Inhoud:
De vraagstelling van 1 juni:
waarover gaat het niet?
Wat gemaakt wordt van de vraag
de eigenlijke vraag
Informatie over de tekst voor 1 juni
Europa tot nu toe
grondwet voor Europa?
En de Nederlandse grondwet dan?
De veranderingen door deze "grondwet":
democratisering
globalisering
militarisering
veiligheid
Hoe wegen tussen 'ja' en 'nee'?
de gevolgen van ja of nee
uw afwegingen
|
Grondwet, Europa en de
Wereld
Een
handreiking bij
de besluitvorming: ja of nee
Voor degenen die dat prettig vinden, bieden we deze
brochure aan om u
te helpen te beslissen of u op 1 juni ja of nee wilt zeggen tegen de
“grondwet” zoals die nu op tafel ligt.
Eigenlijk is de vraag waarop we “ja” of
“nee” moeten zeggen veel te complex en te moeilijk
voor alleen maar een “nee” of
“ja”. Daarom zetten we hier een aantal zaken op een
rij die u kunnen helpen bij uw afwegingen tot een
“ja” of “nee” of
zelfs de beslissing om niet te stemmen.
Deze gegevens zijn gebaseerd op de tekst van “Verdrag tot
vaststelling van een Grondwet voor Europa”, een boek van 400
pagina’s zoals uitgegeven door Buitenlandse Zaken; op
samenvattingen die de gemeenten hebben rondgestuurd aan de burgers; op
een samenvatting die het Werkverband Religieuzen voor Gerechtigheid en
Vrede gebruikt bij een neutrale voorlichtingscampagne onder religieuzen.
Werkgroep
Maatschappij en Voorzienigheid
Wie zelf wil studeren: Bij de Staatsdrukkerij Den Haag is een boek op
te vragen (€26,-) dat de verschillen naast elkaar zet.
Bij gemeentehuis of benzinestations is verkrijgbaar de hele
tekst in krantformaat.
Of u kunt websites bezoeken :
www.europesegrondwet.nl (ja-site)
www.grondwetnee.nl , waar o.a. Marcel van Dam zich meldt.
De tekst van het “Verdrag tot het vaststellen van de
Grondwet” ligt ter inzage in het Internetcafé
IKV en Kerk en Vrede komen nog met een gezamenlijke “neutrale
brochure” over de Grondwet. Te bestellen: 030-2316666
De
vraagstelling van 1 juni
Waarover
het niet gaat op 1 juni
Er wordt veel beweerd in de discussies naar 1 juni.
Veel dat feitelijk
niet klopt. Een paar argumenten moeten we gewoon schrappen, omdat het
referendum van 1 juni er niets mee te maken heeft.
- Het gaat niet over de vraag of Turkije
bij de EU mag komen. Wie daar tegen is, moet gaan lobbyen in Brussel om
het tegen te houden. Er is al bij verdrag vastgelegd dat Turkije er op
termijn bij kan, onder bepaalde voorwaarden.
- Het gaat niet over de Euro. Ook als
allen tegen zouden stemmen, de Euro blijft, of we die leuk vinden of
niet. Dat wordt niet meer teruggedraaid.
- Er komt geen oorlog als iedereen nee
zou zeggen. De EU is in een bepaalde fase van samenwerking, met een
bepaalde politieke kleur, en voor het eerst kunnen burgers zich laten
horen in dit geheel. Het is ons democratisch recht om ons ook te laten
horen zoals we ons willen laten horen. De mogelijkheid ons te uiten is
op 1 juni beperkt, dat wel: alleen maar “ja” of
“nee”. Maar het recht ons te uiten is
onvervreemdbaar. Als dat tot oorlog zou leiden, zou betekenen dat de EU
een dictatuur is. En dat is ze niet.
