|
Zusters
van "De
Voorzienigheid",
geloften
|
| INHOUD | Journaal | Bestuur & Organisatie | Spiritualiteit | Geschiedenis | Activiteiten | Publicaties | Geloofsbrief |
|
|
Omkijken
naar morgen Inleiding
DEEL 1: EIGEN MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELING De congregatie ontstond midden 19de eeuw in een tijd dat er veel congregaties ontstonden. Het was een tijd van maatschappelijke en kerkelijke ontwikkelingen. Veel grote veranderingen, die ertoe leidden dat we nu leven zoals we leven, begonnen in de 19de eeuw. Het was een tijd van grote technische vooruitgang, bijvoorbeeld op het gebied van vervoer en communicatie. De trein en de telegraaf stammen uit de 19de eeuw. In het jaar van ontstaan van de congregatie, 1852, werd in Nederland het gebruik van postzegels ingevoerd. De gloeilamp werd in die tijd uitgevonden. Door de uitvinding van machines werd het werk op een andere manier georganiseerd, er ontstonden fabrieken. Met behulp van stoommachines werd, ook in 1852, het Haarlemmermeer drooggemalen. In Amerika maakte Levi Strauss in 1852 een broek van zeildoek voor goudzoekers: dat was het begin van de spijkerbroek. Met de toen net ontwikkelde naaimachines konden deze op grote schaal worden geproduceerd. De samenleving veranderde: steeds meer mensen woonden in steden en verdienden hun inkomen in de industrie. Voor enkelen betekende dat grote rijkdom, maar voor veel arbeidersgezinnen betekende dat bittere armoede in veel te kleine, vochtige en tochtige huizen. Veel ziekte, te weinig geld en hoge kindersterfte. Veel vrouwen stierven bij de geboorte van een kind. In de loop van de 19de en 20ste eeuw kwam daar geleidelijk verbetering in. De medische wetenschap maakte vorderingen: na felle discussies werd de koepokinenting ingevoerd, waardoor de pokken werden uitgebannen. De cholera verdween uit de steden zodra er waterleiding was aangelegd; de kindersterfte nam in de loop van de eeuw enorm af door de verbetering van hygiëne. Door de uitvinding van het gipsverband in 1851 leidden arm- en beenbreuken niet meer automatisch tot invaliditeit. Steeds meer mensen kregen onderwijs en konden de publieke debatten volgen. Allerlei mensenrechtenbewegingen ontstonden in deze tijd: de vrouwenbeweging, de antislavernijbeweging, de arbeidersbeweging, en in Nederland: de katholieke emancipatie. terug De 19de eeuwse congregaties speelden in dit proces van veranderingen een eigen rol. Ze creëerden een ruimte die er voor die tijd niet was voor achtergestelde groepen (kinderen, ouderen) en voor vrouwen. Ze droegen bij aan het proces van gelijkstelling van katholieken in de samenleving; ze waren het maatschappelijke en vrouwelijk gezicht van de kerk. Daarbij bouwden ze voort op een bestaande traditie van religieus leven. Maar er waren ook verschillen met de kloosters in de voorgaande eeuwen. Al ver voor de 19de eeuw bestond er in West Europa een traditie van zorg door kloosterlingen. Armen, zieken, verlaten kinderen, ouderen, zwervers werden in of bij kloosters opgevangen. In Nederland waren kloosters echter eeuwenlang verboden. Officieel was Nederland, sinds het een zelfstandige Republiek was, een protestantse natie. Andere godsdiensten, waaronder de katholieke, werden gedoogd; het was de tijd van de schuilkerken. Toen midden 19de eeuw de katholieke kerk weer officieel mocht bestaan en er weer katholieke organisaties mochten worden gevormd, ontstonden veel congregaties en ze werden snel groter. Ze waren een nieuwe vorm van religieus leven. Lenigen van nood was het uitdrukkelijk doel van deze congregaties. De vroomheid leek allereerst op de vroomheid van de omringende samenleving. Communautaire gebedsvormen werden maar in beperkte mate ontleend aan oude kloostertradities. terug De aandacht voor onderwijs en opvoeding, ook voor de volksklasse, kwam op in de 19e eeuw. Denkbeelden uit de Verlichting speelden daarin een rol. Scholing werd van belang geacht om goede burgers te worden. Het accent lag daarbij op (zedelijke) deugd en godsdienstige vorming. Men was van mening dat opvoeding een oplossing kon bieden aan sociale problemen. Moeders kregen een sociaal stabiliserende rol toebedacht. Organisaties als de protestantse Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen zetten zich hiervoor in. Bij de congregaties zien we diezelfde elementen: door opvoeding en onderwijs konden kinderen een positie verwerven in de samenleving, in overeenstemming met hun stand. De 19de eeuw was immers nog volop een standenmaatschappij. Voor meisjes waren de mogelijkheden beperkt: ze werden dienstbode, of ze trouwden en werden moeder. Er waren ook vrouwen die in de fabrieken werken: dit werd echter niet wenselijk geacht. Meisjes leerden daarom vooral hoe een goede huisvrouw en moeder (en op die manier een goed burger) te worden. Door deze scholing werden nieuwe inzichten, bijvoorbeeld over hygiëne, maar ook over goed burgerschap, tamelijk snel verspreid. De opvang van kwetsbare mensen door congregaties, die in Nederland in het midden van de 19de eeuw kleinschalig begon, groeide snel. Daaruit kun je afleiden dat het in een behoefte voorzag, zoals we dat tegenwoordig zeggen. Deze