vinden, de Verenigde Staten betaalden er zelfs voor. In die
jaren voerde Saddam
Hoessein oorlog tegen dat land, op verzoek van de Verenigde Staten en
hij werd daarvoor bewapend door hen en door West Europa.
“Wij” hielden niet van de Ayatolla
Komeini en dus was
Saddam Hoessein
onze vriend. Verhalen over de vele communisten en anderen die
hij vermoordde werden als communistische propaganda afgedaan. Irakese
vluchtelingen hadden het zwaar om erkenning te krijgen en zaten
jarenlang in de procedure.
Sinds de val van de Berlijnse muur zijn communistische landen niet meer
een factor van betekenis. Noord Korea, Vietnam en Cuba zijn te zwak en
China is bezig zijn grenzen te openen voor westerse bedrijven.
Sindsdien zijn vluchtelingen voor westerse landen niet
meer van politieke betekenis en worden ze enkel nog als storende
elementen ervaren. De politieke toon van spreken over hen is veranderd.
Er wordt vooral over hen gesproken alsof ze gelukszoekers zijn, halve
criminelen, mensen die op ons geld afkomen.
Als dat het beeld van vluchtelingen is, is het makkelijker voor de
politiek om harde maatregelen te nemen tegen hen. Sinds 1990 zien we
dan ook dat in verkiezingstijden maatregelen worden aangekondigd en
achtereenvolgende regeringen telkens weer maatregelen aanscherpen.
In het nieuwe millennium werd de toon nog grimmiger.
De aanslag op de WTC torens in New York
op 11 september 2001 werd door Bush
als ‘terrorisme’ benoemd, maar je kunt het
ook anders zien: als een protest van niet-westerse landen tegen de
wijze waarop ‘het westen’ zijn eigen economische
belangen in heel de wereld doorzet. Men noemt het
globalisering. Maar het betekent vooral dat westerse multinationals
zonder hindernissen in alle zuidelijke landen tegen lage lonen kunnen
laten produceren om in het noorden grove winsten te maken met die
producten.
Bush
interpreteerde de aanslag als “botsing tussen
culturen”, namelijk van dictaturen tegen de vrije wereld en
de democratie, ofwel van moslims tegen christenen. En
hij startte zijn “oorlog tegen het terrorisme”,
gericht tegen landen waar
de VS en het verdere westen tot nu toe ‘geen poot aan de
grond kregen’. De islamitische wereld is afhoudend
vanwege te moderne westerse invloeden en de olielanden zijn rijk genoeg
om de VS niet nodig te hebben. Dat een deel van de rijkste oliegebieden
samenvalt met de islamitische wereld, is voor het westerse
oliebedrijfsleven een grote hindernis. Onder de noemer
“oorlog tegen het terrorisme” is de VS en met hen
enkele ‘westerse’ bondgenoten (Europa,
Australië en Japan) erin geslaagd de militaire aanwezigheid in
het Midden Oosten en Centraal Azië zeer te
versterken. De Islam wordt sindsdien als vijand nummer 1
beschouwd, en de landen waar ‘het westen’
militairen heeft gestald worden veilig verklaard. In de
taal van de ‘westerse’ politici kunnen veel
vluchtelingen nu dus terug.
Vluchtelingen uit Afrika worden al heel lang als economisch vluchteling
bestempeld, wat niet helemaal onlogisch is als je weet hoe ellendig
Afrika eraan toe is. Aan de oorlogen in Afrika wordt echter weinig
media-aandacht gegeven. Daardoor kunnen politieke
motieven genegeerd worden.
De term “economisch vluchteling” wordt tevens
uitgesproken met een toon alsof er over rovers wordt gesproken.
Nederland heeft nog een heel eigen moment dat het
vluchtelingenwanbeleid aanscherpte.
Pim Fortuyn
veegde op cabareteske manier de vloer aan met ‘een te slappe
overheid’, hij wist alle
politici voor gek te zetten en werd daardoor heel populair.
Sindsdien wensen VVD en delen van het CDA te laten zien dat ze wel
degelijk hard en stevig kunnen ingrijpen. Dat werd sterker toen hij
vermoord was en ineens een soort icoon werd. De ‘politieke
spierballen’
worden getoond.
Voor vluchtelingenzaken is Mevrouw Verdonk
aangezocht, die voordien directeur was van de gevangenis in Scheveningen. Deze behoort tot
de gevangenissen in Nederland waar de zwaarste criminelen worden
vastgehouden. Als mevrouw Verdonk
spreekt, spreekt ze als de directeur van een gevangenisvleugel met de
ergste soort misdadigers: ‘daarmee onderhandel je niet, je
stelt harde en duidelijke grenzen en verder geen gezeur’. Dat
is het beleid geworden tegenover vluchtelingen.
Overigens pleitte Pim Fortuyn voor een generaal pardon
en dan de grens op slot. Nu gaat de grens op slot zonder generaal
pardon.
Intussen krijgen steeds meer religieuze gemeenschappen en parochies te
maken met de noodzaak om “illegalen” een opvang te
bieden, zodat ze niet op straat verhongeren.
terug
Verharding
in het asielbeleid:
In
de jaren ‘70 kwamen
de eerste
asielzoekers. Zij kregen een uitkering en konden dan hun eigen
huisvesting regelen en werk zoeken. Vanaf 1983 is er een apart opvang/
beoordelingssysteem, waarmee vluchtelingen bijeengeplaatst werden,
in langdurige procedures beoordeeld werden en steeds vaker afgewezen.