- Het gaat niet over het voortbestaan van
de EU. Ook als allen nee zouden zeggen, blijft de EU bestaan. Wie tegen
de EU is, moet emigreren naar een andere plaats op deze aarde. Of het
uithouden. Maar het bestaan van de EU is een gegeven. Dat verandert
niet meer.
terug
Wat
gemaakt wordt
van de vraag op 1 juni
Er wordt in debatten over 1 juni soms gesuggereerd
dat de EU
onbestuurbaar zou worden als teveel mensen “nee”
zeggen. Er wordt gesuggereerd dat voortaan alles in Brussel beslist
gaat worden en Nederland niets meer over zichzelf te zeggen heeft. Er
leeft de angst dat bepaalde liberale verworvenheden in Nederland
verloren gaan in de EU (softdrugsbeleid, homohuwelijk). Er leeft de
angst dat de eigen Nederlandse cultuur gaat verdwijnen. Bij bedrijven
is er afkeer van de enorme berg regels die de EU oplegt.
Dit allemaal blijken voor mensen redenen te zijn om
“ja” of om juist “nee” te
zeggen. Maar op 1 juni gaat het eigenlijk niet over deze soort
tendensen.
Wel is duidelijk, dat veel burgers het Referendum aangrijpen als een
kans om eindelijk eens te kunnen zeggen wat ze vinden van de Europese
Unie. Voor veel burgers wordt 1 juni dus ook een principiële
stem om in te stemmen met deze samenwerking in Europa (zo verhinderen
we oorlogen in Europa; in deze wereld kun je niet meer als klein land
alléén) óf afkeuring te
geven over het bestaan van de EU (te groot, te ver, te log) of over de
richting die de EU gaat ( neo-liberaal, a-sociaal Art. III-209).
Dat is een mogelijkheid. Door de te ingewikkelde vraagstelling krijgt
het Referendum vanzelf ook het karakter van deze principiële
uitspraak: vóór of tegen de EU.
Maar het is niet de feitelijke vraag die aan ons is voorgelegd.
terug
Wat
eigenlijk de
vraag is op 1 juni
Op 1 juni wordt ons gevraagd of we kunnen instemmen
(of niet) met het
“Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor
Europa”.
Waar we dan feitelijk over stemmen, zijn de veranderingen in dit
Verdrag ten opzichte van wat er was tot nu toe. Dus wat gaat er
veranderen na het Verdrag van Nice (2001) en bent u het moet die
veranderingen eens? Vindt u dat goede veranderingen?
Die vraag is te moeilijk voor een “ja” of een
“nee”, omdat:
1. u dan die 400
pagina’s van het Verdrag zou moeten lezen;
2. u zou moeten weten wat dan de
veranderingen zijn, dus ook moeten lezen wat er eerst was;
3. de kans groot is, dat u sommige
veranderingen goed vindt en andere niet.
Daarom ook is een advies voor “ja” of
“nee” niet mogelijk. Wat we kunnen doen is, u een
beetje zicht geven op die veranderingen. Dat nu wil deze handreiking
doen.
terug
Informatief
over de tekst voor 1 juni
Europa
tot nu toe
Tot 1989 was de voorloper van de Europese Unie nog
een Europese
Economische Gemeenschap die zich vooral op economische samenwerking
richtte. Met het verdwijnen van het IJzeren Gordijn veranderde dat. De
Europese Unie kreeg ook politieke aspiraties. Er kwam een toenemende
politieke samenwerking, met beslissingen die regeringsleiders voortaan
“in Brussel” legden. Dat gebeurde bij verschillende
verdragen. Zo was er het verdrag van Schengen (1990) dat de migratie
reguleert, het Verdrag van Maastricht (1992) over Buitenlands Beleid,
het Verdrag van Amsterdam (1998) over Defensie en uitbreiding van de EU
met 10 voornamelijk Oost-Europese landen.