snelle groei had verandering van de vorm der liefdewerken tot gevolg: in de 20ste eeuw zijn er grote, geprofessionaliseerde instellingen voor onderwijs en medische zorg ontstaan. Onderwijs en gezondheidszorg werden daardoor voor grote groepen mensen toegankelijk. Het vroeg om grote gebouwen. Het zijn vrouwen die deze grote instituten leiden: ziekenhuizen, scholen, kindertehuizen. De kloosters zelf groeiden ook. Door het Rijke Roomsche Leven waren er veel roepingen vooral onder meisjes. In het tweede deel van de twintigste eeuw worden deze ziekenhuizen, verpleeghuizen, scholen en instanties, door religieuzen gesticht, overgenomen door de overheid. Dat was een kleine tien jaar vóór de tweede feministische golf. Daardoor werden zusters voornamelijk door mannen vervangen. Merkwaardig genoeg is de rol van religieuzen bij het ontstaan en bij de vormgeving van deze instituties weinig opgemerkt. Religieuzen waren deel van de samenleving en ze vormden mee de samenleving. Ze trokken een spoor door de Nederlandse geschiedenis. Zonder zusters en broeders had onze maatschappij er anders uit gezien. terug Congregaties groeien en ontwikkelen zich in de tijd van de katholieke emancipatie in Nederland; ze zijn deel van deze emancipatie. De katholieken in Nederland waren lang achtergesteld. In 1795 hadden de Fransen in de Bataafse Republiek de vrijheid van godsdienst gebracht. Maar pas na de wijziging van de grondwet in 1848 werd de volledige vrije ontplooiing van het katholieke leven mogelijk. In 1853 werd de bisschoppelijke hiërarchie hersteld. Nederland was weer een zelfstandige kerkprovincie. Katholieken mochten zich weer organiseren en manifesteren: ze bouwden grote imposante kerken en zetten onderwijs, armen- en ziekenzorg en sociale organisaties op. De katholieke kerk veranderde in deze tijd sterk. Tussen 1850 en 1900 ontwikkelde de kerk zich van een tamelijk los verband van federale kerken, voorgezeten door de paus, tot een strak geleide organisatie. De Kerkelijke Staat was nameijk tot het huidige Vaticaanstad teruggesnoeid en koningen verloren hun despotische macht. De Paus weerde zich en bewerkte in 1871 de Verklaring van Onfeilbaarheid. De macht van bisschoppen werd aan banden gelegd en er ontstond een verticaal bestuurssysteem. Net als de staten ontwikkelde de kerk een soort eigen nationale leer. De persoon van de paus werd object van devotie. De strakkere organisatievorm vond haar beslag uiteindelijk in het kerkelijk wetboek van 1917. Het neothomisme werd ingevoerd in de theologie, er kwam uniformering in de liturgie en kerkzang en de volkse vroomheid werd aangemoedigd. Verering van lokale heiligen werd ontmoedigd en in plaats daarvan kwamen de Sacramentsdevotie, de heilig Hartdevotie en vooral de Mariacultus. Deze verandering vond overal in Europa plaats en was een reactie op de veranderende samenleving. De feodale samenleving van de Middeleeuwen, waarin adel en kerk de dienst hadden uitgemaakt was steeds meer een burgerlijke samenleving geworden, die geordend was naar standen. Met de Franse en Amerikaanse Revolutie, eind 18de eeuw, begonnen de ideeën van vrijheid en gelijkheid ingang te vinden. In Nederland gingen deze veranderingen voor katholieken gelijk op met het vinden van een godsdienstige identiteit en een sociale positie na eeuwenlange achterstelling. De protestanten werkten voor hun democratie, de koning als symbool zonder macht. De katholieken ontleenden hun identiteit aan de paus die juist toen de macht centraliseerde en strakker aantrok. De congregatie van Arme Zusters van het Goddelijke Kind, de zusters van “De Voorzienigheid”, ontstond in dit krachtenveld. terug In het streven naar vrijheid en gelijkheid ontstonden verschillende bewegingen, zoals de arbeidersbeweging en de antislavernijbeweging. Ook de emancipatie van katholieken kan in dit verband worden gezien, evenals de feministische beweging. Vrouwelijke religieuzen worden zelden genoemd als draagsters van de vrouwenemancipatie, zeker niet als het over de eerste feministische golf gaat, rond 1900. Zusters stonden niet op de barricades, ze schreven geen boeken of pamfletten, hielden geen toespraken, ze streden niet voor kiesrecht. In dat opzicht waren ze geen deel van de vrouwenbeweging. Maar in een ander opzicht droegen ze wel bij aan een andere positie voor vrouwen in de samenleving. De 19de eeuwse congregaties creëerden een ruimte voor vrouwen die er voor die tijd niet was. In een tijd dat een vrouw huisvrouw, moeder of dienstbode was, waren er in de kloosters vrouwen die een beroep hadden of die studeerden. In een relatieve zelfstandigheid konden vrouwelijke religieuzen maatschappelijk actief zijn. Ze bouwden hele instituten op en leidden die. En het waren de congregaties die meisjes méér vorming meegaven dan enkel voor het dienstwerk. Zorgen voor armen, kinderen, ouderen leek vanzelfsprekend. Maar zusters zorgden voor kinderen (en ouderen) die feitelijk totale vreemden waren. Ze zorgden voor kinderen die niet van haarzelf waren en die ook geen familie waren. Dat is niet vanzelfsprekend. Veel mensen, vooral vrouwen, hebben in familie en buurt gezorgd. Maar al dat zorgen is niet