De eindeloze procedure geeft veel onzekerheid gedurende jaren; bij
veel vluchtelingen leidt dat tot psychische problemen en ook ziekte.
Sinds 1990 is het beleid erop gericht vooral de contacten tussen
Nederlanders
en asielzoekers te verminderen.
Vanaf 1995 mogen gemeenten alleen nog woonruimte geven aan
vluchtelingen die een status hebben, anderen blijven in de centra
wonen, voor jaren.
De vluchtelingen worden beoordeeld volgens het Verdrag van Genève, dat van
individuele vluchtmotieven uitgaat (vervolgd door de regering). Zodra
een land dan het stempel ‘veilig’ heeft gekregen,
mag men alle vluchtelingen uit dat land terugsturen, behalve hen die inmiddels de Nederlandse
nationaliteit kregen. Afghanistan is veilig verklaard door
de Nederlandse regering, terwijl het land nog in puin ligt, de westerse
troepen nodig zijn om de regering (die pro-westers is) in het zadel te
houden en eigenlijk enkel de hoofdstad Kaboel enigszins veilig is.
Noord Irak is veilig verklaard door de Nederlandse regering, terwijl
kenners van de situatie vrezen dat het land elk moment kan imploderen
(zeer diverse groepen kunnen een burgeroorlog uitlokken).
Het Verdrag van Genève
wordt dus door de Nederlandse regering zo eng mogelijk
geïnterpreteerd. Maar er is ook een probleem met dat verdrag
zelf. Het verplicht
enkel de opname van vluchtelingen die door hun regering aanwijsbaar
vervolgd worden.
Daarmee worden niet alle vluchtmotieven erkend. Vluchten voor een
oorlogssituatie bijvoorbeeld, of vluchten omdat je uitgehuwelijkt
wordt, of vluchten omdat je als vrouw vermoord wordt door je familie
vanwege ‘schande’, of vluchten omdat je verkracht
werd en dan verder als prostitué wordt behandeld, geldt
allemaal niet als motief. Verkracht of mishandeld worden door je man,
die in sommige culturen altijd gelijk krijgt, geldt ook niet als
vluchtmotief.
Zo worden vrouwen die via de vrouwenhandel naar ons land kwamen en hier
in de prostitutie gedwongen worden, naar hun land teruggestuurd als ze
aangifte gedaan hebben tegen de mensenhandelaren en hun getuigenis niet
meer nodig is in het proces.
Sinds 1998 zijn er speciale maatregelen voor vluchtelingen jonger dan
18 jaar. Zij worden als AMA’s in kampen bijeengehouden onder
toezicht tot ze18 jaar zijn, en worden dan naar hun land teruggestuurd.
De opvang van deze jongeren gebeurt ver van de Nederlandse samenleving.
terug
AMA’s
Manuela, 16 jaar,
vluchtte met haar broertje uit Angola na teveel oorlogsellende. Haar
ouders werden vermoord, waarna ze haar tante in de stad trokken. Die
werd ook vermoord, haar oom misbruikte haar. Toen heeft ze in de haven
overleefd; een matroos verkrachtte haar en nam haar mee op de boot. Ze
moest de bootslui in natura betalen. Ze werd in Rotterdam gedropt. In
het AZC wordt ze niet geloofd over haar leeftijd; botonderzoek zou
uitwijzen dat ze ouder is. De Ombudsman echter twijfelt sterk aan de
onderzoeksmethode die gebruikt wordt om de leeftijd via het bot te
scannen. Maar toch wordt Manuela
op straat gezet: “Zorg zelf maar dat je binnen 24 uur
Nederland verlaat.”
Andere jongeren komen in het AMA-kamp
Vught.
‘s Morgens half zeven opstaan, straffe dagorde tot half elf ’s
avonds als in een strafkamp. Zonder privacy, in
groen of rood uniform, zonder geld, zonder bewegingsvrijheid, zonder
contact met de buitenwereld. Tot de dag dat je 18 jaar wordt en op
straat wordt gezet of op het vliegtuig (heel soms, als er een paspoort
is). De meesten proberen het kamp te ontvluchten en komen in de
illegaliteit terecht. Mensen onder strafregiem interneren als
ze geen misdaad pleegden is tegen elke rechtsregel. Maar Nederland
praktiseert het en blijft tegelijk buitenlanden aanspreken op
mensenrechten.
terug
Ontmoedigingsbeleid
Sinds de jaren negentig is het beleid er op gericht om vluchtelingen te
ontmoedigen naar Nederland te komen. Men stelde een eerste snelle
procedure van 48 uur in, waarbinnen werd beslist of iemand de langere
toelatingsprocedure mocht ingaan. Wie dat niet mocht, werd
teruggestuurd. In het begin werd zo 10% eruit gehaald die niet als
vluchteling onderkend werden. Daarvoor was de procedure ook bedoeld:
wie duidelijk geen vluchteling is, eruit halen.
Inmiddels wordt
ruim 80 % afgewezen en werkt het beleid voornamelijk in de hand dat er
geen vluchtelingen meer naar Nederland komen. Ze zoeken hun heil in
andere landen. In 2003 kwamen er nog maar zo’n
1000 asielzoekers in de procedure. De doelstelling van het beleid is
dus gelukt. Er is al opgemerkt in de Europese Unie “dat
Nederland het enige land is dat de vluchtelingenstroom wist in te
dammen”.
