Zusters van "De Voorzienigheid"
INHOUD Journaal Bestuur & Organisatie Spiritualiteit Geschiedenis Activiteiten Publicaties  Geloofsbrief
                                home                                                                                                                                         


Inhoud:

Indonesië: het land

Herinneringen van enkelingen:
  missie
   jappenkamp
  terugkeer naar nederland
  In een onafhankelijk land
  jaren zonder spanning
  terugkomen
  de laatste koloniale jaren
ook goed om te weten

Publiek vergeten:
  30 jaar na Beilen
  een onderzoek
  aanpakken
  eén publiek verhaal
  geen erkenning
  nog een onderzoek
  de oorlog 1945-1949

Publiek ontkennen:
  overlevenden van jappenkampen
naweeën van een ontkende oorlog:
  Molukse gemeenschap
  KNIL-soldaten
  Veteranen
  Dienstweigeraars
  Indonesiëweigeraars
Doofpotmentaliteit:
  zwijgcultuur
  geen eiser
Diplomatieke schulderkenning
guerrillaoorlog

Publiek herinneren:
  Europese kerken en Sibiu
  te herinneren
  drempelgebed

Nawoord

Literatuurlijst

Indonesië, Nederlands onverwerkt verleden
 

 
TER INLEIDING

De werkgroep Maatschappij en Voorzienigheid wil in deze brochure aandacht vragen voor geschiedenis die Nederland dreigt te vergeten.
Deze zomer, 2007, is het zestig jaar geleden dat de echte ‘politionele acties’ begonnen in Indonesië. Met die term wordt een militair optreden aangeduid, dat in andere tijden en op andere plaatsen oorlog wordt genoemd. En eigenlijk was de oorlog al begonnen in 1946. Maar Nederland heeft het nooit een oorlog willen noemen.

Feitelijk moeten we constateren, dat Nederland onmiddellijk na zijn eigen bevrijding van vijf jaar bezetting, een oorlog begon tegen een volk dat vierhonderd jaar lang door Nederland was bezet en gekoloniseerd.
Tot op heden is onze geschiedenis met Indonesië maar heel beperkt aanwezig in het publieke geheugen. We weten er weinig van, velen realiseren het zich niet eens.
 “Het is goed voor een land om zijn verleden te kennen. Daar wordt een land flink van.” Dat werd door Nederlandse politici gezegd over Turkije, sinds wij vinden dat Turkije de genocide op Armeense christenen moet erkennen.
Het is ook zo, dat een volk zijn eigen verleden goed moet kennen, om in het heden goed te begrijpen wat er gebeurt. Nederland heeft nog veel verleden dat niet aanwezig is in het publieke geheugen. Nederland heeft voornamelijk een gemeenschappelijk besef van zijn heldendaden (opkomen voor mensenrechten, Michiel de Ruiter, Piet Heijn) of van het slachtoffer zijn (Tweede Wereldoorlog). Er is maar weinig besef van Nederlands daderverleden.
Toch is juist dat van belang om te begrijpen hoe anderen tegen ons aankijken. Om te begrijpen waarom anderen iets tegen ons hebben. Om een beter inzicht te hebben in hoe Nederland handelt.

Indonesië is zo’n vergeten geschiedenis. Als congregatie hebben we speciale banden met dat land en die geschiedenis. Onze zusters werkten er en zij die er in de oorlogsjaren waren hebben geleden in de Jappenkampen. We hebben er nog familie, de Zusters van de Heilige Familie.
En we hebben een literair-historische band die bijzonder is. Multatuli schreef midden 19de eeuw zijn boek Max Havelaar om te protesteren tegen de behandeling van de Indonesiërs door de Nederlanders. Het boek begint aldus: “Ik ben makelaar in koffie, en woon op de Lauriergracht, no. 37.” 
Je zou dus kunnen zeggen: “Onze stand verplicht ons.”

In deze brochure geven we eerst aandacht aan “onze” eigen herinneringen. De zusters uit Indonesië  vertellen over de vier fasen: vóór de Tweede Wereldoorlog, het Jappenkamp, na de oorlog op Java, de nieuwe start op Bangka.
Dan gaan we op het vergeten verleden in, dat we inleiden met “Beilen”. Vervolgens melden we enkele onderzoeken die er gedaan zijn naar een vergeten deel van de Nederlandse geschiedenis:
. de slechte ontvangst van hen die na de oorlog terugkeerden uit diverse soorten kampen;
. de oorlog die Nederland meteen begon in Indonesië;
. de gruweldaden die Nederland pleegde in Indonesië.
Onderzocht is ook hoe dit vergeten werd bevorderd. En we vestigen kort de aandacht op enkele groepen die daar tot op heden zeer van te lijden hebben.
Sinds twee jaar worden er kleine stappen gezet in de politiek. Tenslotte  wijzen we op de kerkenbijeenkomst in Sibiu nu in september, waar  aandacht gevraagd zal worden voor de daderrol van Europese landen, waaronder Nederland. Aandacht voor hetgeen wij als natie anderen aandeden en aandoen.

Deze brochure wil een bijdrage zijn van onze kant, om 60 jaar nadat de politionele acties in Indonesië begonnen, ons dat te herinneren.  Publiek vergeten van een nationaal verleden kan de basis worden voor nieuwe spanningen ondanks goede bedoelingen. Herinnering kan helend werken.
In Nederland groeit sinds twee jaar enige ruimte voor ons verleden. We hopen dat deze brochure helpt om inzicht te hebben in de debatten die worden gevoerd.
De medezusters die in Indonesië werkten komen op verschillende wijzen aan het woord. Zr. Riek van Emmerik was de laatste nog levende getuige zowel van het Jappenkamp als van wat Nederlanders het volk ginds vóór de oorlog aandeden. Zij stierf plotseling toen de gesprekken nog gaande waren, de verhalen nog boven kwamen. Zij heeft al haar teksten nog goedgekeurd.
terug  


Indonesië: het land
 

Indonesië, een eilandenrijk, grenst op het eiland Borneo aan Maleisië, en in het zuiden grens het aan Australië. Dwars over het eiland Nieuw-Guinea loopt de grens met Papoea-Nieuw-Guinea, en de helft van het eiland Timor is de zelfstandige natie Oost-Timor. De “gordel van Smaragd”, zoals Multatuli deze eilandenketting noemde, bestaat uit vijf heel grote eilanden (tot 800 km lang), een aantal middengrote eilanden, zoals Bangka (200 km. lang) en duizenden kleine eilandjes.
Voordat Nederland Indonesië als kolonie inlijfde in de 16de eeuw, waren er op diverse eilanden koninkrijken. Deze waren voornamelijk hindoeïstisch of boeddhistisch. Later, door de handel, deed de islam zijn intrede. Nu is 86 % moslim, 10 % christen, 3 % hindoe, 1 % boeddhist en andere.
Bali is het laatste koninkrijk dat werd ingenomen, in september 1903. De Europese koloniale machten wilden wat meer orde in hun bezittingen en daarom moest Nederland Bali bezetten. Nederland zocht een aanleiding voor een veroveringsoorlog, en vond die. Een chinees schip strandde voor de kust, de Balinezen jutten wat aanspoelde, en Nederland noemde dat roof. Die roof moest bestraft worden en Nederland viel het koninkrijk binnen. De Balinezen, die zich met speren verdedigden, werden simpelweg neergeschoten. In enkele dagen stierven er 3000 mensen.
De Japanners maakten een eind aan Nederlands-Indië.

De oppervlakte van alle Indonesische eilanden samen bedraagt 1.919.440 km2. Dat is ongeveer 60 maal zo groot als Nederland. In 1900 waren er 42 miljoen inwoners. Nu zijn dat er 238 miljoen.

Op 17 augustus 1945 riepen op de grote eilanden groepen rebellen de onafhankelijkheid uit. Op 27 december 1949 werd Indonesië officieel door Nederland overgedragen. Nederland erkent pas sinds 17 augustus 2004 deze dag als onafhankelijkheidsdatum voor Indonesië.

Bossen zijn de oorspronkelijke begroeiing, ruim de helft van het land is er nog mee bedekt. Na Brazilië komt Indonesië als land van regenwouden: 140 miljoen hectare ongeveer op de eilanden samen. Er is echter veel ontbossing. Verbranding van bomen om een stuk grond bouwrijp te maken, zoals de Dajaks eeuwenlang deden, veroorzaakt weinig schade. Een verwoestend effect op de natuur heeft de aanpak van multi-nationals, die aan het tropische hardhout verdienen. Hout is de belangrijkste deviezenbron voor Indonesië, dus de regering grijpt niet in.
Indonesië is rijk aan grondstoffen: aardolie, aardgas, bauxiet, tin, koper en nikkel.  De export van grondstoffen maakte het land niet rijk. Sinds de oliecrisis in de jaren 70 ging Indonesië zelf industrie ontwikkelen, dat levert meer inkomen op. 25 % van de export zijn nog landbouwproducten.

Indonesië is heel sterk in diverse bijzondere kunstvormen. Het eiland Bali neemt daarin een vooraanstaande plaats in, Java is een goede tweede. Daar zijn alle voor Indonesië specifieke kunstvormen te vinden: traditionele schilderkunst, de gamelanmuziek van de Balinese en Javaanse hoven, de wayangdans, filigraanwerk (heel fijn zilversmeedwerk) dat ook op Sumatra wordt gemaakt en fijn houtsnijwerk. Op veel van de eilanden wordt textiel kunstig bewerkt die over de hele wereld aftrek vindt.
De formele taal is de Bahasa Indonesia, door Soekarno ingevoerd, waardoor de mensen in het hele gebied kunnen communiceren. Maar feitelijk kent dit land een grote verscheidenheid aan talen: 750 gesproken talen. Alleen in Papoea Nieuw-Guinea zijn er méér gesproken talen te vinden.