vanzelfsprekend in een anonieme samenleving, zoals in de moderne grote steden. Zorgen is wel noodzakelijk: de menselijkheid van een samenleving is in het geding als er niet meer - of niet voldoende - gezorgd wordt. Het niet-zorgen brengt veel vereenzaming. Het niet-zorgen brengt op een nieuwe wijze een standenmaatschappij (tweedeling). Het niet-zorgen maakt ook dat er geen sociale controle meer is. Dat geeft ruim baan aan vandalisme en geweld. Het is tijd voor herwaardering van zorgarbeid in de kleine leefwereld. De fundamentele inbreng van vrouwen, de fundamentele inbreng van religieuzen in de lange tijd dat onze congregatie bestaat, komt achteraf duidelijker in beeld. terug De idealen van democratie en gelijkheid werden gemeengoed; de tijd van rangen en standen was voorbij. In werk en gezin verving de onderhandelingscultuur de oude hiërarchische bevelsstructuur. De bittere armoede uit de 19de eeuw kwam in Nederland nauwelijks nog voor. Scholing en gezondheidszorg waren voor vrijwel de hele samenleving toegankelijk geworden. Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde zich de verzorgingsstaat met redelijke salarissen voor zorgende beroepen. De overheid had de zorg voor kwetsbare mensen, voor de gezondheidszorg en voor de scholen overgenomen. De leefomstandigheden waren verbeterd en er was een heel stelsel aan sociale rechten ontwikkeld. In die fase besloten veel congregaties om hun ziekenhuizen en scholen over te dragen aan “de staat”, “aan leken” om handen vrij te krijgen voor noodzakelijker liefdewerken. Het is jammer dat die overdracht nét te vroeg plaatsvond, toen er enkel lekenmannen klaarstonden om directeur te worden. Nieuwe liefdewerken kwamen niet meer grootschalig van de grond in West-Europa, omdat de roepingen plotseling en snel terugliepen. De positie van de kerk was enorm veranderd. Van katholieke achterstelling was geen sprake meer. Aan de kerk werd, net als aan andere gezagsinstanties, veel minder autoriteit toegekend en betekenis gehecht dan in de voorgaande eeuw. Geloof werd steeds meer gezien als een private aangelegenheid. Daarnaast bracht ín de katholieke kerk het Tweede Vaticaans Concilie een omslag teweeg. Ook het religieuze leven kende grote veranderingen. De vernieuwing kwam tot uiting in kleding, gewoontes, gebruiken, omgangsvormen, spiritualiteit. “Menselijkheid” was daarbij een sleutelwoord. Bovendien werden vanaf 1970 grote liefdewerken overgedragen en bleef tegelijk aanwas uit. De gezamenlijkheid van religieuzen lag niet meer in de werken maar in de religieuze gezindheid. In de nieuwe opvatting richtten religieuzen zich op solidariteit met de allerarmsten en meest ontrechten – de hele wereld werd daarmee hun werkterrein. Deze doelstelling is echter tamelijk diffuus. Het gevaar bestaat dat in de zorg om “de armen” mensen enkel nog worden gezien als slachtoffer dat geholpen moet worden. De medemenselijkheid kan gemakkelijk uit het zicht raken. De keuze voor “de arme” kan een neerbuigend karakter krijgen. De afstand tot “projecten die men steunt” kan terugvoeren naar de houding van “kasteelvrouwen die afdalen om armen te voeden”. We delen voortaan niet meer ons leven met verlaten kinderen, met groepen voor wie niemand anders het opneemt. We installeren geen lotsverbondenheid meer. Dat vraagt scherpe zelfreflectie om op onze gezamenlijke levensavond niet weg te raken van die oorspronkelijke spiritualiteit. terug In de loop van de hele geschiedenis heeft het religieuze leven diverse gestalten gekend. Zoals een katholiek uit 1200 zich verdwaald zou voelen in onze huidige katholieke kerk, zo zou een religieus uit 1200 zich ontheemd voelen bij ons. Religieus leven is zoveel als christelijk leven intensief praktiseren; de praktijk is daarbij richtinggevend. De praktijk eiste altijd weer herbezinning, veranderende maatschappelijke situaties hebben telkens andere vormen van religieus leven opgeroepen. Een oude vorm die zeer bekend is, is het woestijnleven dat al door de Essenen werd gepraktiseerd. Johannes de Doper behoorde ertoe. In Irak, waar de Assyrische kerken teruggaan tot 70 na Christus, zijn kloosters te vinden uit de tweede eeuw, hoog in de bergen. Vooral mannen, maar ook vrouwen trokken de woestijn in, ver van het woelige stadsleven dat bepaald werd door internationale handel en oorlogen of opstanden tegen Romeinse en andere overheersingen. Het woestijnleven was tegelijk ascese en avontuur. Op het hoogtepunt bestonden er woestijngroepen van 1000 leden, echt eenzaam was het dus niet. Kartuizers gaan nog terug op deze geschiedenis. Minder bekend zijn de groepen vrouwen vanaf de 4de eeuw, die binnen het Romeinse Rijk zich op religieuze gronden groepeerden als maagden, een christelijke variant van de Vestaalse maagden, en bijna zeker tevens met het doel zich te onttrekken aan een huwelijk waarin de vrouw aan de man was onderworpen. In de Middeleeuwen hadden kloosters het karakter van een adellijke burcht met haar landerijen. Zoals nu kapitaal de basis van de georganiseerde samenleving is (Vrije Markt), zo was dat in de Middeleeuwen de grond. Wie geen grond had, was lijfeigene bij een burcht en bewerkte voor een