Er is ook kritiek gekomen vanuit Genève,
dat Nederland de rechten van vluchtelingen schendt.
Hoogzwangere vrouwen passen niet in de 48uurs procedure. Zij mogen
blijven tot ze bevallen zijn en als de baby zes weken is worden ze
alsnog op straat gezet.
Mensen die zonder geldige documenten aankomen (door oorlog of door de
politieke situatie!) krijgen geen kans, tenzij ze alsnog documenten
weten te organiseren. Dan echter hebben ze geen recht op de normale
opvang, en moeten ze tijdens de jarenlange procedure hier leven op
kosten van familie, religieuzen en kerken. Ook de kraakbeweging vangt
feitelijk veel “illegalen” op.
terug
Legitimaties
voor het strakke beleid
Drie argumenten die Nederland inzet ter rechtvaardiging van zijn
strenge beleid, verdienen extra vermelding.
Afwijzing wordt gerechtvaardigd als mensen geen geldige papieren
hebben. Juist de mensen die door hun regering worden vervolgd (de enige
reden dus die Nederland nog accepteert als vluchtverhaal)
kunnen vaak niet aan een paspoort komen. Als hun
verhaal dan niet is te controleren (waarvoor nogal eens de medewerking
van hun regering nodig is…)
worden ze afgewezen.
Afwijzing wordt gerechtvaardigd als in de latere procedure
“hun verhaal verandert”. Als later “echte
vluchtmotieven” bovenkomen die aanvankelijk, binnen de eerste 48 uur, niet waren
genoemd, worden die niet geaccepteerd als argument voor de
uiteindelijke beslissing. Daarmee gaat men voorbij aan de angst die
veel vluchtelingen hebben waardoor ze niet meteen alles vertellen aan
een vreemde ambtenaar binnen de setting van een verhoorkamer. Vooral
gaat het voorbij aan de schaamte die speelt in het vluchtverhaal van
vrouwen die werden verkracht (in de gevangenis, om ze te intimideren,
of waar de verkrachting meteen betekent dat ze outcast
zijn of vermoord dreigen te worden).
Afwijzing wordt tegenwoordig ook gerechtvaardigd als de mensen via
mensensmokkelaars het land inkwamen, waarmee verwezen
wordt naar de maffia-achtige methoden van de smokkelaars. Daardoor
worden de slachtoffers gestraft omdat men de daders (smokkelaars)
niet weet te pakken. Juist de vluchtelingen, die door de eigen regering
vervolgd worden, kunnen meestal het land niet langs de normale grens
verlaten en zijn aangewezen op – zeg maar liever overgeleverd
aan –
mensensmokkelaars.
Deze drie argumenten als weigering om de vluchteling te accepteren,
zijn feitelijk niet minder dan ontkennen onder welke omstandigheden
deze mensen vaak hun land moesten verlaten.
terug
Immigratie
naar Nederland
Lange tijd was het eenvoudigste argument tegen
vluchtelingen dat
Nederland vol was. Dat is echter niet het feitelijke
argument. Dat wordt helder als je kijkt hoeveel immigranten) niet
vluchtelingen er per jaar worden toegelaten in Nederland.
Er komen per jaar ruim 45.000 buitenlanders naar Nederland, maar die
komen voor economische redenen: banen in bedrijven, en
met goede diploma’s. Ze komen uit de Verenigde Staten,
Canada, Japan
en de EG landen. Velen van hen hoeven geen Nederlands te leren, omdat
in hun bedrijven voldoende mensen zijn die Engels spreken.
Er is onlangs nog weer gemeld door het Bureau van de Statistiek, dat
het bedrijfsleven altijd behoefte zal houden aan goed opgeleide
arbeidskrachten uit het buitenland, dus er zal migratie naar Nederland
blijven. Arbeidsmigratie, economische migratie dus. Maar dat betekent,
dat het Nederlandse bedrijfsleven helemaal zelf kan uitzoeken wie ze
uit het buitenland laten komen.
Het is goed te weten, dat de vluchtelingen die de laatste tien jaar
Nederland bereikten, allemaal goed opgeleide mensen waren, die in hun
eigen land er economisch niet slecht aan toe waren. Eigenlijk
zouden ze dus goed in te zetten zijn op de plekken waar
Nederland tekort heeft, inclusief in de onderwijssector en de medische
sector.
Het gaat namelijk veelal om vluchtelingen die tenminste
het vliegticket konden betalen, of zelfs een mensensmokkelaar. Om een
idee te geven: om vanuit Irak over land naar Nederland te komen moesten
sommigen per persoon $4000 betalen.
terug
Begeleiding
bij terugkeer
Uitgeprocedeerde asielzoekers moeten vaak binnen 28
dagen de terugkeer
naar hun land regelen en worden soms al binnen 48 uur na afwijzing op
straat gezet. Als “illegalen”
zwerven ze op straat of vinden een tijdelijke
opvang.
Voor velen geldt, dat ze om allerlei redenen niet naar hun land terug
kunnen. (Zie achterin ‘Enkele portretten’).