Van 1945-1967 was Soekarno president. Soeharto kwam daarna met een bloedige staatsgreep aan de macht en bleef tot 1998. Sindsdien is Indonesië al aan zijn zesde president toe, dus zijn vierde sinds 1998. Indonesië is bezig zich te herstellen van de dictatuur die onder Soekarno op een gegeven moment vorm begon te krijgen en onder Soeharto echt hard werd. Er wordt druk gewerkt aan democratisering.
Onafhankelijkheidsstreven van bepaalde eilanden(groepen) werd gemakkelijk een alibi voor de harde regeerstijl. Het conflict met Oost-Timor is het meest bekende. Voor ons is de onenigheid over de Molukken ook bekend.
Sinds enkele jaren worden een paar eilanden geteisterd door onlusten tussen bevolkingsgroepen. Het lijken godsdienstoorlogen, maar bepaalde bevolkingsgroep staan er economisch beter voor dan een andere: een koloniale erfenis. De religieuze scheidingen verlopen langs raciale lijnen (veel Chinezen zijn christen, veel Indonesiërs zijn moslim).
terug



HERINNERINGEN VAN ENKELE ZUSTERS

ZR RIEK VAN EMMERIK  1937-1946
(overleden juni 2007, interviews januari-juni 2007)

“Op 18 november 1937 vertrokken we naar Indonesië. Het was mijn verjaardag en ik was net geprofest. Consolata, Micheline en ik waren drie nieuwe missiezusters, Moeder de Passie ging met ons mee en zuster Silvana ging terug na  verlof. Met de trein naar Marseille, daar op de boot “Dempel”. De reis duurde ongeveer drie weken. In Singapore zijn we even aan land geweest en logeerden we bij zusters. Elke dag ging daar een man met een bakfiets op pad en raapte vondelingen op die dan door de zusters werden opgenomen.
We werden in Muntok hartelijk ontvangen in het klooster, de halve school stond klaar voor ons. De volgende ochtend om 7.30 uur stond ik voor de klas. Tweede klas. Allemaal Chinese kindertjes, die in de eerste klas Nederlands geleerd hadden. Het was geen verplichtend onderwijs, het was enkel voor de gegoede Chinese families, waar later ook enkele Indonesische kinderen bijkwamen. In Belinju hadden we wel een school voor “het volk”, de Indonesiërs. Daar was ook een internaat, met kinderen die waren weggegeven door de ouders. In Muntok hadden we maar twee weggegeven kinderen: een blind meisje en een gehandicapt jongetje, dat voor ieuwjaar het huis uit moest anders – zo werd gedacht - zou er ongeluk over dat huis komen.”

“De Chinese families en hun kinderen wilden geen Indonesisch spreken, ze hadden het niet nodig. In Nederlands leren waren ze heel ijverig, en alle onderwijs was Nederlands. Een deel van mijn taak was hun woordenschat uitbreiden, elke dag woorden leren. Ik had allemaal kaartjes met tekeningen. Die stalde ik uit, en dan gaf ik opdracht me een bepaalde kaart te brengen. Zo deden we taalspelletjes.
Maar ik zat er dus met Chinezen en wist niets van hun cultuur. Op een keer trok een meisje alle kasten open om erin te snuffelen. Ik hield me in, maar vond het uiterst merkwaardig. Zuster Clotilda legde me later uit, dat dat een teken van vertrouwen was, dat ze me mocht. Als je elkaar vertrouwt, heb je geen geheimen voor elkaar. Zo is dat in de cultuur van de Chinezen in Indonesië.
Dat was een grote fout, dat je er zomaar werd ingegooid. Doordat de lessen gewoon in het Nederlands waren, kon je technisch gezien meteen door. Er werd waarschijnlijk niet over nagedacht dat je in zo’n vreemde cultuur met die kinderen moest leren omgaan. Ik was toen zo groen als gras. Ik heb zelf moeten uitvinden hoe ik op een goede wijze kon omgaan met de kinderen.
Bij de aardrijkskundelessen begonnen we wel bij Bangka, het eiland waar de kinderen zelf op woonden. Maar de geschiedenislessen gingen over de geschiedenis van Nederland. De school heette ook nadrukkelijk HCS, Hollands Chinese School.
We leefden in een soort “klein Nederland”. We hadden contact met elkaar, de acht zusters in ons klooster, met de Nederlandse pastoor, met de kinderen die wij inwijdden in de Nederlandse taal en geschiedenis. Geen contact met hun ouders, noch met de verdere bevolking. Eén keer zijn we met het Chinese nieuwjaar op bezoek geweest bij een van onze Baboes. Dat waren de vrouwen die ons hielpen met het huishoudelijke werk. Het is mijn enige contact met de Indonesische cultuur geweest.
Ik moest ook al gauw typeles geven aan de grote jongens. Lesmateriaal, examenmateriaal, diploma’s, het kwam allemaal uit Nederland.”

“De congregatie die wij er hebben opgericht, begon met Chinese meisjes die wilden intreden. Zuster Serafim, zuster Wigberta en anderen hebben zich met de vorming beziggehouden. De bisschop stond erop dat het een Indonesische vorming zou worden, geen Nederlandse: vanuit de eigen cultuur, het eigen volk opgezet. Later kwamen er via een Filippijnse bisschop Filippijnse meisjes op Bangka bij, en nog later ook Indonesische meisjes. Zo lagen de koloniale verhoudingen.”


terug

Het Jappenkamp

“Er waren verschrikkelijke bombardementen op Muntok, een havenstad. Een kapitein die hoorde dat er nog zusters in Muntok waren, stond erop dat die met hem meegingen naar Java, omdat hij had gehoord dat de Japanners alle vrouwen verkrachtten. Het was de laatste boot die voor evacués werd ingezet.
Toen we op zee zaten, werden we gebombardeerd. Er ontstond geweldige paniek, veel mensen gilden en schreeuwden. Wij zijn hardop gaan bidden met iedereen, daardoor werd het weer rustig. Er vielen tien of elf bommen om ons heen, het water spoot huizenhoog op. Granaatscherven lagen op het dek, maar niemand raakte gewond en we werden niet geraakt. De kapitein noemde het een wonder: “Ik ben niet gelovig, maar wij met laveren en jullie met je bidden hebben de bommen afgehouden.”
Op Java werden we door de zusters Ursulinen zeer gastvrij ontvangen. Wij namen deels het werk op hun school over. Het inlandse personeel – de baboes en de knechten – was weg. Er was immers geen geld meer om hen te betalen, nadat de Europese mannen waren weggevoerd
(Denk aan de Birma-spoorweg!).
Daarom deden de zusters samen met de meisjes het huishouden. De meisjes waren dat niet gewend. Ze reageerden daar giftig op. Veel later hebben veel van die meisjes ons bedankt dat we ze hebben leren werken. Daardoor waren ze beter tegen het leven opgewassen.
Later zijn we met de meisjes en de Ursulinen samen opgevangen bij Franciscanen. Daar zaten we met 100 meisjes en 100 jongens en wij, zusters, allemaal bij elkaar, alles open en bloot, dat was al spannend. We moesten voortdurend surveilleren voor onze veiligheid.
Daarna werden we opgepakt en geïnterneerd. Het kamp was een Nederlandse wijk van Djakarta, die helemaal met dubbel prikkeldraad en met matten was afgezet, een soort getto. Binnen dat getto was één groot huis afgescheiden voor alle zusters. Wij, vijfentwintig van ‘De Voorzienigheid’ zaten samen in één vertrek, dag en nacht. Andere congregaties kregen elk een ander vertrek. Om ons huis heen was ook weer een afscheiding, van bamboematten.
Ik denk dat het op verzoek van de bisschop was, het was zeker als bescherming bedoeld tegen de Japanse soldaten. Je voelde je echter wel opgesloten. Je kon je niet uiten. We zaten veel te dicht op elkaar om ruzie te maken. Met ruzie zou het onleefbaar geworden zijn. Alle ongenoegen hield je binnen.
En dat in Djakarta, een stad die ongeveer in een moeras ligt, met heftige en vochtige hitte in de warmste tijden.
We werden verplicht om te werken. Ik werkte in een wasserij, Francisca in een schoenmakerij. Je moest alle dagen werken, ook op zondag, anders kreeg je geen eten. We mochten op zondag wel iets later komen om eerst samen een gebedsdienst te hebben. Feesten werden niet gevierd, we hadden ook niets om te vieren.
Twee keer per dag was er een soort appèl. Dan moesten we allemaal heel diep buigen voor een Jap. Was het niet diep genoeg, dan werd het vele malen achtereen herhaald. Overal liepen altijd militairen.
In de eerste tijd ging het nog, toen waren het een soort burgerwachten. Later kwamen de echte militairen en die behandelden ons keihard, met heel diepe vernederingen. Alles op commandotoon, dwaze dingen van je eisen enkel om je te pesten.
Het eten was weinig en vreselijk. ’s Morgens en ’s avonds een klein stukje brood. De middagmaaltijd was een beetje rijst met gestoofde stelen van waterlelies, bladeren, gras en darmen van karbouwen. De babbatploeg moest ‘s morgens de darmen schoon schrapen, ze dan in rode pepers koken en dat samen malen en dat ging dan meteen bij het eten. Die pepers waren om de stank te verdrijven. Er was heel weinig eten, ik heb geweldig honger geleden.
In het kamp gingen we allemaal Engels leren, want we wisten niet welke taal we na de oorlog zouden moeten spreken. Daar hadden we wel boekjes voor, maar we leerden het aan elkaar. Met name de Ierse zusters hielpen ons.
Na de overgave van Japan zijn we uit de Kramatwijk (het kamp) naar Meester Cornelis gegaan, naar het klooster “Mater Dolorosa”, van de Zusters van de Goede Herder. Dit klooster werd gebruikt als ziekenhuis voor Nederlandse mannen om op verhaal te komen of te sterven. De helft van ons convent werd daar geplaatst. Het was een hel vol zieke en stervende mensen en vol wand- en huidluizen en dergelijke.
Gevangen militairen hebben  mensen en gebouwen gereinigd met DDT-poeder. Toen het huis schoon was is de andere helft van ons convent er ook bij gekomen. We waren dus weer bij elkaar. Een aantal zusters werkten in de verpleging. Zr. Didaca, Zr. Micheline en Zr. Aloysio zorgden voor de kleding. We kregen namelijk pantalons en overhemden voor de heren en aan die kleding moest veel veranderd worden zodat ze zou passen.”

“Toen we in Mater Dolorosa zaten, werden we niet beschermd. Dat was eigenlijk niet goed, want de opstanden waren al gaande. Op een dag kwam er een Nederlandse soldaat bij ons binnenlopen, hij had ons horen praten. Op zijn arm had hij een nummer getatoeëerd van een concentratiekamp, ik weet niet welk. Hij was door de Russen bevrijd. En terug in Nederland moest hij dus in dienst.

We vertelden dat er wel eens op ons geschoten werd, en toen zei hij dat het geen probleem meer zou geven. Ze losten het wel op. Ze hebben de hele kampong tegenover ons platgebrand. “
terug

Terug naar Nederland

“Het heeft drieënhalf jaar geduurd. Twee van ons zijn er gestorven. Met vijven moesten we na de oorlog naar Nederland terug omdat we te zeer verzwakt waren: Silvana, Consolata, Didaca, Jo van Noort en ik. Alleen Jo van Noort is nog terug gegaan naar Indonesië.