Heer diens landerijen; meestal had een lijfeigene een klein lapje tuin waar hij twee dagen per week zijn eigen voedsel mocht verbouwen. Een lijfeigene die helemaal voor de Heer werkte en door hem ook gevoed werd, was eigenlijk slaaf. Een tussenvorm waren pachters, die betaalden voor een lap grond door een (flink) deel van hun oogst af te staan aan de Heer. terug Kloosters hadden grote landerijen, de kloosterlingen waren doorgaans ook adellijken, die echter hun grond gezamenlijk beheerden ten behoeve van de armen: voedsel verbouwen voor het hongerende volk. Tegelijk waren die kloosters de eerste plaatsen van theologische studie en alfabetisering. Per klooster kon het accent wat meer op de ene of de ander taak liggen. Ook waren er varianten, waardoor binnen een kloostergemeenschap verschil kon groeien tussen de studiemensen (adellijken) en de werkmensen (horigen). De moniale kloostervormen, zoals de Benedictijnse, vinden hun oorsprong in deze geschiedenis. In dit verband is interessant te weten, dat de strijd om het verplichte celibaat voor priesters eeuwenlang woedde en samenhing met deze feodale maatschappijstructuur (feodaal: macht en rijkdom zijn door grondeigendom bepaald en landheren zijn de baas). Van de 8ste tot de 14de eeuw werd West Europa geteisterd door politieke instabiliteit (veel oorlogen), door honger en ernstige epidemieën. De kloosters waren de enige instellingen die zich het lot van de arme bevolking aantrokken. Aanvankelijk deed ook “de Kerk”dat. Paus Gregorius IV bepleitte het verplichte celibaat voor de hogere geestelijkheid (lees: adellijke priesters), zodat hun grond aan de Kerk toeviel na hun dood en de Kerk daarmee landerijen had voor voedselproductie. De lagere geestelijken (horigen die liturgische bevoegdheden hadden) mochten gewoon huwen. Het bleek vervolgens, dat vaak horige priesters huwden met een vrije vrouw, waardoor de kinderen via de moeder land erfden. Rome bepaalde dan, dat men kinderen van horige priesters diende te beschouwen als slaven van de Kerk ook als hun moeder een vrije vrouw was. Dit, opdat de landerijen aan de Kerk toevallen, nog steeds ten behoeve van voedselproductie. terug In de Twaalfde eeuw zijn geweldige misstanden ontstaan. De Kerk is rijk en machtig geworden, bisschoppen zijn rijke en vaak despotische burchtheren; om de bisschopszetel van Rome vechten de machtigste families van Italië. Dat ambt wordt gekocht, er wordt omgekocht en er wordt gemoord om dit soort positie. In Duitsland is op sommige plekken nog de woonplaats van zulke kasteelbisschoppen te zien, zoals bij Würzburg. “De prinsen van de Kerk” als titel voor kardinalen stamt uit deze periode. Tegen die verloedering groeiden verschillende reacties: - groepen die de armoede preekten. Sommige werden als ketters afgedaan, vervolgd, uitgemoord. Katharen, Waldenzen, Hussieten; - groepen die net binnen de kerk bleven of overeenkomsten met de hiërarchie sloten. Dit werden kloosterorden: Franciscanen, Dominicanen. Bij de Franciscaanse beweging kwam het hoofdaccent bij de armoede te liggen, tegen de rijke decadentie van de hiërarchie. Bi j de Dominicanen kwam het accent te liggen op prediking en zoeken naar waarheid. Was dat aanvankelijk om ketterse groepen bij de kerk te houden en de kerk gevoelig te maken voor de terechte kritiek van de ketters, later werd dat vaak Inquisitie. - De grote hervormingen door onder andere Luther en Calvijn. In de 15de en 16de eeuw verdween in West Europa het feodale systeem en maakte plaats voor de kapitalistische maatschappijvorm. Geld werd langzaamaan de basis van macht en rijkdom. In die overgang ontstonden nieuwe vormen van armoede. In deze maatschappij stichtte Vincentius a Paolo zijn congregatie voor de leniging van deze nood. terug Maatschappelijk werden begin 20ste eeuw de gezinnen groter door lagere kindersterfte. Nederlandse katholieken werd bovendien voorgehouden dat de kerk moest groeien door een hoog kindertal. Gepaard aan de intense vroomheid leidde dit tot de grote aantallen kloosterlingen én het grote aantal missionarissen; Nederland heeft lange tijd het hoogste aantal missionarissen wereldwijd gehad. De Tweede Wereldoorlog verzwakte Europa danig. Daardoor kwam ruimte voor veel koloniën om zich vrij te vechten, vaak in een bloedige oorlog. Oprukkende technologie en de Koude Oorlog betrok vervolgens veel landen in economische oorlogvoering. Het waren met name onze eigen missionarissen die in Nederland een groot bewustzijn bewerkten voor wat zich in de zuidelijke continenten afspeelde. Dit werd een belangrijke basis voor de nieuwe theologievorming na Vaticanum II, voor ons Pastoraal Concilie en voor een opnieuw doordenken van de spiritualiteit van het kloosterleven en het leven onder geloften. Socialisme én Verlichting (liberalisme) waren buiten de Roomse deur gehouden. Zoals gezegd, kwam daar in 1917 nog bij een Kerkelijk Wetboek, waarin het kloosterleven beschreven werd naar het “klassieke” model van monialen en een theologie uit de Contra-Reformatie. Dit nu was met de ijver van “Het Rijke Roomsche Leven” over de jonge mannen en vrouwen gestulpt die naar het klooster gingen. Wij allen kennen nog de