Tot nu worden beslissingen voorbereid in de Europese Commissie. Die is
dan ook in grote mate beleidsbepalend. Deze Commissie vergadert achter
gesloten deuren. Alleen twee lobby-organen van grote multinationale
industrieën hebben er toegang. Elk land had
één commissaris in deze Commissie. (nu voor
“ons” Neeltje Smit-Kroes).
De Raad van Ministers besluit vervolgens tot dat beleid, of amendeert
er nog op. Ook de Raad van Ministers vergadert achter gesloten deuren.
Het Europees Parlement heeft weinig te zeggen over het beleid. Het kan
achteraf proberen iets te corrigeren. Het kan (enkel bij 2/3
meerderheid) de Commissie naar huis sturen. Ook heeft het Europees
Parlement slechts over een deel van de begroting zeggingsmacht. Het
hele landbouwbeleid (helft van de begroting) valt buiten de bevoegdheid
van het Europees Parlement.
De burgers mogen sinds 1979 het Europees parlement kiezen. Verder niets.
terug
Grondwet
voor
Europa?
De ontwikkelingen zijn sinds 1990 betrekkelijk snel
gegaan een leidden
tot een opeenstapeling van verdragen waarbij de Europese burger het
spoor al snel kwijt raakte. Bovendien is op 1 mei 2004 het aantal
lidstaten van de Europese Unie in één klap van 15
naar 25 gestegen. Dat betekent dat de omvang van die drie
beleidsorganen enorm is toegenomen. Dat vraagt om andere afspraken.
De Europese “grondwet” is vooral bedoeld om al die
nieuwe afspraken inzichtelijker bij elkaar te zetten.
Tevens wil men de structuur van beleid en besluitvorming inzichtelijker
maken en democratischer.
Maar tegelijkertijd worden ook een paar nieuwe afspraken aan het geheel
toegevoegd.
Het gedeelte dat gaat over die inzichtelijker en democratischer
structuur, dat zou je een soort grondwet kunnen noemen: de basis van de
staatsinrichting.
Het gedeelte dat de verdragen uit de jaren negentig overzichtelijk bij
elkaar zet en er meteen nog nieuwe afspraken aan toevoegt, lijkt echter
meer op een programma van een politieke partij. Dat gaat namelijk over
politieke afspraken.
Bij ons “ja” of “nee” zeggen we
dus niet enkel “ja” of
“nee” tegen een soort grondwet (bestuursstructuur),
maar ook tegen een bepaald partijprogramma. En er is er maar
één. Dat nu maakt de beslissing zo moeilijk.
terug
En de
Nederlandse
grondwet dan?/span>
De Nederlandse grondwet blijft gewoon bestaan.
Datgene wat bij Europese wet wordt geregeld, heeft wel rechtskracht
bóven nationale wetgeving.
Er wordt alleen bij Europese wet geregeld, wat de regeringen samen
willen regelen. Er is niet “een Brussel” dat buiten
de nationale regeringen om bepaalt wat voortaan via Brussel gaat.
Alle staten zijn gehouden aan bepaalde waarden, aan de Conventie van de
rechten van de mens van Geneve, en aan het Verdrag van Geneve inzake
oorlogsrecht (de VN moet instemmen met militaire interventies).
Bij Europese wet worden zaken geregeld die te maken hebben met de
economie, het bedrijfsleven, de export, kwaliteit van producten, de
gezamenlijke veiligheid, samenwerking van de politie, een gezamenlijk
Europees militair apparaat, gezamenlijk Buitenlands Beleid, algemene
bescherming van burgerrechten.
Een land dat aan een bepaalde afspraak niet wil meedoen, kan een eigen
regeling laten vastleggen.
Het familierecht blijft geheel nationale wetgeving.
terug
De
veranderingen
door deze “grondwet”
In dit “Verdrag tot vaststelling van de
Grondwet voor
Europa” staan een aantal nieuwe afspraken, die er tot nu toe
nog niet waren. We gaan kort in op de belangrijkste veranderingen:
Democratisering
van de EU
De “Grondwet” voorziet op een aantal punten in
democratisering van de structuur voor besluitvorming.