De aankomst in Nederland was wel leuk. We mochten in Rotterdam niet meteen van de boot, het duurde vijf uur voor dat er ontscheept werd. Daarna wachtten we op een bus. Het was tien uur ’s avonds toen we in Amsterdam aankwamen. De grote bel werd geluid, alle zusters moesten weer uit bed en kwamen in de grote refter bij elkaar om ons te ontvangen. Moeder de Passie was zo blij dat we heelhuids waren aangekomen.
Maar daarna moest ik wel meteen door naar Kwintsheul. “Een rustige school”, zo werd me gezegd. Ik kreeg er klas 4 en 5, 48 leerlingen. De gedachte was, dat hard werken het beste was om te vergeten. “En er niet over praten, dan ben je het het snelste kwijt”.
Nou, dat was een slecht advies.”
terug
 


ZR. IGNATA BEKEMA: in een onafhankelijk land

“In maart 1949 vertrok ik naar Indonesië met de boot ‘Johan van Oldenbarnevelt’. De oorlog met Nederland , “de politionele acties”, was toen nog bezig op Java. Op Bangka merkten we er weinig van.
Ik werd geplaatst op Belinyu. We waren met elf zusters in dat mooie klooster. Enkele van de zusters, vijf in getal, hadden het kamp meegemaakt in Jakarta van 1940-1945. Er werd betrekkelijk weinig over gesproken tijdens de recreaties. Ze vertelden hooguit wel eens anekdotes. Iedereen verwerkte het voor zichzelf. Ik denk ook dat er  voor het doorgemaakte in die kamptijd eigenlijk geen woorden waren. Maar ze wisten samen wat ze hadden beleefd. En wij wisten van hen dat ze veel hadden geleden. Het was op de achtergrond altijd aanwezig.
Ik kreeg om te beginnen de tweede klas, gemengd, jongens en meisjes. De Bahasa Indonesia was toen al voertaal op school maar wij, zusters, kenden er nog maar weinig van. De Indonesische schoolinspecteur gaf ons les. Na ruim een jaar kwam de inspecteur ons in de klassen inspecteren. Dat was in het begin heel moeilijk. Ik moest rekenles geven in de 5de klas, dat ging wel, de getallen kende ik wel en veel woorden had ik er niet bij nodig. Daarna moest ik aardrijkskunde geven, dat was héél moeilijk door het gebrek aan woorden. Op een gegeven moment zei de inspecteur: “Gaat u nu maar door in het Nederlands” (dat konden de kinderen nog verstaan). Wat een opluchting voor mij! Hij was heel redelijk.
Op mijn school, de “Agnesschool” genaamd, (voor mijn tijd was het een Hollandse school) zaten veel Chinese leerlingen en minder Indonesische leerlingen. Ze moesten nu allemaal de Bahasa Indonesia leren. Maar omdat die taal nog in opbouw was, mocht in die tijd ook het Nederlands als aanvulling gebruikt worden. De inspecteur gaf ons na de inspectie een lovend woord: “Er wordt hier met toewijding gewerkt!”, zei hij. Ik ben dit nooit vergeten.
Na anderhalf jaar werd ik tot hoofd van de school gebombardeerd en Zr. Patricia moest de pas opgerichte SMP (Mulo) begeleiden. Op mijn school stonden tiener jongens en meisjes zonder diploma voor de klas, die ik moest begeleiden! Ook zij toonden een grote verantwoordelijkheid en toewijding. Enkele jaren later kwamen de gediplomeerden, zij hadden twee jaar opleiding voor het onderwijs achter zich. Zuster Marcellina en ik waren de zusters op school. De school groeide heel snel. Toen ik in 1975 wegging had de school 800 leerlingen. Ik was toen allang de enige zuster op school. Zo was het toen ook op onze scholen in Pankalpinang, Muntok en Sungailiat.
Op zondagmiddag had ik een club, “Omhoog”. Dat waren katholieke tieners, Chinese meisjes en anderen. Ze kwamen graag. Ze kregen een woordje van de pastoor en ik hield met hen een gesprek en dan gingen we sporten. Het was een gezellige club, heerlijke uurtjes waren dat!”

“Toen de onafhankelijkheid van Indonesia een feit was moest al het onderwijzende personeel de Indonesische nationaliteit bezitten. De zusters die op school stonden moesten ook Indonesische worden. Dit gebeurde eind 1951. Onze school stond als goede school bekend en groeide dan ook heel snel. In de 60er jaren was het aantal 700 tot 800 leerlingen. Ongeveer 40% daarvan waren van de eigen bevolking, Indonesiërs, ongeveer 60% was vreemdeling (Chinezen en anderen). De Indonesiërs waren moslims. Chinezen en anderen waren katholiek, protestant, Boeddhist, Hindu en andere. Ze kregen als klas allemaal katholieke godsdienstles, dat werd aanvaard. Moslimleerlingen hoorden het graag, ze herkenden bijvoorbeeld hun profeet Jezus in onze verhalen. Ook de andere kinderen hadden er geen moeite mee. Het was niet om ze te bekeren, het hoorde gewoon bij onze school. De moslimkinderen zouden nooit hun godsdienst verloochenen. De andere kinderen luisterden, sommigen kregen aandacht voor de godsdienst en vroegen om meer onderricht buiten de schooluren. Het ging heel goed bij de leerlingen met al die verschillende godsdiensten bij elkaar.”

“De verhouding tussen de Indonesische leerlingen van de eigen bevolking en de vreemden (vooral Chinezen) was altijd 40%-60%. Maar begin jaren 60 ging de regering zich daarmee bemoeien. Elke school moest een Indonesisch gezicht hebben. Er kwam een verordening dat Chinese scholen verboden werden. Elke school moest zorgen voor een Indonesische meerderheid van minstens 60%. Dat was een geweldige aanpak. 20% van onze leerlingen moesten we naar de regeringsscholen sturen en 20% van de leerlingen van regeringsscholen kwam bij ons.
Wij als zusters stonden ieder aan het hoofd van een andere school. Daardoor konden we dat gelukkig met elkaar regelen. We vonden steun bij elkaar en konden deze moeilijke klus tot een goed einde brengen. Daarna kon ieder hoofd van de school de zaak weer verder zelf leiden.
De overgang in ’s lands bestuur van Soekarno naar Soeharto was een geweldige operatie. We waren van de coup van GwS (communistische partij van naar verluid, Chinezen) ontzettend angstig. Hoe zou dit aflopen? Opeens was Soekarno weg. Bapa noemde het volk hem. Soeharto had hem vastgezet. Het volk hoorde zijn stem niet meer. Er was verwarring. Wat willen die opstandelingen van de coup? We hoorden van moorden, uitgestoken ogen. Soeharto en het Indonesische leger bracht weer rust. Wij merkten niet zoveel van de dictatuur bij het begin van de regering Soeharto.
Wel was het in 1965 heel spannend. Ik herinner me nog goed het moment dat we in Pangkalpinang bij elkaar waren om te vieren dat wij 40 jaar in Indonesië waren. Dat was in 1965. De strijd tussen Soekarno en Soeharto was toen net opgelaaid.  Er  waren al kuilen voor ons gegraven. Dat waren toen heftige tijden.


Op school moest ook geschiedenis onderwezen worden. Dus ook over de koloniale tijd. Daar zaten natuurlijk wel voetangels en klemmen in. Wij probeerden van die tijd ook de positieve kanten te vertellen. In onze tijd hadden we weinig anti-Nederlandse stemming op onze scholen. Wel was er stemming tegen de buitenlanders (Chinezen en zo). En veel “spijt-op-tanten” gingen terug naar Nederland. Onze gewone mensen op Bangka waren nog altijd trots het Nederlands goed te kunnen spreken.
De tin-mijnen op Bangka en andere grote bedrijven werden wel van de buitenlandse hoofden/beheerders afgenomen en genationaliseerd.
Wat ik echt geweldig heb gevonden van Soekarno, was het tot stand brengen van de éne moedertaal: Bahasa Indonesia voor dat grote eilandenrijk. Heel Indonesia spreekt Bahasa Indonesia, van de kleuterschool tot en met de universiteitsstudenten. De grondtaal van de Bahasa Indonesia was de oude Maleise taal. Het Bahasa werd in 1949 verplicht. Iedereen spreekt de taal nu.
In 1975 kwam ik terug in Nederland. Ons werk hadden we overgedragen aan de congregatie van de Heilige Familie. Deze was opgericht door de bisschop van Bangka Mgr. Bouma en werd begeleid door onze zusters: Zr. Seraphine en Zr. Wigberta.
Ik heb een intens thuisgevoel gehad in Indonesia, hun goede mensen lieten zich van de beste kant zien. Onze zusters stonden heel verantwoordelijk voor hun eigen taken. Het waren mijn vitale jaren. Maar natuurlijk ging het, zoals in elke gemeenschap, ook met vallen en opstaan.“
terug
 


ZR. CASSIANA VOGEL: jaren zonder spanning (1948-1970)

“De zusters uit Indonesië moesten nodig met verlof. Er werd gevraagd wie hun plaats wilde innemen. Ik wilde wel.
In 1941 was ik ingetreden. Dat was midden in de oorlog maar voor mij maakte dat niets uit. Ik ben in Amsterdam geboren, mijn jeugd heb ik in Noordwijkerhout doorgebracht.”

“In 1948 vertrok ik  naar Indonesië, samen met zuster Marcellina. We gingen met het vliegtuig, want we moesten er snel wezen, we moesten echt vlug het werk overnemen.
Ik kwam in Belinju en ben daar tot 1970 vrijwel steeds gebleven. Tussendoor was ik heel even ergens anders. Al die jaren heb ik op de lagere school gewerkt, behalve een jaar de 1e klas ULO.
In het begin mochten we nog wat Nederlands spreken, maar na de onafhankelijkheid in 1949 werd het echt Indonesisch.”

“Zuster Josefien Wester had een diploma Indonesisch, zij hielp ons. Maar ik heb het Indonesisch voornamelijk in de praktijk geleerd. Ik had in die jaren een combinatieklas: 2, 3 en 4. Een Indo-meisje uit de 4e klas zat achterin, zij kende beide talen goed. Als ik dan iets niet wist, keek ik naar haar en dan hielp ze me. Dat hadden we afgesproken. Zo heb ik goed Indonesisch geleerd. Niemand heeft tenminste ooit gezegd dat ik er niets van terecht bracht.”

“Zodra ik er was, vond ik het heerlijk. Ik heb nooit heimwee gehad, voelde me echt thuis op Bangka. Van de politionele acties hebben we daar niets gemerkt, dat speelde op enkele andere eilanden.

Op school hadden we zowel Indonesische als Chinese jongens en meisjes. Ik heb geen herinneringen aan problemen, het ging prima met die verschillende groepen. De kinderen kwamen uit gezinnen met verschillende religieuze achtergrond, dat was gewoon zo. Moslims, christenen, hindoes. Daar werd niet over nagedacht, er viel ook niets over na te denken. Prima. Leuke tijd.
Ik kan me ook niet herinneren dat er analfabete ouders waren. Volgens mij waren die er niet. Wij waren er om de kinderen goed onderwijs te geven  en ze voor te bereiden op het vervolgonderwijs. Dat was vóór ons natuurlijk ook al gedaan.”