strakke leefvorm en de negatieve interpretatie van de drie geloften: NIET hebben van bezit, van een eigen wil en van een relatie. AFZIEN van bezit, macht en seksualiteit. Een praktijk waarin we niets zelf bezaten, om alles moesten vragen en zelfs in de formulering moesten afzien van de persoonlijke verhouding tot “dingen”. Ik schreef met “onze pen”. Een praktijk, waarin de overste altijd gelijk had en alles kon eisen en de gehoorzaamheid gebood om haar bevel op te volgen, ook als het belachelijk was of schadelijk kon zijn. Een praktijk die negatief gefixeerd was op seksualiteit, waarin we zelfs niet met elkaar spraken over de pijn bijvoorbeeld van het niet zullen hebben van eigen kinderen; waarin het kijken naar een jongen “je begeven op glad ijs” heette; waarin lesbische geaardheid reden was iemand weg te sturen; waarin met tweeën wandelen uit den boze was om “gevaarlijke vriendschappen” te verhinderen. Een praktijk, kortom, die weinig ruimte liet voor de spiritualiteit van dat pionierende begin. Tegelijk was het de tijd van onze grote instituties, waarin door zeer veel vrouwen gezamenlijk zeer veel werd opgebouwd. Het kapitalisme heeft West-Europa rijk gemaakt. Dat Europa ook een sterk sociaal gezicht had, daaraan hebben de actieve kloosterorden een grote bijdrage gehad. terug Maar de strakke interne leefvormen vroegen om bevrijding. Een bevrijding overigens die veel onrust veroorzaakte en niet door iedereen even bevrijdend werd beleefd. De belangrijkste verworvenheid binnen onze congregatie uit die tijd is de ruimte die er is gekomen voor een persoonlijke levensstijl en voor persoonlijke verantwoordelijkheid. Vrijheid, ruimhartigheid. Op spiritueel gebied is er sinds Vaticanum II een grote rijkdom geboden aan theologische bezinning in het algemeen, aan bijbelstudie, aan herbronning van onze wortels als religieuzen, aan herijking van de betekenis van het leven onder geloften. Tijdens Vaticanum II en ons Pastoraal Concilie waren er twee soorten reflecties tegelijkertijd. Aan de ene zijde werd gezocht naar een interpretaties van de Geloften, die steun kon bieden bij de plotselinge persoonlijke vrijheden en alle verwarring die daarmee gepaard ging. Zo werd de gelofte van gehoorzaamheid een vraag om bezinning op de eigen verantwoordelijkheid en het aangaan van die verantwoordelijkheid. De gelofte van armoede eiste van ons dat we bewust omgingen met de goederen van deze aarde, ook met “het gemeenschappelijke” , bijvoorbeeld in de “Nieuwe Levensstijl”. Het was inmiddels de tijd van opkomend bewustzijn van de milieuproblemen. De gelofte van zuiverheid (kuisheid werd als term niet meer gebruikt) vereiste zorgvuldigheid in vriendschap, bewust zusterschap leven met elkaar, juist omzien naar elkaar nadat we zolang tot eenzaamheid binnen de gemeenschap gedoemd geweest waren. terug Aan de andere zijde waren ook stemmen te horen die kritiek gaven op Vaticanum II en het Pastoraal Concilie, omdat het teveel ging om de aanpassing aan een wereld waaraan we ons wellicht toch niet helemaal dienden aan te passen. Stemmen, die het optimisme van de naoorlogse jaren al achter zich hadden gelaten en wezen op de materialistische westerse wereld die het zuiden uitbuitte en van de mensen pure consumenten maakte. In de jaren 70 en 80 werden die kritische overwegingen door steeds grotere groepen religieuzen gedragen. Rome keurde de verworvenheden van het Pastoraal Concilie af, verbood de Nieuwe Katechismus. De religieuzen als gemeenschap begrepen hun eigen verantwoordelijkheid en keken zowel kritisch naar wat Rome deed, alsook kritisch naar wat in de Nederlandse samenleving gebeurde. Het besef groeide, dat we inmiddels leven in een wereld waarin macht, bezit en seksualiteit zeer geperverteerd zijn. Seks is een product dat brutaal wordt aangeboden op televisie, in films en in kiosken. De rijkdom van enkelingen die binnen een paar jaar miljarden verwerven steekt schril af tegen de armeode van tweederde wereld. Twee machtsblokken die hun strijd in het Zuiden beslechtten riep internationale woede op. Eén machtsblok, dat zijn wil wereldwijd oplegt, wekt nog meer woede. terug Onder religieuzen, met name ook in Nederland, werd helder dat zo’n wereld niet wacht op mensen die zich afzijdig houden van macht, bezit en relaties. Als religieuzen willen we in het dagelijks leven voorleven dat het anders kan en moet. Zoeken naar andere levensstijlen werd de uitdaging. De gelofte van gehoorzaamheid werd verwoord als gehoor geven aan de noodkreet van mensen in de verdrukking; de noodkreet horen en doorkrijgen hoe de ellende veroorzaakt wordt. De macht die we feitelijk hebben, inzetten om levensruimte te creëren voor groepen en personen die geen leven gegund wordt. De gelofte van armoede werd parallel daaraan verwoord als het bezit dat we inmiddels hebben, beschikbaar stellen voor groepen die worstelen om levensadem; voor groepen die trachten politiek beleid om te buigen ten behoeve van gemarginaliseerden. De gelofte van zuiverheid werd verwoord als de zuiverheid om bestaande verhoudingen en processen te willen doorzien, doorhebben wat er gebeurt in de samenleving en ons laten leiden door “de