Er is inmiddels veel
opvang voor deze groepen, verzorgd door kerken en religieuze
gemeenschappen en door stichtingen die het niet eens zijn met dit
onmenselijke beleid. Maar doordat velen niet kunnen terugkeren naar hun
land, raakt die opvang verstopt. De uitzichtloosheid (geen werk, geen
opleiding, geen medische zorg, kinderen niet naar school) leidt tot
grote psychische problemen.
Vaak wonen afgewezen vluchtelingen ook in kraakpanden.; totdat er een
ontruiming volgt door de politie. Deze particuliere
opvangplekken proberen zoveel mogelijk mee te helpen aan uiteindelijk
terugkeer.
Samen met de afgewezen vluchtelingen brengt men bezoeken aan de
ambassade van het oorsprongsland om te zien of er toch reisdocumenten
te krijgen zijn. Men zoekt mogelijkheden voor psychologische
behandeling om de schade, door de lange tijd van angst en wachten
ontstaan, te helpen wegwerken zodat die mens weer kracht heeft om
voor zichzelf te vechten. Men zoekt geld bijeen om in het thuisland
een nieuwe start mogelijk te maken: vaak gaat het om gebieden die door
oorlog verwoest zijn.
Maar er blijven veel mensen hier als illegaal achter,
die werkelijk niet terugkunnen: omdat ze vrezen voor hun regering
(bijvoorbeeld deserteurs of dienstweigeraars gedurende oorlogstijd).
Ze vrezen voor familie of voor bloedwraak van andere families (vrouwen
die verkracht werden, vrouwen uit de vrouwenhandel, mannen die deel
uitmaken van familie in een situatie van familievete).
terug
De
mythe van regionale opvang
In Nederland en Europa wordt het harde
afwijzingsbeleid onder andere
verdedigd met het argument dat opvang in de eigen regio beter is.
Dat valt erg tegen, om verschillende redenen. De meeste oorlogen worden
uitgevochten in de zuidelijke continenten. Daar
zijn ook de hardste samenlevingen. Dat komt door koloniale geschiedenis
en door de wijze waarop de westerse multinationale ondernemingen de
levensomstandigheden in het zuiden steeds slechter maken. In de strijd
om het overleven gaan de diverse arme groepen dan elkaar te lijf. Of
oude etnische tegenstellingen steken de kop op: diverse stammen die
door de koloniale tijd binnen kunstmatige grenzen bij elkaar gedwongen
zijn maar te verschillend van aard zijn. Vaak is een land in oorlog
bovendien onderdeel van een grotere regio met spanning.
Er spelen verschillende factoren tegelijk die opvang in de regio
onmogelijk maken. Toch gebeurt de meeste opvang feitelijk in de regio,
omdat de meeste vluchtelingen helemaal geen geld hebben om naar het
noorden te vluchten. Bij ons komen alleen maar die vluchtelingen die
economisch in staat zijn een mensensmokkelaar te betalen die hen
hierheen loodst.
In de regio worden de armsten
opgevangen. Dat zijn de meesten, die brengen niets mee. Ze leven
feitelijk jarenlang in kampen, wat in veel gevallen betekent in tenten.
De landen in die regio zijn zelf arm en hebben geen behoefte aan deze
grote toeloop van allerarmsten. Veel van die opvangkampen zie je dan
ook vlak over de grens, in gebied waar niets is. Tussen Irak en
Jordanië zitten ze zelfs in tenten in niemandsland. Deze
vluchtelingen kunnen geen eigen bestaan opbouwen maar leven soms
jarenlang afhankelijk van de internationale voedselhulp. Zonder
uitzicht op toekomst. Totdat men vindt dat de situatie in het land
zozeer verbeterd is dat men wel terugkan. Dan komen ze meestal terug in
een verwoest land, of minstens een verwoest dorp, of is hun huis er
niet meer. En zelf hebben ze niets.
De schijnwerpers van de media zijn niet gericht op deze grote groepen.
Ze worden vergeten en er zijn geen instanties die hen helpen weer op
gang te komen.
Europa geeft de voorkeur aan de opvang inde regio, omdat dat goedkoper
is. Vluchtelingen ginds kosten ongeveer vijftig dollar per jaar, tegen
tienduizend dollar in Nederland. Dat die 50 dollar net genoeg is om ze
niet te laten sterven, denkt men er niet bij.
Als de Vluchtelingenorganisatie méér geld zou
geven aan die vluchtelingen in de eigen regio, zou dat tot
spanningen leiden met de arme bevolking van het opvangland, die
immers ook weinig heeft. Om de problemen in die regio niet nog groter
te maken, moet de hulp dus tot een minimum beperkt blijven. Dat is wel
goedkoop voor het noorden.
terug
Exterritoriale
gevangenissen
In de ‘Bijlmerbajes’ in Amsterdam
is
één toren gereserveerd om enkelingen en families
onder te brengen die meteen worden afgewezen en dan teruggestuurd
zullen worden. Er zijn nog zeven van die gevangenissen in Nederland.
Omdat er vaak kinderen bij zijn en kinderen volgens het Verdrag over de
Rechten van de Mens niet gevangen gezet mogen worden, zijn deze
gevangenissen exterritoriaal verklaard. Formeel zijn ze dus niet
Nederland. Wat daar gebeurt, gebeurt niet in Nederland. Zo kan
Nederland blijven volhouden dat het geen mensenrechten schendt.