“Zelf was ik hoofd, mijn collega’s waren allemaal niet-kloosterlingen. Met de ouders hadden we uiteraard ook veel contact. Nee, ik kan me niet herinneren dat op Bangka na de oorlog veel schokkende dingen gebeurden. Politionele acties, onafhankelijkheid, later Soekarno die verdween, Soeharto die kwam. Aan Bangka ging dat toch een beetje voorbij. Het was niet het belangrijkste eiland in Indonesië. Maar het is groot, ongeveer zo groot als Nederland. De enige grote verandering was  dat we in het Indonesisch moesten lesgeven.
Over het kampleven werd niet gesproken. We waren er om onderwijs te geven. Alle aandacht was erop gericht om dat goed te doen. Dat was onze taak.
Nogmaals, ik heb het er heerlijk gehad. Het was een werkelijk fijne tijd, ik voelde me er zeer op mijn plaats.”

“Eén keer ben ik voor verlof met de boot terug gegaan naar Nederland. Dat was heerlijk. Ik houd van het water. Maar het was vooral fijn omdat het zo langzaam ging, het hoefde allemaal niet zo vlug.
Met het vliegtuig ben je ineens op een andere plek. Kwam ik in Nederland aan, dan was Indonesië heel ver weg. Kwam ik weer in Indonesië, dan was Nederland heel ver weg. Het waren twee werelden die niets met elkaar te maken hadden. Zo vlug heen en weer hoppen, dat was raar. Die ene keer met de boot was heerlijk.”

“Het waren echt twee werelden. Er werd hier in Nederland nooit over Indonesië gesproken. Niemand wist er iets van. En in Indonesië werd niet over Nederland gesproken. Nou ja, wij spraken over wat er in de congregatie was. Nederland was voor mij de congregatie, van de rest hoorde je niets. Absoluut twee werelden zonder verband.”

“In 1970 ging ik terug naar Nederland, ik had mijn tijd gehad. Met de overgang had ik niet zoveel moeite, ik pas me gemakkelijk aan. “
terug
 


ZR. RIEK VAN EMMERIK: het terugkomen 1946

“Toen ik in Nederland kwam, was er  helemaal geen ruimte om te praten over je ervaringen. Er werd vaak over de oorlog gesproken, op straat, op school, door de zusters, maar dat was dan wel altijd de oorlog hier in Nederland. Dat hadden ze hier samen meegemaakt. Het gaf een heel eenzaam gevoel, want ik zat in mijn eentje met wat ik had meegemaakt. Niemand kon dat begrijpen. Ik hoorde in een ander verhaal. Ook dat, het niet kwijt kunnen, gaf een erg opgesloten gevoel. Op een bepaalde manier ging het kampleven door. Ik werd ook meteen op school geplaatst.”

“Later ging het anders. Toen onze eerste zusters voor verlof uit Brazilië kwamen, kregen ze echt vakantie. Ik weet dat rector Starrenburg er ook aan gewerkt heeft. Die zei: “Denk erom, de zusters die uit de missie terugkomen hebben eerst verlof nodig, ze hebben vakantie nodig.”
Maar in 1946 kwam dat niet in de hoofden op. En ook later was er geen besef dat we in Indonesië zoveel hadden meegemaakt dat je aandacht nodig had om dat te kunnen verwerken. We konden het verhaal niet kwijt.
Jo van Noort kwam wel eens naar me toe en dan zei ze alleen maar: “Jij was ook in het kamp”. Dat was al voldoende, even aangeven “wij beiden weten ervan”.”

“Ik vraag me wel af: Waarom nu? Waarom wordt er nu ineens naar Indonesië gevraagd?
Het roept veel op, ik heb nu wekenlang weer het jappenkamp in mijn hoofd. Ik loop zomaar te zuchten. Maar het doet me ook goed, dat het er eindelijk uit kan.
Maar waarom niet eerder? Ze zijn allemaal dood. Ze hebben er allemaal mee gezeten! “

Yosé: Dit is niet specifiek iets van onze congregatie. Het is iets van Nederland. In Nederland is - om verschillende redenen -  weinig ruimte gegeven voor wat in Indonesië gebeurde. De oorlogen in Indonesië hebben geen plaats gekregen in ons publieke bewustzijn, ook al waren het óók Nederlandse oorlogen. Als het over de oorlog gaat, gaat het voor ons idee over wat er in Nederland gebeurde. Dat komt voor het voetlicht. Meestal komen we als ‘slachtoffer”( van de Duitsers)  in beeld. Maar in Indonesië zijn we ook  ‘daders’ geweest. Daar zijn we ons nauwelijks van bewust. Er zijn wel journalisten, en historici geweest, die discussies begonnen over wat Nederland in Indonesië heeft aangericht. Maar het werd telkens weer onder tafel geschoven.

De laatste koloniale jaren: 1937-1942

“Nou, wat de Nederlanders de mensen daar in Indonesië aandeden! Veel weet ik er niet van. We leefden in de eigen besloten kloosterwereld, maar ik heb toch wel wat gezien. Hoe ze omgingen met de Indonesiërs!
Onze school lag naast de Europese school. Als ik op de speelplaats surveilleerde, kon ik zien hoe het daar toeging. Bijvoorbeeld: baboes brachten de kleine jongetjes naar school. Zo’n jochie trok dan zijn jasje uit, en gooide dat op de grond. Kon de baboe het oprapen! Zo vroeg zat dat er al in, bij een kind van 5, 6 jaar. Dan had hij al geleerd dat hij dat niet netjes hoefde aan te geven. Laat maar vallen, die baboe bukt wel.”
terug
 


Koloniale tijd

“In Bangka was de Bankatin, de tinovens. De Chinezen die geronseld werden in China om in de Bankatin te werken mochten hun vrouwen en kinderen niet meenemen. De hele dag werkten de koelies bij die hete ovens. Met natte handdoeken moesten ze hun huis beschermen. Voor zo’n hele dag werken kregen ze dan een kwartje. Dat was ook in 1938 héél weinig geld. Theeplukkers kregen 10 cent per dag.
In de rimboe vlak bij ons klooster was een kamp gebouwd voor de koelies. Dat kon je zelfs geen schuur noemen, het was erger dan een koeienstal.  Een grote ruimte, daarin had iedereen een klein stookgat om zijn potje te koken, en iedereen had een paar planken om te slapen. Dat was het. Allemaal bij elkaar.
Formeel was het niet ons werk, maar de overste ging elke dag bij deze mensen kijken, ze probeerde een beetje te helpen. De lui van de Bankatin kwamen er nooit. De overste kon wat medicijnen krijgen van de Bankatin, dat wel, om een beetje te helpen. Als mensen ziek waren of koorts hadden. Of om hun vreselijke wonden een beetje te verzorgen. Veel mannen moesten ook de ogen gedruppeld hebben vanwege een bepaalde oogziekte.
De overste vroeg me wel eens op zondag, als er geen school was, om met haar mee te gaan. Dan zei ze: “Ik neem wel eau de cologne mee”. Dat was tegen de stank. Er waren mannen bij, die hadden grote vuile wonden over hun hele been. De Bankatin keek er niet naar om.
Die koelies waren andere Chinezen dan de families waarvan wij de kinderen op school hadden. Dat waren Bangka-chinezen, die al generaties lang op het eiland woonden, er waren gekomen als handelslui. Ze hadden bijvoorbeeld winkels. De meesten waren welgesteld.
De koelies werden speciaal voor het werk bij de tinovens uit China gehaald…”
“En hoe ze later de Molukkers hier behandeld hebben. Ze hebben wel voor óns gevochten!”


terug

Nagekomen, ook goed om te weten:

Vlak voor het ter perse gaan van deze brochure kreeg de redactie de informatie door, dat het bestuur van onze congregatie in 1946 wel degelijk besefte wat onze zusters meegemaakt hadden in de kampen en dat dat aandacht nodig had. Zr. Greet Smal weet nog, dat alle families van deze zusters een brief kregen, waarin op de harde kampervaringen gewezen werden.
In het Congregatieblad van december 1945 staat in de rubriek Uit ’t Moederhuis het volgende:
“(…) over de Missie behoeven we U niet veel te vertellen. De Zusters in Indië hebben n.l. een uitgebreid verslag gemaakt over de oorlogsjaren. Het eerste derde deel hebben we ontvangen. In een afzonderlijk daartoe belegde bijeenkomst in de Aula is ’t aan de verzamelde Communiteit voorgelezen, welke voorlezing precies 3 kwartier in beslag nam. De Zusters hadden gevraagd, of er hier een overzichtje van mocht gemaakt worden voor haar resp. familieleden. Nu is ’t volledige overzicht hier zoveel malen getypt (we hebben gebrek aan goede stencils), dat iedere familie er één ontvangt en bovendien circuleren er twee in de huizen de Congregatie. Deze twee verslagen zijn hun rondgang al begonnen en U zult dus allen de volledige belevenissen der Zusters te horen krijgen (…).
Dit geeft aan, dat er bij het toenmalig bestuur van onze congregatie meer besef was voor het doorstane leed dan bij de Nederlandse overheid. Die overheid had haar handen vol met oorlog voeren en had na 1949 weinig ambitie om het thema Indonesië hoe dan ook op tafel te krijgen.
terug

Gevraagd over deze brochure geeft Zr. Marcellina Luders haar mening. Zij meent dat de opdracht tot politionele actie in geen enkel verband staat tot onze opdracht om onderwijs en ziekenzorg te verlenen aan de lokale bevolking van Bangka.
Het is een politieke opdracht, gegeven door de Nederlandse overheid en de onze is een kerkelijke opdracht tot missionering en ontwikkelingswerk. Daarom vindt zij dat de ervaringsverhalen van onze zusters niet goed passen in deze brochure: het haalt twee verschillende zaken door elkaar.
terug


PUBLIEK VERGETEN


30 jaar na de gijzeling in Beilen

In 1977 werd Nederland opgeschrikt door enkele gijzelingsdrama’s. In Beilen werd een school gegijzeld en een trein. Deze gijzelingen bleken een tipje op te lichten van een grote ‘sluier van vergetelheid’. Het maakte iets zichtbaar van onze ongemakkelijke geschiedenis in Indonesië, waar we liever niet aan denken.
In mei 2007 was er een kleine herdenking in Beilen van degenen die de vier dagen gijzeling in de school hadden meegemaakt. Het was een sobere herdenking. Er waren uitingen van ongenoegen: de gemeente wilde niet meewerken aan een monument ter herinnering.
Onbegrip bij de witte Nederlanders. Sommigen suggereerden begrip: “Nou ja, men begreep dertig jaar geleden natuurlijk nog niet dat zo’n ervaring bij je blijft, dat je daar last van houdt.”
Dát begrip lijkt niet terecht, want een ander wist te melden: “O ja, er werden toen meteen een heleboel psychologen op ons afgestuurd, om ons bij te staan. Maar daarna hoorde je niets meer. Groot zwijgen.”