voorkeuroptie van God voor de armen”. Er werd verwoord dat die zuiverheid van zicht ook nodig maakt dat je in eigen kring én binnen jezelf oog krijgt voor het onderdrukkende en onderdrukte. Zo werd de gelofte van zuiverheid minder gefixeerd op seksualiteit en vroeg meer aandacht voor ons eigen persoonlijk en gezamenlijke emotionele leven. terug In de jaren 80 en 90 kwam daar nog een ander accent bij. Er was een groot bewustzijn gegroeid onder de Nederlandse vrouwen, ze drongen door in de kerken, in de politiek, in bepaalde maatschappelijke velden. Die doorbraak was in zekere zin ook net te laat. De vrouwengeschiedenis wordt geschreven alsof toen eindelijk vrouwen posities gingen verwerven. Ruim een eeuw hadden voornamelijk de vrouwelijke orden en congregaties die plek gecreeerd. Het bewustzijn groeide, dat wij als vrouwelijke religieuzen dan ook bij voorkeur steun moeten geven aan vrouwen, omdat ook in Nederland voor vrouwen de weg naar economische zelfstandigheid langer is dan voor mannen. Religieuzen geven bewust steun aan vrouwen in het pastorale veld, vrouwen die theologische wegen wilden gaan. In de jaren 90 was er, meer in internationale kring, de vraag onder religieuzen wat onze plek is ten aanzien van zoveel huiselijk en seksueel geweld, waar vrouwen en kinderen slachtoffer van zijn. Wat betekent deze realiteit voor de wijze waarop we ons leven onder geloften verstaan. Het leidde tot een praktijk waarin we onze macht (invloed en instituten) en ons bezit, allereerst willen inzetten ten behoeve van vrouwen die worstelen om zelfstandigheid, om onafhankelijkheid van echtgenoten of familie; ten behoeve van scholing en levenskansen voor kinderen en jongeren. Het leidde bij sommige congregaties tot meer openheid over lesbische geaardheid ook onder vrouwelijke religieuzen, tot openheid naar de gemeenschap van homoseksuelen en lesbiennes. Seksualiteit raakte ook in onze kringen weg uit de hoek van taboe en zondigheid. Steeds meer werd onderkend dat het een terrein is van machtsmisbruik. Dat maakte mogelijk, dat de keuze voor slachtoffers van die macht ruimhartig gemaakt kon worden. De keuze om ruime hulp te geven aan aidsslachtoffers ligt in dit verlengde. In sommige kringen van vrouwelijke religieuzen rees de vraag, of de formulering “gelofte van maagdelijkheid” nog houdbaar is, wetend hoeveel meisjes al op jonge leeftijd zijn misbruikt. Ook dat inzicht leidde tot intensiever nadenken over wat de mentale betekenis is van de gelofte van zuiverheid. terug Midden jaren 80 kwam er een nieuwe beweging in de kerken, wereldwijd. Het “Conciliair Proces voor Gerechtigheid, Vrede en Behoud/Heelheid van de schepping” werd opgestart vanuit de Wereldraad van kerken. Binnen kringen van religieuzen werd herkend, hoe in deze drieslag benoemd wordt wat het leven naar de drie geloften ook bedoelt. De gelofte van gehoorzaamheid drukt uit: anders omgaan met macht, horend “de schreeuw van mijn volk”. Niet de macht van de sterkste inzetten en volgen. Zuiver aanvoelen waar de macht van niet-dominante groepen vandaan komt, is vredeswerk. Dat kan oorlog verhinderen. De gelofte van rmoede vestigt de aandacht op: anders omgaan met bezit, een eerlijk herverdelen van de goederen der aarde, eerlijk betalen voor grondstoffen en handarbeid. Dat is een zaak van gerechtigheid. De gelofte van zuiverheid wijst op: respect voor alle leven, gevoel voor verhoudingen, broederlijk en zusterlijk samenleven, elkaar tegen eigen zwakte beschermen en in eigen kracht sterken, levensruimte delen. Het kan de schepping helen en doen behouden. Interessant is, te zien hoe die tocht langs herformulering van de geloften, ons heel dicht in de buurt brengt van de praktijk van onze stichteressen. Zoals Annelies van Heijst het in haar boek over onze congregatie verwoordde: “Zusters gaven hun bekende leefwereld op als ze intraden. Ze gingen vrijwillig een binding aan met mensen die vreemden voor hen waren. Ze deelden voortaan hun leven met medezusters en verlaten kinderen.”En : “Ze installeerden lotsverbondenheid en riepen zo nieuwe sociale verhoudingen in het leven. Dit bij voorkeur voor groepen voor wie niemand anders het opnam.” In deze beschrijving is gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid gezamenlijk verwoord. Als één levenswijze met die drie belangrijke aspecten. Elk van deze drie elementen is leerschool voor de andere twee, en onderling corrigeren ze elkaar voortdurend om te voorkomen dat we in eenduidigheden en valkuilen terecht komen. Elk van de geloften op zich kan tot dogmatisme en moralisme leiden. De drie samen vergt dat zoeken van telkens weer een levensvatbare blans, ruimte geven aan de kracht van de Geest, creatief blijven tot in de dood. Het vraagt verkennen en risoco nemen. Ook dat tot de laatste snik van de laatste zuster. terug De wisselende maatschappelijke tijden leidden tot telkens andere vormen van kloosterleven en leidden tot steeds weer herbronnen en herformuleren van een leven onder gelofte. Het vraagt moed om telkens weer die zoektocht te ondernemen, terwijl we ons tegelijk voor een heel leven overgeven aan deze leefwijze, deze gemeenschap, deze God. Wellicht