Er zijn verschillende groepen die zich het lot van deze mensen
bijzonder aantrekken. Er is een bezoekersgroep, er zijn
groepen die regelmatig liturgische vieringen houden bij hen binnen,
of ook buiten voor de poort.
Als deze mensen na een jaar nog niet uit te zetten zijn, worden ze
doorgaans ergens op een station afgeleverd, zonder geld voor enig
ticket. Ze belanden op straat, “in de
illegaliteit’, en komen dan in die opvangvormen terecht die
we eerder al noemden: kerk, klooster, kraakpand en opvanghuizen voor
daklozen.
Als de staat een jaar lang niet in staat was hen terug te sturen, is de
kans ook zeer gering dat het hen zelf wel zal lukken naar hun land
terug te keren (als dat al kan gezien de situatie).
Dat kan niet verhinderen dat regelmatig een vluchteling tot de uiterste
wanhoop wordt gedreven.
terug
Gedenken
Elk jaar maken veel vluchtelingen een eind aan hun
leven, omdat ze niet
meer zijn opgewassen tegen de onzekerheid en de angst.
Het tijdschrift Vier in Een, nu Vonk geheten, probeerde de namen te
krijgen van degenen die in 2001 en 2002 op deze wijze overleden,
slaagde daar niet in. Het bleek niet mogelijk de namen
te achterhalen, er bestaat verlegenheid rondom dit probleem. Of er
is zelfs een bewuste politiek om deze gegevens binnenskamers te houden.
Omdat men toch deze mensen wilde gedenken, die naar ons land kwamen, in
de hoop op bescherming en hier de dood door wanhoop vonden, werd de
gedenkprent op de voorgaande bladzijde met de
vele naamlozen in het tijdschrift geplaatst.
Bron: Netwerk religieuzen voor Vluchtelingen
Alle gegevens uit dit hoofdstuk werden genomen uit het laatste nummer
van het tijdschrift Vier in Een, nu Vonk geheten. Dat nummer, augustus
2003, was verzorgd door dat Netwerk.
terug
GRENSGEVANGENEN
BEZOEKEN
In Amsterdam zijn er twee grensgevangenissen. In
Nederland zijn er in
totaal acht.
Eens in de twee weken gaan enkele Bezoekgroepen de grensgevangenissen
van Amsterdam in om te praten met de vreemdelingen die daar vastzitten,
om hen de gelegenheid te geven hun hart te luchten, om hen moed
in te spreken, hen wat afleiding te bieden en vooral om het samen
een uurtje gezellig te hebben.
Het is donderdag. Vanavond gaan we weer naar het grenshospitium, de
grensgevangenis in de Bijlmer. Het is altijd een spannend gebeuren. Bij
de Spaklerweg van het
metrostation staan al enkele medebezoekers te wachten. Tegen 19.00 uur, we zijn dan met zessen,
melden we ons bij de poort. Bij de ingang levert iedereen
zijn paspoort in, deze wordt gecontroleerd en het nummer genoteerd. We
kunnen onze jassen en spullen opslaan in een kluis en dan moet iedereen
door een detectiepoortje, dat heftig begint te gillen als iemand een
grote gesp aan zijn schoenen heeft of zijn huissleutels nog in zijn
zak. Als we de trap opgaan zijn er al 6 deuren achter ons in het slot
gevallen.
In de bezoekerszaal zetten we koekjes, chocolade, fruit en sap klaar.
De ‘bewoners’ brengen koffie en thee mee van de
afdeling waar ze vandaan komen.
Meestal komen er een 8-tal ’bewoners’, soms meer
soms
minder met een begeleider. In het begin is het altijd aftasten waar
iedereen gaat zitten en welke talen er worden gesproken: Engels,
Frans, Chinees, Russisch, Urdu of één van de vele
talen
die ergens op de wereld gesproken worden.
De laatste keer zat ik naast een jonge man die chinees sprak. We hebben
nogal wat materiaal dat helpt bij de communicatie. Je wilt met elkaar
in contact, dus je probeert van alles. We gebruikten een atlas, een
chinees woordenboek, tekeningetjes en gebaren. Zo kwamen we tot een
“gesprek” over familie, cultuur, gebruiken en
eetgewoontes. Hij probeerde me enkele woorden chinees te leren en
leerde me tellen van 1 tot 10 in het Chinees. We zochten woorden als
broer en zus,
vader en moeder. En met gebaren was er een behoorlijke uitwisseling.
Bij het woord advocaat schudde hij hopeloos het hoofd. We bladerden
nog wat in een boek over Nederlandse cultuur. Hij bewonderde de
prachtige
kerken. We “praatten” over het Chinees Nieuwjaar
met zijn eigen sfeer
en cultuur, met zijn draken en het speciale vuurwerk, wat we ieder
jaar ook in Amsterdam horen en zien.
Om 20.30 uur was het
tijd om te vertrekken en ik zei hem dat ik hem een kaartje wilde
sturen.
Hij knikte en ik kreeg zijn naam en het nummer van zijn cel en ook
dat van een collega.
Intussen wist ik dat hij 22 jaar was en al 4 maanden hier opgesloten
zat.