In Beilen leeft een grote Molukse gemeenschap. Het is een van de redenen waarom de gijzelingen dáár plaatsvonden: bij henzelf op de stoep. ‘In eigen huis’, om het zo maar te noemen. In die Molukse gemeenschap zit men niet zo te springen om een monument ter herdenking van de gijzeling. Een groot deel van de Molukse gemeenschap was het met de aanpak van de jongeren die tot gijzelen overgingen, niet eens. Maar ze kenden wel de onvrede die tot de gijzeling leidde: Nederland deed maar niet wat het beloofd had: zorgen voor een eigen onafhankelijke Molukse Republiek. Ze voelen zich bedrogen door Nederland. Daarom willen ze niet de geschiedenis ingaan als gijzelnemers. Dat monument ter herdenking aan de gijzeling zal er dus niet komen. Bovendien, een monument voor vier dagen spanning… er zijn grotere drama’s rond Indonesië die nog geen monument kregen.

De gijzelingen rond Beilen zorgden in 1977 wel heel even voor diepgaande discussie over ons Indonesisch erfgoed. Maar de discussies verstomden gauw. Even werd toen zichtbaar, hoe complex ons koloniaal verleden is. En hoe moeilijk om daarover goed in gesprek te gaan. De discussie verliep als het ware achterwaarts.
Eerst riepen enkele kranten:
“Kom zeg, de Molukkers, dat zijn KNIL-soldaten, ze hebben gewoon de oorlog verloren. Nou zitten ze hier. De wonden likken van hun verlies. Daar moeten ze ons Nederlanders niet mee lastig vallen. Ze moeten hun droom van een eigen Molukse Republiek gewoon opgeven.”

Toen kwam er oog voor de volgende laag:
“Jawel, maar Nederland beloofde ze, vóórdat de vrede met Indonesië werd getekend, dat ze een eigen onafhankelijke Republiek zouden krijgen. Nu eisen ze dat, ze zijn het wachten zat. Probleem is alleen, dat Indonesië dat moet willen, Nederland had dat nooit mogen beloven. Want Nederland ging juist zijn zeggenschap aan Indonesië overdragen.”

Waarop een volgend argument te horen viel:
“Maar het gaat om KNIL-soldaten, ze waren in dienst van Nederland. Ze vochten tegen hun eigen mensen, zeg maar een soort NSB’ers. Daar heeft Indonesië dus geen boodschap aan.” De toon was zo’n beetje, eigen schuld dikke bult.

Enkele tijdschriften doken wat dieper in de geschiedenis:
De bevolking van de Molukken werd in de koloniale tijd door Nederland gedwongen om specerijen te verbouwen, in plaats van voedsel voor zichzelf. Lange tijd lukte die aanplant alleen maar op een deel van deze circa duizend eilandjes. Het was een begeerd product. Portugal, Spanje, Engeland, lokale koninkrijken en China vochten om de heerschappij over deze eilanden vanwege de specerijen. Nederland won het. In de 17de eeuw beheerste Nederland de wereldmarkt, de gulden was wereldvaluta (wat nu de dollar is).
In de 19de eeuw verloren de Molukken hun betekenis, men wist elders specerijen aan te planten. De Molukken verdwenen uit de belangstelling en werden een soort achterbuurt van Indonesië.
Om te overleven lieten de mannen zich recruteren door de Koloniale macht. Zo kwamen ze in het Nederlandse leger, als tweederangs soldaten uiteraard.
Deze kleine geschiedenis van de Molukken laat zien hoe complex situaties zijn. Je kunt niet zomaar oordelen.

Terug naar Beilen. De gegijzelden uit 1977 willen een monument, voor de vier dagen angst die ze beleefden. Dan willen de Molukkers die er wonen ook wel een monument: omdat ze bedrogen werden door de Nederlandse regering en hun land verlieten vanwege een valse belofte. Ze verlieten hun land (eilanden) en zijn het kwijt, voorgoed moeten we aannemen. Uit armoede moesten ze dienen in dat leger van de bezetter. Ze worden voor landverraders uitgemaakt. Ze zijn eeuwen lang koloniaal uitgebuit… Ook dat zou mogen worden herinnerd.

De gijzelingen zijn indertijd redelijk goed afgelopen, al vielen er wel een paar doden. Ze zijn vergeten. Want met die gijzeling kwam een ongemakkelijke discussie boven tafel, waar geen oplossing voor was. Nederland zat niet te wachten op een diepgaand onderzoek naar wat er allemaal gebeurde rondom de onafhankelijkheid van Indonesië. Dus werd besloten te zwijgen, te laten vergeten, weg uit de aandacht.

Onze ongemakkelijke geschiedenis blijft buiten het publieke geheugen.
De Nederlanders die tijdens en na de Tweede Wereldoorlog in Indonesië leefden, werden daar slachtoffer van. Voor hún leed was geen plaats  in het herinneren van Nederlandse geschiedenis. Veel aandacht altijd rond 4 en 5 mei, maar nauwelijks in augustus, de maand dat Indonesië werd bevrijd;   Japan capituleerde; de Tweede Wereldoorlog echt ten einde was. Augustus, de maand ook dat Indonesië zich zelfstandig verklaart en Nederland de oorlog begint. Geen herinneren van de ‘politionele acties’. Pas in augustus 2005 kwam de Nederlandse regering tot een andere houding, mede dank zij minister Bot, die als kind in Indonesië en in het kamp leefde. En de herdenking in augustus krijgt na 60 jaar een officiëel karakter. Een verandering die velen nog ontgaat.

Ook degenen die terugkwamen uit de concentratiekampen delen dit lot: degenen die overleefden wat velen niet overleefden. Ook voor hun leed was geen aandacht. Maar hun verhalen zijn in ieder geval wel aanwezig in het publieke geheugen.
Nederland heeft veel onverwerkte geschiedenis. Veel recente geschiedenis heeft geen plaats gekregen in het publieke geheugen. Met publiek geheugen wordt bedoeld:  alle gebeurtenissen en personen die bijna iedereen kent, bijvoorbeeld: Tweede Wereldoorlog. Koningin Wilhelmina. Moord op Kennedy. Apartheid Zuid Afrika. Val van de muur. Maar andere gebeurtenissen vergeten we, en het zijn enkelingen die het zich blijven herinneren: degenen die het meemaakten en soms een enkele deskundige.

Alleen door veel herhaling blijft iets in dat publieke geheugen hangen. Er zijn verschillende oorzaken waarom sommige gebeurtenissen géén plek krijgen in ons publieke geheugen. Enkele ervan willen we kort bespreken.
terug



Een onderzoek

In Nederland is er na 1945 veel aan gedaan om de Tweede Wereldoorlog en wat daarin gebeurde in herinnering te houden. Elk jaar weer de dodenherdenking en viering van de bevrijding. Tegelijk is er veel niet in herinnering gehouden. We vergeten op heel verschillende manieren. Over dat vergeten wordt ook geklaagd. Een paar groepen kregen het voor elkaar dat hun klacht werd onderzocht: omdat ze met genoeg klagers waren; omdat ze de goede relaties hadden; omdat ze georganiseerd waren.

Zo is er onder de regering van Wim Kok in de jaren 90 een onderzoek gestart naar de klacht, dat de mensen die de concentratiekampen in Duitsland overleefden en naar Nederland terugkeerden, hier slecht ontvangen werden.
In 2001 werd het resultaat van dat onderzoek gepubliceerd in twee delen:
‘De Meelstreep: Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog’, door Martin Bossenbrok en
 ‘Mensenheugenis: Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog; Getuigenissen’, door Hinke Piersma (red.)

Onderzoek was gedaan naar de joden die terugkeerden, naar de politieke gevangenen uit de concentratiekampen en gevangenissen, naar de mensen van het verzet, naar degenen die uit Indonesië terugkwamen.
De conclusie was, dat al die groepen inderdaad erg slecht waren opgevangen na hun terugkeer. De joden trof dit aanvankelijk het ergst. Nederlanders die in de door hen verlaten huizen leefden, keken onaangenaam verrast als de oude bewoners ineens nog levend voor de deur stonden.  Nog levend…
Mirjam Ohringer van het Auschwitzkomité, zat ondergedoken. Ze vertelde hoe ze enkele maanden na de bevrijding op het Museumplein liep. Er stopte een bus. De deuren gingen open. Er strompelden lijkachtige mensen uit. Niemand ving ze op. Ze moesten maar zien waar ze heen gingen.
Er waren ook betere verhalen, mensen die door het Rode Kruis werden opgevangen. Maar ook: in Auschwitz behoorden de Nederlanders die hadden overleefd tot een van de laatste groepen die werden teruggehaald. En ook: in Ravensbrück was Nederland een van de laatste landen die een eigen tentoonstelling inrichtte in het cellenblok dat daarvoor was aangewezen. Dat gebeurde pas in 1987.
Sommigen herinneren zich dat in de jaren 70 en 80 regelmatig discussies opkwamen over een pensioenregeling voor slachtoffers van concentratiekampen. Het waren genante discussies.


terug


Aanpakken

Het onderzoek dat in “De Meelstreep” is vastgelegd, onderschrijft de klacht, zowel van de slechte opvang na de oorlog als van de slechte pensioenregelingen.
De onderzoekers menen dat er over het geheel genomen in Nederland weinig begrip was voor het specifieke en diepe leed van de overlevenden van de kampen en voor de levenslange beschadiging waarmee zij leefden.
Voor de Nederlandse overheid was het ook moeilijk om voor een goede opvang te zorgen. Nederland was als gehele samenleving sterk ontwricht, sociaal en economisch. Er was veel vernield door zware bombardementen op diverse plaatsen en door de ligging aan zee: vaak waren overgebleven bommen afgegooid voordat de vliegtuigen terugvlogen naar Engeland. Er waren veel terugkerende Nederlanders, ook doordat er tegelijk zo velen uit Indonesië terugkeerden.