heeft die moed iets te maken met de geest van zuiverheid. Het is bemoedigend, te zien hoe een lang en moeizaam proces van herlezen ons zo dicht brengt bij wat wij zien als onze oorsprong. Ook in onze gemeenschap was en is voelbaar wat kennelijk gebeurt in mensengemeenschappen. De starheid van institutionalisering en dogmatisme werd ons niet bespaard. Maar het enthousiasme van de pionierende start is nooit verdwenen. Het leven is sterker dan de leer en we leven volop in de trots om dat oersterke begin en de trouw van vele decennia van onze congregatie. Maar ook op onze eigen periode kunnen we trots zijn, meer wellicht dan we soms voelen. De spijt om het einde kunnen we omzetten in voldoening om dat wat we hebben neergezet. Er is veel gebeurd dankzij onze inzet. En er gebeurt nog steeds veel dankzij onze inzet. terug Wel staan we voor heel nieuwe vragen. We zijn, evenals vele andere congregaties, een gemeenschap geworden die haar erfenis moet gaan beschrijven en uit handen geven. Een gemeenschap, die de interne zorg steeds meer moet overdragen aan anderen. Wij gingen naar het klooster om voor anderen te zorgen, inmiddels zijn we zelf toenemend zorgbehoeftig. Dramatisch is dat niet. Er zijn vaker congregaties ontstaan en weer verdwenen. Het gaat ook niet om de congregatie, het gaat om dat Rijk Gods: waar gerechtigheid en vrede en eerbied voor de schepping hand in hand gaan. Het gaat niet om ons, maar om de kinderen waar niemand anders naar omkeek. Het gaat erom, Voorzienigheid ervaarbaar te maken, plek te geven. “God zal het zien, God zal het doorzien en Hij zal erin voorzien”. Dat is de driedubbele betekenis van die ene bijbeltekst, Genesis 22,14. Daar staat het werkwoord “voorzien” dat samenhangt met “Voorzienigheid”. Als Naam vinden we dit woord enkel in Wijsheid 14,3. De Duitse theoloog Metz, en in zijn voetspoor Pater Leenhouwers, spraken vaak over “de moed om te sterven”. Overigens spreekt Metz over de kracht van de Geest en het ruimte geven aan de Geest voordat hij die moed om te sterven ter sprake brengt. Hij stelt een samenhang tussen die twee. We staan voor de vraag welke specifieke betekenis een leven onder geloften heeft voor een gemeenschap “in afbouw”. Wat betekent ons leven onder geloften: - voor ouderen die de werken die ze opbouwden uit handen moesten geven en zien dat die andere handen anders en soms niet goed beheren. De “privatisering van de dienstensector” brengt niet de voordelen in onderwijs en gezondheidszorg die verwacht werden. - voor “jongeren” die voortijdig geconfronteerd worden met steeds maar sterven en afscheid nemen van medezusters. - voor ons nadenken over “ons erfgoed”? Hoe kunnen we “de moed om te sterven” gelijk laten opgaan met “de kracht van de Geest”? Hoe kunnen we realiteitszin en idealisme bijeen houden? Kunnen we dat? En kan dat dan zicht geven op de vragen die onze metgezellen zijn geworden: hoe “creatief leven in een stervensproces”, toekomstgericht afbouwen”, “vasthoudend afscheid nemen”, “rondkijkend de ogen sluiten”, “overdragend voortgaan”, “erfgenamen dichterbij halen”? Hoe kunnen we zoeken naar erfgenamen, naar groepen en mensen die dag aan dag evangelisch leven gestalte geven temidden van een wereld waar macht, bezit en relaties de mensheid in tweeën scheuren: noord-zuid; allochtoon-autochtoon; rijken-armen; zwarten-blanken; baanhebbers-baanlozen; winnaars-verliezers; “wij – zij”; “de goeden- de slechten”. Zuiverheid als “zusterschap en opwekken tot creativiteit”. Hoe kunnen we bij elkaars sterven zijn zonder zelf af te sterven? Hoe wagen we nog iets zonder de broodnodige rust voor een goede levensavond te verstoren? Hoe accepteren we ons gezamenlijk ouder zijn zonder fantasieloos nieuwe verten af te houden? Zuiverheid is zoiets als de voelsprieten uitsteken om een balans te hervinden, steeds weer. Balans is beweging, is inspelen op wat ons omringt. Is chaos tot ruimte maken. Gehoorzaamheid als “luisteren naar”. Dat zeggen we zo al een tijdje. Maar naar wie? Naar wat? Wanneer? Wanneer niet? Naar wie niet? Armoede als “ons bezit delen”. Maar met wie? Op welke wijze? Hoeveel? Hoelang? Hoe doe je dat op een wijze die werkelijk gerechtigheid naderbij brengt? Een wijze die vrede mogelijk maakt? Wiens naaste willen we zijn? terug En om het heel concreet te maken. Wie is straks onze erfgenaam? Bij voorbeeld Het Maria Stroot Fonds? Is dat de erfgenaam? Of zijn de erfgenamen diegenen die worstelen in de marges van de samenleving en geld nodig hebben om dat worstelen vol te houden? Of zijn dat mensen die heel hun energie geven om in die marges leefruimte te creëren? Tegen politiek en kapitaal en geweld in, zoekend naar anders omgaan met macht, bezit en relaties? Wat voor mensen zoeken we om met ons en later na ons te beheren hetgeen wij nalaten “ten behoeve van de minsten”? Wat vragen we van hen? Zoeken we mensen die verantwoord willen zijn naar ons toe? Of zoeken we mensen die verantwoord willen zijn naar die gemarginaliseerden toe? Moeten ze wakker liggen vanwege hun verantwoording naar ons toe? Of moeten ze wakker liggen vanwege hun verantwoording naar die gemarginaliseerden toe? Moeten ze wakker liggen als