Toen hij en de anderen vertrokken waren, had ik een
gevoel van
schaamte, dat we deze prachtige mensen opsluiten, die niets misdaan
hebben en evenals wij, mensen zijn met idealen, met gevoel voor het
goede, die er iets van willen maken in het leven, maar nu door onze
politiek in een dergelijke uitzichtloze situatie zijn gebracht. Ze
zitten daar zonder enige zekerheid over hun toekomst. Ze weten niet
of ze in Nederland kunnen blijven, of ze op straat gezet zullen worden,
hoe lang ze nog opgesloten zullen zitten en of ze terug moeten naar
het land van herkomst.
Iedere keer zijn de bezoeken anders: soms hoor je droevige verhalen,
soms zijn de mensen angstig of boos en er is altijd grote onzekerheid
over hun toekomst, wat mensen soms heel depressief maakt.
Na ons bezoek schrijven we een brief naar de geestelijke verzorgers. We
vertellen kort wat we meegemaakt hebben en als het mensen erg slecht
gaat vertellen we hen dit.
We kunnen de situatie niet veranderen door ons bezoek, we kunnen geen
beloftes doen. Ze zullen hoe dan ook nog een lange moeilijke weg te
gaan hebben. Maar mensen hebben meestal een grote innerlijke
levenskracht. En door onze houding van aandacht en weet hebben van de
situatie, denk ik en hoop ik dat dit voor hen een steuntje mag zijn in
deze tijd. En voor mezelf, dat ik op de hoogte blijf, me
bewust blijf, wat er in ons land gebeurt met mensen.
terug
Waken
bij
de Bijlmerbajes
In de tijd voor Pasen wordt er ook op een andere
manier stilgestaan bij
wat er in deze grensgevangenis met mensen gebeurt. Er wordt dan een
teken van solidariteit aan de grensgevangenen gegeven. Daarbij wordt
tevens duidelijk gemaakt, dat er grote vragen zijn
bij het opsluiten van mensen die niets misdaan hebben. Dit wordt
gedaan door middel van wakes bij het grensgevang in de Bijlmerbajes.
Deze wakes worden telkens vanuit de traditie en het gedachtegoed
van een andere geloofsgemeenschap gehouden:
25 februari
Aswoensdag: 14.00 uur Netwerk
Religieuzen voor
Vluchtelingen en Catholic Worker
29 februari 14.00
uur Basis Beweging Nederland
7 maart
15.00
uur Orthodoxe wake
14 maart
14.00 uur Vrijzinnig
Herv. & Remonstranten
28 maart
14.00
uur Doopsgezinde wake
4 april
Palmzondag 14.00
uur Samen op Weg
9 april
Goede Vrijdag
14.00 uur Franciscaanse
Vredeswacht
11 april Pasen 14.00
uur Oecumenisch Vuur
Iedereen is bij elke wake welkom! De wakes duren een
uur. Er wordt 10
minuten van te voren verzameld bij metrostation Spaklerweg.
Voor meer informatie: bel Johanna
Ketelaar 023-5473699
Johanna Ketelaar
terug
Gedenk
dat je vreemdeling was in Egypte
In het Eerste Boek van de Bijbel, het “Oude
Testament”, vinden we heftige discussies tussen
“God”en “mensen”, bijvoorbeeld
over de vraag hoe met vreemdelingen om te gaan.
Alle bijbelteksten zijn door mensen geschreven, die om een of andere
reden meenden dat ze “in de naam van God” iets
moesten duidelijk maken. En ze schreven, omdat ze het niet eens waren
met de
gang van zaken of met heersende meningen.
Als je een bepaald pleidooi vaak tegenkomt, valt daaruit af te leiden
wat er naar het idee van die schrijver mankeert aan de samenleving.
Vaak klinkt de roep om te gedenken, in de zin van herinneren. Een
oproep dus tegen het vergeten. Houd dat in herinnering, blijf het weten.
Die oproep klinkt vaak aan het
adres van God: “Gedenk ons in uw barmhartigheid”;
“Gedenk uw goedheid en zie niet op onze zonden”;
“Gedenk het Verbond dat U sloot met onze vaderen”.
Dat die roep zo vaak werd neergeschreven, kan op twee
dingen duiden. De ene mogelijkheid is, dat de auteur zich de zondigheid
van het volk bewust is en vreest dat het volk de toorn
van God over zich afroept door zijn handelwijze. De andere mogelijkheid
is, dat de auteur zoveel ellende om zich heen ziet, dat hij zich
afvraagt waar de barmhartigheid Gods nog merkbaar wordt.
In ieder geval is de reële situatie vaak het tegenovergestelde
dan waar de tekst om vraagt. Daarom vraagt de tekst het. Om het
vanuit onze situatie begrijpelijk te maken: als er veel oorlog is
of oorlog dreigt, schrijven veel mensen over het belang van vrede.
Als er veel schade wordt gedaan aan het milieu, worden er veel teksten
geschreven over het belang van het milieu.
In de bijbel wordt niet enkel aan God gevraagd om zich Zijn
barmhartigheid te herinneren. Dat wordt ook aan de mensen gevraagd. Dat
gebeurt dan vaak op zo´n manier, dat het lijkt alsof God
spreekt. God zelf smeekt de mens zich toch te herinneren aan het
verleden, om in het heden heil te laten geschieden.
En zo vinden we in het boek Deuteronomium
regelmatig de zin terug “Gedenk dat je slaaf was in
Egypte”. Dat verwachte God van de mensen met wie Hij een
Verbond aanging. Gedenk dat je slaaf was in Egypte.