Een andere belangrijke factor: slecht bestuur
. Er was onenigheid over, wie de verantwoordelijkheid had voor de repatriëring: leger of Rode Kruis.
. Binnen de Nederlandse overheid was onenigheid tussen hen die in kamp Vught plannen hadden beraamd, de verschillende verzetsgroepen en de uit ballingschap terugkerende regering.
. Er waren provincies die de zorg voor repatrianten liever in eigen hand hielden dan het aan het verre Den Haag over te laten.
. Maar vooral ook was er heftig geschil tussen de Nederlandse regering enerzijds en de Geallieerde Raad anderzijds, die repatriëring als een militaire aangelegenheid zag en meende dat hij het moest bepalen.
Al die geschillen binnen en tussen bestuursorganen maakten dat de terugkeer niet soepel werd geregeld en dat de opvang nogal eens haperde. Voor de personen in kwestie kon dat uitermate pijnlijke gevolgen hebben, met name als teruggekeerden hier geen familie (meer) hadden.
Daar kwam dan nog bij, dat de grote vernielingen, de schaarste en chaos bij overheden en besturen van alle rangen en standen leidden tot een mentaliteit van: “Niet zeuren, kiezen op elkaar, we hebben het allemaal moeilijk, schouders eronder, opbouwen. Meebouwen! Aanpakken!”
Dit “samen de schouders eronder” gaf een warm gevoel aan hen die samen de oorlog hadden doorleefd. Tegelijk sloot het degenen buiten die de oorlog op een andere wijze hadden overleefd: in concentratiekampen, gevangenis, verzet. En vooral in Indonesië. Het was ver weg en sloot niet aan bij het algemene gevoelen. Bovendien herinnerde het al gauw aan een verloren oorlog en werd weggemoffeld.


terug
Eén publiek verhaal

In de kringen van overlevenden van concentratiekampen is bekend, dat binnen die kampen over het algemeen de politieke gevangenen het beste wisten te overleven, lichamelijk en psychisch. Ze zochten elkaar op, waren elkaar tot steun en trokken elkaar erdoor. De gezamenlijkheid gaf een bepaalde kracht. Degenen die om welke reden ook niet tot een groep behoorden, raakten veel zwaarder beschadigd of overleefden niet.

Binnen Nederland gebeurde er iets dergelijks. Juist de groepen die in de oorlog het zwaarste geleden hadden, konden zich steeds minder herkennen in het grote Nederlandse gevoelen rondom de oorlog.
. Veel mensen uit het verzet waren gedesillusioneerd door het na-oorlogse Nederland, met name toen Nederland een oorlog tegen Indonesië begon. Het communistische verzet, dat het sterkste was geweest, viel al in 1946 uit de gratie omdat in de Tweede Kamer alleen de communistische partij openlijk tegen de oorlog met Indonesië was. Dat werd als landverraad gezien en de communistische partij verloor dat etiket nooit meer. Veel Nederlanders realiseren zich nu niet meer dat de verzetskern juist in deze groep te vinden was.
. De mensen die de concentratiekampen hadden overleefd, wisten niet hoe ze over hun verschrikkelijke ervaringen moesten communiceren. Het was te erg. Teruggekeerd, waren ze vaak ook totaal vervreemd van hun familie. Er waren veel echtscheidingen in deze kringen. In de kerken werd – als het om christenen ging -  daar veroordelend op gereageerd.

. De mensen die uit Indonesië terugkeerden, kwamen al helemaal uit een andere wereld. In Nederland werd het bevrijdingsverhaal al gauw een officiëel geredigeerd verhaal. Dit publieke verhaal ging over wat hier was gebeurd en wat Nederland in de herinnering wilde vasthouden. Over Indonesië was al gauw niets anders meer in de aandacht dan de oorlog die gaande was.  Er werd massief gerekruteerd voor soldaten. Voor de gerepatrieerden die uit de Jappenkampen en uit die oorlog kwamen was er minimale aandacht. Toen Nederland op 27 december 1949 de onafhankelijkheid van Indonesië eindelijk erkende, werd het hele thema Indonesië taboe.

De mensen die in het verzet, in de concentratiekampen en in de Jappenkampen hadden overleefd, raakten enerzijds in een isolement omdat ze hun ervaringen nauwelijks konden verwoorden, en niet konden delen met de directe omgeving. Ze raakten bovendien in een isolement, omdat ze in het publieke verhaal niet meer voorkwamen of zich niet herkenden. Het gevoel dat hun leed én hun kracht om te overleven niet werd erkend, is breed aanwezig in deze groepen.
Het boek “De Meelstreep” zegt daarover:
“Als de oud-illegalen zich meenden te kunnen beroepen op hun hoofdrol in de nationale verzetsmythe, kwamen ze bedrogen uit. Zeker, een klein maar onverschrokken volk, door een vaderlandslievende keurbende aangevoerd in de strijd, waardoor het verzet groeide en groeide. Dat was de van overheidswege zorgvuldig opgebouwde nationale herinnering. Dat was het beeld dat in het collectieve geheugen werd gegrift… In de reconstructie van het oorlogsverleden werd ‘het verzet’ opgepoetst tot een keurmerk voor de hele samenleving. In de feitelijke wederopbouw van de naoorlogse tijd zit de verzetsstrijder in het verdomhoekje van het oorlogsverleden.” (pag 489)

Direct na de Tweede Wereldoorlog werden de geallieerden bovendien vijanden en begon de Koude Oorlog. Alleen de Amerikanen werden voortdurend als de bevrijders genoemd. Dat Nederland ook door Canadezen en Polen werd bevrijd, ligt niet zo vóór in het geheugen.
In Indonesië waren het Engelse en Australische soldaten, maar in onze publieke geschiedschrijving wordt dat zelden benoemd.
De meeste overlevenden van concentratiekampen werden door de Russen bevrijd. Dat mocht al helemaal niet gezegd worden.
Wie de grote bevrijders na die vijf jaar bezetting werden genoemd, is sterk bepaald door politieke belangen van ná de oorlog: het NAVO-bondgenootschap, en Nederlands behoefte om met de Verenigde Staten goede (handels)relaties te hebben.
De Verenigde Staten gaven bovendien aan de West-Europese landen Marshallhulp. Mét die hulp werd ook de duiding van de geschiedenis gegeven.


terug
Geen erkenning

Ook de gang van zaken rond de pensioenen werd kritisch onder de loep genomen in het onderzoek dat “De Meelstreep” beschrijft. Pas vrij laat, in de jaren zeventig, kwam er in Nederland een procedure op gang om mensen die in de Tweede Wereldoorlog beschadigd raakten, een soort pensioen te geven. Er ontstond veel gehakketak. Feitelijk werd degenen die het betrof opnieuw veel leed berokkend.
In “De Meelstreep” wordt aangegeven, dat er een fatale vorm van bureaucratisering plaatsvond, met verkeerde bewijslast, en gebrek aan inzicht in wat de overlevenden van verzet en kampen echt nodig hadden.
Hen ging het niet allereerst om geld, om een schadevergoeding. Het ging hen allereerst om erkenning. In de hele procedure van pensioen aanvragen, en wel of niet toekennen ontbrak die erkenning. Integendeel: velen voelden zich miskent.

Wat namelijk gebeurde, was de omgekeerde bewijslast. Een schadevergoeding werd niet toegekend omdat iemand had geleden in een kamp, maar als iemand kon aantonen dat hij/zij (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt was op basis van het kampverleden. De hele vraag van de schadeloosstelling voor het leed werd dus gereduceerd tot de vraag van het nut voor de samenleving. Het oorlogspensioen werd gereduceerd tot een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
De psychiaters die indertijd van overheidswege deelnamen aan die onderzoeken, stelden dat het erg moeilijk was om na zoveel jaren (30 jaar) nog zeker te kunnen zijn dat een bepaalde arbeidsongeschiktheid direct verband hield met de kampervaringen. En adviseerden daarom veelal negatief.
Het onderzoek “De Meelstreep” van de jaren 90 gaf aan, dat daarmee een fundamentele fout was gemaakt, om twee redenen. Precies in de jaren 70 werd helder, dat de ergste psychische gevolgen van de kampervaringen juist pas na zoveel jaar uitbraken en de mensen veel problemen gaven.
Maar vooral: de overheid had de vraag om de oorlogspensioenen nooit mogen koppelen aan de vraag van de arbeidsongeschiktheid. De overlevenden van de kampen hadden enige vorm van schadeloosstelling dienen te ontvangen als blijk van erkenning voor het ervaren leed. De vraag van arbeidsgeschiktheid had daar los van moeten staan. Ze hadden nooit onderworpen mogen worden aan een bewijslast, in welke mate ze wel geleden zouden hebben (of niet). De bureaucratische procedures met vaak een negatieve beslissing had op de slechts denkbare wijze vreselijke herinneringen boven gehaald. En het eindoordeel werd veelal ervaren als weer een ontkenning van wat de mensen hadden moeten doormaken. Zowel hun leed als hun overlevingskracht werd miskend. Zo voelde dat.

De resultaten van het onderzoek werden in het najaar van 2001 aangeboden aan minister-president Wim Kok. Hij beloofde dat de regering zich de bevindingen zou aantrekken. Enkele maanden later verscheen het grote onderzoek over Srebrenica, en de regering Kok trad af. Zeer turbulente verkiezingen met Pim Fortuyn leverden uiteindelijk een regering op die met harde hand ging snijden in alle wao-regelgeving. Pensioenherziening voor de laatste nog levende kampoverlevenden was van de baan.
Bovendien was het politieke wereldbeeld veranderd. Er waren twee vliegtuigen in de WTC torens in New York gevlogen. President Bush verklaarde de “oorlog tegen het terrorisme” en viel Afghanistan en anderhalf jaar later Irak binnen. Nederland ging mee in die oorlogen. De late maar zorgvuldige aandacht voor de laatste overlevenden van de kampen uit de Tweede Wereldoorlog verdween naar de achtergrond.


terug
Nog een onderzoek

Ook een degelijk onderzoek over ons eigen oorlogsverleden kreeg geen aandacht omdat de wereld in de ban was van de ‘nieuwe oorlog’. Het politieke klimaat zat tegen.
In 2002 werd een ander onderzoek afgerond, voor een proefschrift. Stef Scagliola publiceerde haar onderzoek onder de naam “Last van de oorlog. De Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië en hun verwerking” (uitgeverij Balans). Dit onderzoek maakt helder waarom het de mensen uit Indonesië nog veel slechter verging dan de teruggekeerden uit nazi-kampen.
Toen de oorlog hier in Nederland beëindigd was, begon Nederland de oorlog met Indonesië, om te voorkomen dat het onafhankelijk zou worden. Dat gegeven bepaalde de toon over Indonesië, het bepaalde de toon in Nederland.
Alle politieke inspanning vlak na de Tweede Wereldoorlog richtte zich op het behoud van de kolonie. En alle politieke aandacht ging ernaar uit enthousiasme te vinden bij de jongens die moesten gaan dienen en bij hun families. Allen werden gesommeerd zich achter de oorlog te scharen. Die propaganda, in het jasje van een heldenrol, liet weinig ruimte aan degenen van de bevolking die oorlogstrauma’s te verwerken hadden.
Een land dat een oorlog voert en daar enthousiaste militairen en enthousiaste families van militairen voor nodig heeft, kan niet tegelijkertijd veel aandacht geven aan oorlogstrauma’s. Zo was dat in 1945 en daarna en zo is dat weer in 2002 en daarna.
 