De notulen van de vergaderingen van de Raad van Ministers
zijn voortaan openbaar, zodat de nationale parlementen kunnen
controleren wat hun minister voor positie innam. Ook hoeft er geen
consensus te zijn, en kan een land dat het er niet mee eens is een
eigen regeling krijgen.
Het Europees Parlement krijgt een grote controle op
beleidsbeslissingen, het krijgt het recht van veto. Tevens krijgt het
Parlement zeggenschap over nagenoeg de hele begroting.
Allerlei burgerorganisaties krijgen de mogelijkheid om het Europese
beleid te beïnvloeden. De Europese kerken hebben al aangegeven
daar ook gebruik van te gaan maken.
Burgers kunnen met een handtekeningenactie een referendum afdwingen of
een bepaalde zaak dwingend op de agenda zetten.
terug
Globalisering
De EU begon als een economische samenwerking. Dat is
aan alles nog te
merken. In de grondwet en bij het dagelijks beleid spelen de
economische zaken een grote rol. Het eerste en grootste hoofdstuk gaat
over de markt en het monetair beleid.
Alleen de Sowiet-Unie had in haar grondwet vastgelegd welk soort
economie er gevoerd zou worden: een socialistische. Nu legt de Europese
“Grondwet” vast dat er een “sociale
markteconomie”zal zijn “met een groot
concurrentievermogen”.
De EU is duidelijk neo-liberaal. Dat wil zeggen, erop gericht haar
positie op de wereldmarkt te verbeteren tegenover Japan, VS, China en
natuurlijk tegenover het zuiden. In diverse artikelen is dat terug te
vinden.
Maar dat is de EU sinds haar ontstaan, dat is het begin en de basis van
haar bestaan. Daaraan verandert niets.
Een klacht uit het Zuiden is, dat Europese boeren zwaar gesubsidieerd
worden en de EU dus geen eerlijke kans geeft aan de landbouwproducten
uit het zuiden ( tropische producten uit kassen in de EU zijn goedkoper
dan geïmporteerd uit het zuiden). De invoerrechten zijn duur
voor producten uit het Zuiden. De Europese overschotten worden extra
goedkoop in het Zuiden afgezet, waardoor de zuidelijke boeren ook op de
eigen markten geen eerlijke kans hebben.
Maar, zoals gezegd, dat was al zo en daaraan wordt
niets veranderd.
terug
Militarisering
Bij het militair beleid zijn een aantal echt nieuwe zaken, en
lopen zaken anders dan bij andere beleidspunten.
Het andere:
Het Europees Parlement krijgt geen enkele bevoegdheid op het punt van
Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid. De vergaderingen
van de Raad van Ministers over dit onderwerp blijven ook geheim.
Er komt een aparte Europese Minister van Buitenlandse Zaken met
tamelijk grote, maar nauwelijks te controleren bevoegdheden.
Alle landen worden verplicht om hun defensieuitgaven te verbeteren. Het
is het enige beleidsterrein waarop landen verplicht worden tot
verbetering.
Het nieuwe:
Er wordt gestreefd naar een gezamenlijk Europese Defensiemacht, maar
met respect voor de landen die verplichtingen in de NAVO willen
handhaven.
Er komt een Europees Defensieagentschap dat de
verbetering van de
defensie van de landen bewaakt en evalueert.
Er komt een “kopgroep” van
landen die per verdrag
intensiever samenwerken aan de uitbouw van een Europees leger, en
daarin niet door andere landen kunnen worden afgeremd.