ze een keer te veel geld hebben toegekend? Of moeten ze wakker liggen als ze een keer te weinig geld hebben toegekend? Welk soort verantwoordelijkheid vragen wij van “hen die na ons komen”? terug Wie zijn allereerst onze erfgenamen: zij die later geld en goed beheren en toekennen, of degenen die in die gemarginaliseerde wereld pionieren om overleven mogelijk te maken en die daarbij geld behoeven? God zal het zien, doorzien, God zal voorzien en erin voorzien. Het ware oordeel over de toestand in de wereld horen we zelden uit de mond van grote politici. Of van belangrijke instanties. Het ware oordeel over de toestand in de wereld horen we in de barsten van die wereld. In de scheuren waar hele bevolkingsgroepen kermend ondergaan of zuchtend overleven, daar zien we hoe de wereld erbij staat. Degenen die “hun bekende leefwereld opgeven om een binding aan te gaan met die mensen” zijn onze opvolgers. Het kunnen degenen zijn, die groot onrecht proberen te verzachten. Het kunnen degenen zijn, die onrecht aanklagen en oorzaken aanwijzen. Het kunnen degenen zijn die moeizaam overleven. Het kunnen degenen zijn die oorlog proberen te verhinderen. Het kunnen degenen zijn die oorlog overleefden. Het kunnen degenen zijn die ruimte creëren voor broederlijk, zusterlijk samenleven van groepen mensen die elkaar uit de weg dreigen te gaan, zoals interreligieuze gemeenschappen. Het kunnen degenen zijn die milieurampen proberen te keren en de lans breken om verantwoord met Gods schepping om te gaan. “De markt” suggereert dat deskundigheid en carrière en groot salaris bijeen horen. Als een soort “markt van drie negatieve geloften ‘egoïsme en macht en bezit’”. In Nederland hebben we te maken met kerken die zich steeds meer terugtrekken uit de verantwoordelijkheid voor het professionele pastoraat. Voor veel vormen van catechese is geen geld te vinden bij de kerken. Voor bijzondere pastoraatsvormen is geen geld meer. In welke mate zijn wij bereid, tot erfgenaam te benoemen degenen die dan toch trachten voort te gaan in deze arbeid, ondanks veel moeizamer werksituatie? Zij, aan wie wij ons erfgoed overdragen, zullen toenemend te maken krijgen met dergelijke problemen. Hoe accepteer je dat de “prijskaartjes” voor het charitatieve werk ook groeien , dat de “prijskaartjes” voor katechese in de trend worden meegezogen? Hoe accepteer je die groeiende kosten voor professionele inzet, zonder kritiekloos mee te gaan in een markttrend van mega-salarissen? Meegaan in die markttrend is ook zoveel als meewerken eraan, dat een groeiende groep achterblijft in de marge, omdat “het prijskaartje te hoog is”. terug Bij het beschrijven van onze erfenis en onze erfgenamen staan we voor een uitdaging. Enerzijds om concreet genoeg te zijn om richting te geven, anderzijds herziening in veranderende tijden mogelijk te maken. Ruimte geven dus voor herijking in een wereld die telkens andere groepen marginaliseert. Ruimte geven om dat “religieuze leven telkens weer andere gestalte te geven in andere tijden met andere uitdagingen”. Het werk van die beschrijving, van die overdracht, zal een werk zijn waarbij de kracht van de Geest ons in herinnering roept de drie pijlers van de geloften in één leefstijl: ”Ze installeerden lotsverbondenheid en riepen zo nieuwe sociale verhoudingen in het leven.” De drie pijlers van het Conciliair Proces als één christelijk belijden. En voor onszelf kan daar de vraag uit voortkomen naar het zusterlijke samengaan van barmhartigheid én onrustig ongeduld. Hoe doen we dat? Hoe houden we elkaar bijeen? Barmhartig voor het groeiende onvermogen van onze ouder wordende gemeenschap. Ongeduldig om in een verhardende wereld bij te dragen aan “Gods Rijk onder ons” zover dat in ons vermogen ligt. Hoe houden we die twee bijeen? Is de kunst om die twee bijeen te houden wellicht niet een heel actueel verstaan van het leven onder de drie geloften? Gehoor geven aan toenemende eigen zorgbehoefte en toenemende beperkingen, barmhartig voor onszelf en elkaar – én gehoor geven aan degenen die het elan hebben om in de buurt te blijven van die God die “de schreeuw van Zijn volk gehoord heeft en diens lijden kent”? (Exodus 4). Ons bezit nalaten aan plekken, groepen, mensen die “de schreeuw van Zijn volk horen en het lijden kennen” en zich laten zenden om dat te verlichten. En zoeken naar toekomstige beheerders die precies dát element goed aanvoelen. En de zuiverheid om te blijven doorzien wie dan allereerst in deze verhardende wereld onze steun behoeven of verdienen. En zuiverheid om onder ons die barmhartigheid ‘en dat onrustige ongeduld’ bijeen te houden. Zodat wie aan haar laatste levensfase begonnen is niet telkens wordt opgeschrikt, en zij die volop in het leven staat niet alvast hoeft af te sterven? Geest en moed. Horen, zien en handelen. Een Conciliair Proces op ons niveau. Een leven onder de drie geloften vanuit de vragen van deze tijd: vragen in de samenleving, vragen onder ons. Omzien naar morgen. Levend in het heden omzien en vooruitzien. Moge de Geest sterk onder ons blijven en ons moedig houden tot het einde toe. De moed om levend voort te gaan naar het einde, daarom bidden wij. terug
|