Voor wat betreft Indonesië, ging alle publieke aandacht dus naar het behouden van de kolonie. Nederland was wéér in oorlog, maar in een andere rol. In 1947 kwamen de eerste berichten over oorlogsmisdaden. Daarover moest gezwegen worden. Toen Indonesië onafhankelijk werd was het onderwerp taboe.
Er volgden lange jaren van zwijgen en bijna zwijgen. Alle groepen die op zeer verschillende manieren met Indonesië te maken hebben gehad, werden door dat zwijgen geraakt: overlevenden van de Jappenkampen, ‘Troostmeisjes’, veteranen, Indonesiëweigeraars, dienstweigeraars, Molukkers (KNIL-soldaten en familieleden).


terug  


DE OORLOG 1945-1949
Kroniek: gegevens uit Keesens Archief


1945, 14 augustus:  Japan capituleert
17 augustus: Soekarno roept de Republiek uit
3 september: Admiraal Mountbatten beveelt de Japanners om de Indonesische Replubiek te ontbinden.
12 september: Japanse capitulatie in Zuid Oost Azië
29 september: Britse troepen landen te Batavia
16 oktober: begin van een lange reeks Nederlandse verklaringen. Nederland stelt voedselboycot in
25 oktober: hevige gevechten in Soerabaja
2 november : Times meldt: Nederland lokt gewapend conflict uit
30 november: Nederlandse ex-geinterneerden keuren Nederlands beleid af dat slechte voormalige leiders in functie herstelt.
24 december: Het Indonesische volksleger mag Japanse leger ontwapenen
27 december: Mislukte aanslag op Sharir, de man naast Soekarno
30 december: Nederlandse mariniers landen te Tandjong Priok

1946, 3 januari: 1946 eerste gerepatrieerden arriveren in Nederland
2 maart: Nederlandse troepen landen op Bali
8 maart: kleine Soenda-eilanden bezet door Nederland
9 maart: negen bataljons Nederlandse troepen landen op Java
25 maart: nog steeds 26.000 Japanezen in Midden-Java
27 maart: Nederlandse strijdkrachten landen op Lombok
9 april: Indonesische luchtmacht opgericht
20 april: Sumatra geeft zich status van autonome provincie
23-24 april: Nederlands-Indonesische bespreking
2 december: inmiddels 13.373 Indonesiërs gesneuveld, 15 maal meer dan aan Britse en Nederlandse zijde
11 december: staat van beleg op Celebes. december-februari 1947: Kapitein Westerling treedt meedogenloos op tegen opstandelingen. Veel standrecht (op straat neerschieten, op verdenking van rebel zijn)
12 december: Soendanese Volksbeweging eist een vrije staat
20 december: Tweede Kamer keurt regeringsbeleid goed

1947, 5 februari: Nederlandse troepen bezetten Krian op Java met zware wapens
12 februari: Indonesische legerleiding beveelt “staakt het vuren”
25 februari: Soekarno vraagt vertrouwen in Indonesische capaciteit
3 maart: Indonesische vakbeweging nodigt Nederlandse vakbeweging uit
8 maart: Nederlandse journalisten melden: de wens naar vrijheid leeft breed in de Indonesische bevolking, niet enkel bij dunne bovenlaag
12 maart:  Republikeinse regering klaagt over handelsboycot door Nederland
15 maart: Arabische staten erkennen de Republiek
17 maart: Nederland bezet Republikeins gebied op Soerabaja
25 maart: Nederland erkent Republikeins gezag op Java, Madura, Sumatra
22 april: eerste zitting Parlement Oost-Indië
3 mei: Sumatra verklaart zich autonoom gewest
6 mei: Soendanezen op Java proclameren zich onafhankelijk van Indonesische Republiek
13 mei: West-Borneo officieel autonoom gebied, contact met Republiek
13 mei: Molukken, Minahassa en Timor wensen eigen status
23 mei: staatsgreep Soendaneze Volkspartij
27 mei: Nederland stelt ultimatum aan Republiek
3 juni: Indonesisch leger ingesteld
12 juni: 89.178 Nederlandse soldaten op Java en Sumatra
24 juni: bestuur in Oost-Indonesië aan Republiek overgedragen
5 juli: Republiek vraagt bemiddeling VS.
10 juli: minister-president Beel stelt dat Nederland moet gaan handelen

20 juli: Nederlandse soldaten gaan op alle fronten in de aanval. Dit worden de 1ste ‘politionele acties’ genoemd
21 juli: twee personentreinen gebombardeerd
24 juli: 20.000 mensen demonstreren in Amsterdam tegen de oorlog
1 augustus: VN Veiligheidsraad eist onmiddellijk staken vijandelijkheden
5 augustus: om middernacht einde ‘politionele acties’
20 augustus: er zijn nog steeds schermutselingen
29 augustus: Nederland aanvaardt VN-resolutie, en houdt vast aan verantwoordelijkheid in Indonesië

schermutselingen gaan voort: aanslagen, kampongs afbranden, over en weer doden, martelen. Eerst schieten dan praten.
19 december 1948-5 januari 1949 2de ‘politionele acties’.
“Militair was zij even omvangrijk als de eerste, maar aanzienlijk grimmiger: de bevolking zelf werd als vijand gezien. “We schoten op alles wat bewoog.” Het militaire doel: het innemen van Yokyakarta, werd vlot, nl. op 19 december, bereikt. De regeringsleiders werden gevangen genomen en afgevoerd naar Brastagi op Sumatra. Maar de guerrilla woedde voort. Er werden aanzienlijke verliezen geleden.
Politiek was zij een catastrofe. De tactiek was om te profiteren van het kerstreces van de Veiligheidsraad en in de tussentijd een snel militair succes te behalen, om vanuit een fait accompli internationaal te kunnen onderhandelen. Daar kwam geen spaan van terecht. Alle leden spraken al op 28 december 1948 een vernietigende veroordeling van de aktie uit, die algemeen als een schending van het Renville-bestand werd gezien. Tot heftige verontwaardiging van de Nederlandse delegatie ging de Australische afgevaardigde zo ver om te zeggen dat hetgeen Nederland tegen de Republiek had gedaan erger was dan hetgeen Hitler tegenover Nederland had gedaan.” (bron: WEBSITE Universiteit van Amsterdam)

In mei 1949 komt een akkoord over de onafhankelijkheid tot stand.
Op 27 december 1949 vindt de soevereiniteitsoverdracht plaats. Tot 2004 zal Nederland deze datum zien als formele datum voor de onafhankelijkheid van Indonesië.


terug
 
PUBLIEK ONTKENNEN:

Overlevenden van de jappenkampen

Voor de overlevenden van de Jappenkampen was er in de loop der jaren wel af en toe enige aandacht in het publieke verhaal. Maar de aandacht was beperkt. In de publieke herinnering realiseren weinigen zich, dat gerepatriëerden uit Indonesië in augustus hun bevrijding herdenken. Deze groep organiseert zelf jaarlijks een nationale herdenking, pas sinds 2005 met een officieel karakter.
De Birmaspoorweg en wat daar gebeurde kreeg langzamerhand wel aandacht en bekendheid. Maar ook die bekendheid beperkte zich tot geïnteresseerden.
Sinds enkele jaren neemt de publiciteit rond de “Troostmeisjes” toe. Met ‘Troostmeisjes’ wordt bedoeld: jonge vrouwen in de Jappenkampen, die werden aangewezen voor het seksuele vermaak van de Japanse soldaten. Nederland werkt er aan dat Japan deze oorlogsmisdaad erkent en zich verontschuldigt. De houding van Japan is wisselend: weigering, ontkenning, toch erkenning. Dit haalt soms het nieuws.

Als Nederlanders weten we veel over het leed binnen Nederland in de oorlog. Ook is algemeen veel bekend over wat er gebeurde in de concentratiekampen van de nazi’s. Samen herdenken we dat jaarlijks. Jaarlijks zijn er radio- en televisieprogramma’s in mei.  Veel minder vaak horen we over wat de mensen in de Jappenkampen meemaakten. Dat de Nederlanders in Indonesië in Jappenkampen geïnterneerd waren, weten velen niet of nauwelijks. Je kunt rustig zeggen: dat werd niet gegrift in de publieke herinnering. De aandacht werd ervan weggeleid. De oorzaken daarvoor werden al besproken:
. Nederland was behoorlijk beschadigd, de chaos was groot.
. In het naoorlogse “Samen aanpakken, samen weer opbouwen, samen bevrijd” is geen ruimte voor kleine groepen met andere verhalen.
. Het gemeenschappelijke leed werd gemeenschappelijk verwerkt in de grote georganiseerde herinnering zonder veel ruimte voor specifiekere oorlogservaring.
.In de eerste jaren na de oorlog stond Indonesië vol in de politieke aandacht, maar dan vanwege de oorlog.
. Toen Indonesië onafhankelijk was geworden, werd het gesprek over de ex-kolonie vermeden omdat er binnen Nederland te veel tegenstrijdige gevoeligheden waren rond Indonesië.

Indonesië was explosief als thema. Daardoor verdween ook de aandacht voor de overlevenden van de Jappenkampen.
De gijzelingen bij Beilen zetten Indondesië voor het eerst weer op de kaart van het politieke debat en de publieke opinie. Maar dat debat werd ingeperkt en zakte snel weer in.
terug

                              ( Naweeëen van een ontkende oorlog:)

Molukse gemeenschap

Door de gijzeling bij Beilen in 1977 kwam er aandacht voor de Molukse gemeenschap. Hen was tegen het einde van de “politionele acties” een onafhankelijke Molukse Republiek beloofd. In 1977 was de derde generatie aan het opgroeien. Men voelde zich bedrogen, een vergeten groep. Bovendien leefde een groot deel van de gemeenschap  anno 1977 nog steeds in tijdelijke opvang: in kamp Vught en op andere plekken, in afwachting van hun terugkeer naar hun eigen eilanden.
De gijzeling bij Beilen bracht uiteindelijk vooral publieke aandacht voor de vraag van de integratie van deze groep. Politiek moest erkend worden dat zo’n zelfstandige republiek nooit zou lukken. Er werd gewerkt aan betere behuizing voor de Molukse gemeenschap. Er werd gewerkt aan een duurzaam verblijf, aan vernederlandsen, aan vaste banen. Politiek Den Haag ging in gesprek met de Molukse gemeenschap IN NEDERLAND.