God vraagt als het ware om twee herinneringen tegelijk: weet dat je
vreemdeling was, weet dat je slaaf was. En wellicht zelfs:
herinner je hoe dat bijna altijd samengaat: vreemdeling zijn en slaaf
zijn.
Dat herinneren heeft in Deuteronomium
een zeer duidelijke betekenis. Herinner
het je, zodat je ervoor zult zorgen dat dat
niet weer gebeurt: niet aan jou, niet aan anderen.
Vrij vertaald: onder jullie, die weten wat slavernij was, mag niemand
slaaf zijn. Onder jullie, die weten wat het
betekende vreemdeling te zijn, mag niemand als vreemdeling worden
behandeld.
Vreemdeling lijkt een term die te maken heeft met paspoorten. Maar
vreemdeling is vooral iemand
die behandeld wordt als er niet bij horend, vreemd; iemand die
buitengesloten wordt. Prinses Maximá werd niet als
vreemdeling binnengehaald, maar als onze (ONZE) prinses. Het woord
vreemdeling verwijst naar uitsluiting. Engelstalige topmensen die bij
Shell, Albert Heijn, Philips worden
binnengehaald, vallen niet onder de term vreemdeling.
Ze vallen ook niet onder de eis die de huidige regering stelt aan
vreemdelingen om te “integreren”. Ze hoeven noch
onze
taal noch onze gewoontes te leren. “Wij”spreken wel
Engels omwille
van hen, en ze zijn binnengehaald om op hun wijze het bedrijf te gaan
leiden. “Hun wijze” is zelfs hetgeen
waarvoor ze een giga-salaris krijgen.
Vreemdeling is iemand die zich moet aanpassen, in het
beste geval. Of die er niet bij hoort, in het slechtere geval.
Daarover zegt Deuteronomium
dan, als een voorwaarde voor het volk waarmee God een verbond aangaat:
“Gedenk dat je slaaf was in Egypte”.
Ze onthielden het dus niet. Ze vergaten het. En e
en volk dat zoiets
vergeet, maakt anderen tot slaaf, tot vreemdeling. In 1946 had de
oproep aan het adres van de Nederlandse regering heel goed
kunnen luiden: “Gedenk wat de oorlog je gedaan
heeft”, toen besloten werd om tegen Indonesië een
oorlog te starten. Of de oproep had kunnen luiden: “Gedenk
hoe de bezetting voelde, hoe blij je was bevrijd te zijn”,
toen Nederland besloot de bevrijdingsstrijd van Indonesië met
geweld te beantwoorden.
Gedenken. Je herinneren. Weet hebben van het leed
en de ellende die jou gebeurde, zodat je dat een ander niet laat
overkomen. Of ook weet hebben van wat je anderen aandeed, opdat je ze
niet nog meer zult aandoen.
Gedenken, herinneren als voorwaarde om vrede en gerechtigheid te laten
wonen. In dit land, onder dit volk, op deze aarde. Blijven
vasthouden
aan geschiedenismomenten die betekenis geven aan ons actuele handelen.
In het rijke Nederland je herinneren …
- dat vijf eeuwen koloniale geschiedenis voor veel
onderontwikkeling
zorgde in het zuiden;
- dat de Gouden Eeuw veel van doen had met onze
slavenhandel;
- dat slavenhandel en koloniale tijd ontwrichting bracht
waar het zuiden nu nog aan lijdt;
- dat in de jaren dertig tot zestig veel Nederlanders
emigreerden om het elders beter te
krijgen (er wonen meer Nederlanders in buitenlanden dan buitenlanders
in Nederland);
- dat veel buitenlanders naar Nederland werden gehaald voor
onze economie;
- dat in de Europese Unie Nederland staat aangegeven als het
land waar de integratie het
slechtste gelukt is, en dat Nederland dan vooral ook naar zichzelf moet
kijken
(want hoe komt dat?);
- dat er jaarlijks 300.000 mensen uit
buitenlanden naar Nederland komen voor goede salarissen, en dat de
politici daar niets over zeggen.
Je herinneren. Gedenken. Alleen dan kan barmhartigheid, recht en vrede
bloeien onder ons.
Jezus voert, volgens het evangelie van Johannes,
dezelfde discussie met andere woorden. Vanaf hoofdstuk 5 raakt hij in
groot conflict met de schriftgeleerden en Farizeeën, de
leiders van het volk. Zij zeggen dat ze zich aan de wet houden, en
Jezus gaat tegen hen in. Soms maakt Hij hen duidelijk dat ze zich
helemaal niet aan de wet houden, maar tegen de wet in handelen. Maar
vooral gaat Hij nogal te keer tegen hen, omdat ze de letter van de wet
stellen boven gerechtigheid. Gerechtigheid en barmhartigheid zijn de
attributen die bij Zijn Vader passen, en waartoe Hij in de wereld werd
gezonden.
Als de vraag speelt om recht te doen en barmhartig te
zijn, is een beroep op de wet om aan de barmhartigheid te ontkomen
een goddeloze handelwijze. Los van God.
En Gedenken komt dan in één vorm terug,
die centraal kwam te staan in alle christelijke gemeenschappen.