Het afgewezene:
Sinds 1999 beschikt de EU in haar buitenlands beleid over een militaire
en een niet-militaire poot. De artikelen spreken over “een
operationeel vermogen dat op civiele en militaire middelen
steunt”, maar als het gaat om maatregelen wordt alleen over
de militaire middelen gesproken.
terug
Veiligheid
Aan de militaire paragraaf werd op het laatste moment ook nog een
solidariteitsclausule toegevoegd waarin staat dat lidstaten elkaar
moeten bijstaan in geval van terrorisme.
Een dergelijke toevoeging is ook het hoofdstuk `Ruimte van Vrijheid,
Veiligheid en Recht`, waarin de samenwerking op gebied van politie,
justitie en veiligheidsdiensten wordt geregeld. Ook op dit terrein zijn
veel veranderingen doorgevoerd.
Onder deze hoofdstukken wordt behandeld het wegvallen van de
binnengrenzen (vrij verkeer van goederen en personen) en het beveiligen
van de buitengrenzen.
Bij het spreken over de bescherming van de buitengrenzen vallen dan
migranten, illegalen, terroristen, criminelen en vluchtelingen onder
eenzelfde paragraaf. (Art III/265 en 266)
Bij dit onderdeel wordt aangegeven dat er gestreefd
zal worden naar een
gezamenlijk asielbeleid. (dat wordt niet nagestreefd voor arbeidsrecht,
sociale zekerheid, gezondheid, onderwijs). Dat gezamenlijke asielbeleid
zal gericht zijn op `partnerschap en samenwerking met derde landen om
de stromen van asielzoekers … te beheersen. `
Het Fort Europa zoals na de val van de Muur geconstrueerd, o.a. door
het verdrag van Schengen, wordt door de nieuwe bevoegdheden versterkt.
Er is in deze paragraaf ook duidelijk opgenomen dat mensenhandel en
vrouwenhandel verboden is.
De democratisering in de praktijk
De democratisering voor de burgers betekent inde praktijk altijd hard
werken. De grote bedrijven hebben goed betaalde mensen voor dagelijkse
lobby. Andere organisaties moeten het doen met vrijwilligers, of af en
toe eens naar Brussel reizen.
Handtekeningenacties (1 miljoen nodig om invloed te hebben) kosten veel
geld en tijd. Maar via internet kan het lukken.
Wie vanwege de democratisering “ja” zegt, verplicht
zich ook mee te werken of door steun die burgeracties mogelijk te
maken.
terug
Hoe
wegen tussen “ja”en “nee”
a name="gevolg">De
gevolgen van
“ja” of “nee”
De regeringen hebben al “ja”
gezegd tegen de
grondwet, in oktober. Nu moeten de parlementen dat bevestigen. In zes
landen, waaronder Nederland, willen de parlementen eerst weten wat het
volk zegt. Daar is dus een referendum. In de andere landen gaan de
parlementen “ja” zeggen.
Het Nederlands Parlement zou “nee” kunnen zeggen.
Dan heeft de regering een probleem. Als op 1 juni de bevolking
“nee” zegt, kan het parlement nog
”ja” zeggen. Het referendum is namelijk niet
verplichtend. D´66 heeft zich bij voorbaat verbonden aan de
uitslag van het referendum.
Als een land (het parlement) “nee” zegt,
moet er onderhandeld worden. Dat onderhandelen kan twee dingen
betekenen:
- Opnieuw praten over deze “grondwet”, op
onderdelen de tekst veranderen naar de wens van dat land.
- Met dat land een apart verdrag sluiten over de punten waardoor dat
land nee zegt.
Als Frankrijk “nee” zegt, is er een kleine kans dat
men opnieuw over de grondwet moet praten.
Als Nederland “nee” zegt, is er een grote kans dat
men iets gaat regelen in een apart verdrag.
Als enkele landen “nee” zeggen,
dan moet er opnieuw
onderhandeld worden over dit “Verdrag tot het vaststellen van
de Grondwet voor Europa”. De veranderingen kunnen beter
worden, of slechter. Als men snel verandert, worden de veranderingen
meer naar “rechts”. Als er men enkele jaren nodig
heeft voor de veranderingen, kunnen regeringen in een aantal landen
“linkser” geworden zijn en komen er veranderingen
“naar links”.