In Avondmaal of Eucharistie gedenken we, kijkend naar Verleden om
Hier en Nu de weg te hervinden, om Hier en Nu te weten hoe Toekomst
kan zijn onder ons. We gedenken Met Brood en Wijn, DOET DIT tot Mijn
gedachtenis, we maken tot ons eigen Lijf waartoe Hij door de Vader was
gezonden. Gerechtigheid en barmhartigheid doen, en niet de wet als
uitvlucht nemen om daaraan te ontsnappen; zeker niet degene die een
dergelijke wet zelf kan maken.
José Höhne-Sparborth
terug
Enkele
Portretten
Alian
uit
Kameroen: alleenstaand. Op straat sinds december 2000.
Als lid van een oppositiepartij tussen 1994 en 1997 meermalen
gearresteerd en gemarteld. Ontsnapt en na hernieuwde arrestatie
gevlucht naar Duitsland. Zijn verzoek werd afgewezen, maar hij wist
op tijd naar Nederland te komen, waar hij geen asiel meer kan aanvragen
en op straat leeft.
Feng Hu uit China, 30 jaar. Op straat sinds oktober 1996 samen met
kinderen van 6 en 4 jaar.
In maart 1994 kwam ze naar Nederland, vroeg asiel aan, dat werd
afgewezen. Toen ze probeerde terug te keren, kreeg ze op de ambassade
geen papieren. Pogingen om via buren en de burgemeester in haar dorp in
China aan papieren te komen stokten ook. Na nog twee afwijzingen
bereidde ze zich voor om met haar twee kinderen illegaal in Nederland
te overleven.
Claudia uit Ruanda, 22 jaar. Op straat sinds
augustus 2000.
”Ik ben mijn man achterna gevlucht. Ik had echter nog
geen geldig visum voor Italië en mocht hier geen asiel
aanvragen. Ik moest naar Italië. Ik ben drie keer gevangen
gezet, alsof ik crimineel was. Ik ben Tutsi
en mijn man is Hutu. Hij wordt gezocht in Ruanda voor zijn politieke
activiteiten. Men wil ons beiden vermoorden vanwege ons gemengd etnisch
huwelijk”.
Rojda uit Turks Koerdistan, 6 jaar, samen met
haar moeder (31 jaar) op straat sinds december 1998.
Haar moeder was, net als har vader, haar oom, opa en grootoom actief
voor de
Koerdische culturele organisatie HADEP, die door Turkije werd
verboden. Nadat haar vader werd opgepakt en vervolgens
“verdween” werd haar moeder tussen 1995 en 1998
acht maal gearresteerd en zat van enige dagen tot drie maanden
gevangen. Ze werd geschopt en geslagen.
Irina uit
Azerbeidzjan, 38 jaar, alleenstaand. Op straat sinds mei 2000.
Irina was Armeens
christen met een moslimman en kind van 3 jaar. In 1990
drongen soldaten de flat binnen, mishandelden en verkrachtten haar en
vermoordden haar kind. Zij vluchtten naar het christelijke
Nagora Karabach,
maar daar waren de rollen omgedraaid: haar man werd doodgeschoten in
haar bijzijn en zij werd opnieuw verkracht. Naar Nederland gevlucht
werd haar asielaanvraag echter direct afgedaan in AC Rijsenbergen.
Martha uit Ethiopië, 33 jaar met Albenet,
dochter van 2
jaar. Op straat sinds januari 1999.
Martha’s man was aanhanger van Mengistu.
Toen deze in 1991 werd verdreven door Zenawi
kregen beiden problemen. Haar man werd gedood en zijzelf bijna. Ze werd
gearresteerd en mishandeld, waarbij ze en beenbreuken opliep. Daarna
zette ze zich voluit in voor de hand-Amhaarse
verzetsbeweging AAPO.
Toen dit ontdekt
werd wist ze met hulp van een oom naar Nederland te
komen.
Familie Anno uit
Syrië: man (42), vrouw (35), en
kinderen van 6 en 3 jaar. Op straat sinds mei 2000.
Jean is een Aramees Syrisch-orthodox, maar niet praktiserend. Zijn
vrouw is Assyrisch-katholiek.
In 1997 wordt Jean opgepakt en ervan beschuldigd lid te zijn van de
Assyrische partij. Na drie jaar regelmatig opgepakt en verhoord te zijn
en ook op andere
wijze getreiterd, vluchtten ze in 2000 naar Nederland. Na afwijzing is
een
nieuwe procedure begonnen, die lang kan duren.
(genomen uit Vier in
Een, augustus 2003)
|
Toen
, in 1942,
waren er 123.000 joden in onveiligheid.
24.000 konden
onderduiken in Nederland.
Nu zijn er 26.000 mensen in onveiligheid.
Voor hoe velen zal er ruimte zijn
om onder te duiken?
We zijn met veel meer Nederlanders,
we zijn veel welvarender,
we riskeren niet ons leven.
De onveiligheid is anders,
voor de verschrikking van dit soort leed
bestaat geen schaal van Richter
om het te vergelijken.
Ik was 10 jaar toen ik aan het raam stond
en op het plein de joden zag,
bijeen gedreven om afgevoerd te worden.
Ik kromp in elkaar.
Wat we kunnen vergelijken,
toen en nu,
zijn de mensen die in elkaar krimpen.
(Huub
Oosterhuis op 25.2.2004
herdenking van de Spoorwegstaking 1941
bij de Dokwerker in Amsterdam)
terug
|
|
|