Er lijkt weinig kans dat enkele landen “nee”
zeggen.
Als de Nederlandse burgers met een grote meerderheid
“ja” zeggen (70-90%), dan is de regering blij, dan
zal de Nederlandse regering en de Raad van Brussel ook niet veel zin
hebben te luisteren naar organisaties die veranderingen willen
afdwingen (”Men was toch erg tevreden”?).
Als Nederlanders met een grote meerderheid “nee”
zeggen (70-90%), dan zal het voor het parlement moeilijk zijn om ja te
zeggen. Ze kunnen het echter wel, en er is kans dat ze dat toch doen.
Maar dan moeten ze er goede argumenten voor bedenken.
Als “ja” en “nee” ongeveer
gelijk verdeeld ligt (40-60%), dan zal het parlement
“ja” zeggen, regering blij. Maar dan weet men dat
er veel onvrede onder de burgers is over Europa en dan moet de regering
en Brussel in toekomst goed luisteren naar de burger.
Wegblijvers worden geïnterpreteerd als
onverschillig, `Brussel
te ver van mijn bed`, `het is me te ingewikkeld`, `ik weet het niet`.
terug
>Uw
afwegingen
Als u een van die kwalificaties voor wegblijvers
echt op u van
toepassing vindt, kunt u besluiten om niet te gaan stemmen.
Als u de feitelijke vraagstelling voor 1 juni ( de veranderingen, dus
de kant die Europa op gaat) te moeilijk vindt, kunt u besluiten uw
“nee” of “ja” te laten bepalen
door de vraag of u het goed vindt dat de Europese Unie bestaat. Dus dan
zegt u dáártegen “ja” of
“nee”. U kunt dat doen bijvoorbeeld vanuit de
motivaties die geschetst zijn onder het kopje “wat gemaakt
wordt van de vraag op 1 juni”.
Als u wilt proberen met uw “ja” of
“nee” echt in te gaan op de vraag waar het bij het
referendum eigenlijk om gaat, dan moet u bij uzelf een paar afwegingen
maken met name over de punten van verandering zoals boven aangegeven.
We helpen nog even.
Als u de democratisering van de EU een heel belangrijk punt vindt, dan
kan dat een reden zijn om “ja” te zeggen, ook al
vindt u sommige andere zaken niet ze ge weldig.
Als u erg tegen militarisering van de EU bent, en veel meer inspanning
zou wensen voor vreedzaam regelen van conflicten, dan kan dat een reden
zijn om “nee” te zeggen, ook al vindt u sommige
andere zaken toch wel goed.
Als u het onprettig vindt dat de EU nadelig uitwerkt
voor de boeren in
de zuidelijke continenten, dan kunt u daarom “nee”
zeggen, maar u moet weten dat dat niet een verandering is die nu
optreedt. Op dat punt verandert er niets. U kunt het zo belangrijk
vinden, dat u hierom “nee” zegt, een algemene stem
dus dat de richting van de EU u niet bevalt.
Indien u sterk gelooft in de democratischer vormgeving, kunt u
“ja” zeggen, omdat het Europees Parlement
kán besluiten om de EU minder neo-liberaal te maken.
Bijvoorbeeld via de begroting.
Als u sterk tegen het harde vluchtelingenbeleid bent, kan dat een reden
zijn om “nee” te zeggen, ook al vindt u sommige
zaken wel goed.
Als u vindt dat Europa en Nederland veel veiliger moeten worden, kunt u
blij zijn met de sterkere defensie en de stevige afsluiting van de
buitengrenzen. Dat kan een reden zijn om “nee” te
zeggen.
Als vrouwenhandel uw hoofdthema is, kan dat een reden zijn om
“ja” te zeggen.
|
|