De andere groepen bleven buiten de aandacht en Nederland hoefde zijn geschiedenis met Indonesië nog niet te herschrijven.
terug
 

KNIL-soldaten

Bij het KNIL dienden niet alleen Molukkers. Ook veel “Indische” mannen waren lid van het KNIL. “Indische” mensen waren nakomelingen van gemengde huwelijken tussen Indonesiërs en Nederlanders. Beide groepen meden elkaar, ook hier in Nederland. De “Indische” mensen verweten het de Molukkers na die treinkaping dat ook zij erop werden aangekeken, omdat wij Nederlanders al die groepen niet weten te onderscheiden.
Met name onder de “Indische mensen” waren er veel, die aanvankelijk in Indonesië bleven na de onafhankelijkheid. Zij zagen dat als hun land. Door veel Indonesiërs werden ze echter als “Hollanders” en “kolonialen” gezien. In het onafhankelijke Indonesië hadden ze het moeilijk om een behoorlijke baan te krijgen. Met name in deze groep vinden we de “spijtoptanten” die in de jaren 50 alsnog naar Nederland kwamen. Hier werden ze stevig gediscrimineerd als Indonesiërs. Ook zij verloren een vaderland.
terug
 

Veteranen

Het oorlogsleed rondom de ‘politionele acties’ is velerlei. In de publieke ruimte was er de meeste aandacht voor de veteranen en hun leed. Die aandacht was dan vooral: begrip vragen voor hun trauma’s en dus geen lastig debat voeren.
Debatten over de ‘politionele acties’ zijn inderdaad lastig, omdat er zeer uiteenlopend is en nog wordt geleden.

Er zijn families die hun zoon, man, broer hebben verloren in die jaren. Zij bleven achter met grote vragen:
‘was dat nou nodig geweest?’
‘Was het voor niets, we konden Indonesië toch niet behouden?’
‘Had de regering dat niet kunnen weten, waarom zoveel jongens opofferen?’
Er zijn er ook die hetzelfde gevoel kregen als veel Duitsers: ‘onze man, broer, vader is gestorven voor een slechte zaak.’
Dat is bitter. Niemand werd geholpen om het te verwerken. Dat moest maar ieder voor zich in stilte doen. Indonesië was ‘out’.

Er zijn de mannen die levenslang invalide uit de oorlog terugkeerden. Zij worstelen met dezelfde vragen. Ook zij hadden de bittere ervaring, dat er nadien voor hen geen begeleiding was om het te verwerken. Ze waren verliezers. Sommigen voelden zich afgewezen omdat ze als soldaat ‘niet geslaagd waren, geen succes hadden gehad’. Anderen voelden zich verraden omdat ze zich misbruikt voelden voor een slechte zaak en dan ook nog in de steek werden gelaten.
Er zijn de veteranen die al in de jaren dat ze in Indonesië waren teleurgesteld raakten, ontgoocheld, verbitterd. Ze maakten mee hoe kameraden gruwelijk geweld gebruikten tegen onschuldige burgers, of tegen krijgsgevangenen.
Degenen onder hen die probeerden dat te rapporteren naar Den Haag, merkten dat dat niet zomaar ging. Soms wilden hun officieren daar te velde het niet doorgeven. Soms wilde de gouverneur het niet naar Nederland melden. Soms wilde Den Haag het niet horen, omdat het in Nederland niet bekend mocht worden: het volk moest de oorlog blijven steunen.
Enkelen hebben in de jaren 60 en 70 geprobeerd publieke aandacht te krijgen voor de oorlogsmisdaden in Indonesië. Ze werden onmiddellijk door veteranengroepen aangepakt als verraders, nestbevuilers. Zo bracht in 1969 Hueting naar buiten aan welke oorlogsmisdaden hij en zijn collega’s zich hadden schuldig gemaakt. Hij kreeg de volle laag als verrader.

Er zijn de veteranen die overtuigd blijven een goede zaak gediend te hebben. Ze hebben voor hun vaderland gevaren geriskeerd, zijn gewond geraakt, hebben kameraden verloren. Hun opvatting is: “Natuurlijk gebeuren er in een oorlog gruwelijke dingen, het is oorlog.  Wie daar achteraf over klaagt is een watje en beseft niet wat oorlog is.”  Ze weigeren een debat over oorlogsmisdaden toe te laten, omdat ze het niet verdienen als misdadigers te worden nagewezen.
Deze laatste veteranengroep heeft verhinderd dat Poncke Prinsen nog eens naar Nederland mocht komen. Poncke Prinsen is als Nederlands soldaat in Indonesië gedeserteerd en heeft zich bij de bevrijdingsstrijders gevoegd. Daarop stond toen de doodstraf.
terug
 

Dienstweigeraars

Nederland kende al vanaf 1923 de mogelijkheid van dienstweigering.  Dat was mogelijk op basis van gewetensbezwaren: religieuze of morele bezwaren. Politieke bezwaren werden niet erkend. Na de Tweede Wereldoorlog waren er maar weinig organisaties die principiële dienstweigeraars wilden ondersteunen. Het grote argument was: “Wie had ons dan van Hilter bevrijd”. Er was een antistemming tegen pacifisten. Dienstweigeraars werden alleen door de Doopsgezinden, Kerk en Vrede en de socialistische Algemene Nederlandse Vredes Actie gesteund.
(Helemaal zuiver is dat argument over Hitler niet. Duitsland mocht zich na 1918 niet meer bewapenen. Juist in 1933 werd dat weer wel toegestaan door de Volkenbond. Toch was toen al helder wie Hitler was. Maar Engeland en Frankrijk hadden groot belang bij opvoering van hun bewapening: door de wapenindustrie werd economische groei bevorderd. Daarom lieten ze Hitler begaan met zijn wapenopbouw.)

Voor de oorlog tegen Indonesië werd in Nederland heel zwaar gerecruteerd. Wie niet wilde dienen, werd op de radio dagelijks als volksverrader of slappeling afgeschilderd.
Desondanks meldde zich vanwege de oorlog met Indonesië een heel grote groep als dienstweigeraar. De dienstweigeraars kwamen voor strenge commissies. De regering maakte het hen zo moeilijk mogelijk. Als ze eenmaal als dienstweigeraar erkend werden, werden ze op andere wijze te werk gesteld. Een grote groep kwam in kamp Vledder terecht, op de Drentse heide voor ontginningswerk. Een andere groep kwam in de Noordoostpolder voor vlastrekken. Deze vervangende dienstplicht duurde drie tot vier jaar.
terug
 

Indonesiëweigeraars

Vanwege de oorlog met Indonesië kwamen er echter ook politieke weigeraars. Zij noemden zich Indonesië-weigeraars.
Deze groep werd bijzonder slecht behandeld.  Ze kwamen voor de krijgsraad. Hun motief was van politieke aard, het was geen algemeen pacifistisch gewetensbezwaar. Ze wensten niet mee te doen aan de oorlog tegen Indonesië. Het belangrijkste motief was: “Ik ga in Indonesië niet doen wat de moffen hier bij ons hebben gedaan.”
Er werden psychologen bijgehaald. In die rapportages heet het ‘dat het gaat om jongens die niet weg willen bij moeders pappot. Angst voor het vreemde.’ Zij werden als psychisch zwak aangeduid. Dat beeld wordt nog steeds ook onder wetenschappers overgenomen.
Deze jongens kwamen in interneringskampen. Feitelijk betekende het, dat ze in dezelfde strafkampen terechtkwamen waar veroordeelde NSB-ers zaten. Dát is wat tot op heden het meeste steekt.
Veel van die Indonesië-weigeraars hadden gedurende de oorlog in het actieve verzet gezeten. En nu werden ze met NSB-ers op één hoop gegooid als landverraders. Bovendien werden ze slechter behandeld dan de veroordeelde NSB-ers. Voor de NSB-ers was er een soepele bezoekregeling, maar voor de Indonesië-weigeraars was die er niet. En de NSB-ers kwamen allemaal vervroegd vrij, op 2/3 van hun straf. De Indonesië-weigeraars moesten de straf, meestal vijf jaar, tot op de laatste dag uitzitten.
Tot op heden werden deze mannen nooit gerehabiliteerd. Ze konden hun leven lang geen baan krijgen in overheidsdienst.
Dienstweigeraars die niet erkend werden en volhardden in hun weigering, kwamen ook voor de krijgsraad. Zij werden behandeld als Indonesië-weigeraars.

Ondanks die zware behandelingen waren er veel weigeraars. Aanvankelijk waren er 30.000. Met beloften en dreigementen in een lange procedure – tot op de boot toe - slonk dat aantal uiteindelijk tot 3.000.
De angst voor desertie was groot bij de overheid. De spoorlijnen waarlangs de treinen met rekruten naar de haven gereden werden, werden zwaar bewaakt door soldaten met geweer in de aanslag op korte afstanden van elkaar.

terug

                                           (Doofpotmentaliteit )

Er is veel gebeurd in en rond Indonesië, dat publieke aandacht zou moeten hebben. Het is deel van ons verleden. Nederland als land en als volk zou dat moeten erkennen, verwerken, rechtzetten, weten.
De discussie om eerherstel voor de Indonesië-weigeraars wordt nog steeds in heel kleine kring gevoerd. Weinigen wagen zich eraan in het openbare debat. Intussen zou het voor de meesten postuum zijn.
Over wat er in Indonesië aan gruweldaden is gebeurd, zijn wel onderzoeken verricht. In een kleine kring zijn die onderzoeken bekend,
bij enkele geïnteresseerde journalisten, bij historici.
De organisaties van veteranen hebben zich altijd heftig geweerd tegen onderzoek naar ‘oorlogsmisdaden’. En er waren altijd politici die hen hielpen. Met het argument dat men geen oude wonden mag openscheuren, wist politiek Den Haag de discussie altijd weer te stoppen.

Lou de Jong kreeg opdracht ook een deel van zijn historisch werk te schrijven over Indonesië. Zijn eerste concept in 1987, waarin hij een hard oordeel had over de Nederlandse wandaden, lekte voortijdig uit. Hij kreeg felle commentaren en moest zijn conclusies afzwakken. Daarover ontstonden weer debatten. Er waren historici die spraken van een doofpotcultuur.

terug

Zwijgcultuur


In haar onderzoek “Last van de oorlog”  geeft Stef Scagliola aan hoe het komt dat de discussies altijd weer verstomden en onze geschiedenis in Indonesië niet doordrong in het publieke geweten van Nederland. Er is geen publiek daderbesef, terwijl er genoeg bekend is over de ellende die Nederland aanrichtte in die ‘politionele acties’. Over de 400 jaar kolonialisme hebben we het dan nog niet.
Ze stelt dat er niet een heel bewuste doofpot is. Maar, zegt ze, er werken een aantal dingen samen waardoor politici gemakkelijk de discussie weer onder tafel kunnen werken als die te lastig wordt.  En, een andere conclusie is: vooral politici hebben belang bij het zwijgen. Zij namen de beslissing tot de oorlog en zij zwegen tijdens de oorlog over de misdaden. Zij gingen door met de oorlog.
Zowel bij media als politici werd aandacht voor die geschiedenis afgehouden: kennis over wat toen gebeurde zou niet helpen bij actuele besluiten om oorlog te gaan voeren.
terug



Geen eiser

Stef Scagliola onderzocht hoe het mogelijk was dat Nederland langs zijn geschiedenis kan heenkijken. Duitsland wilde ook niet aan zijn verleden, maar heeft er zich uiteindelijk over gebogen. Er zijn weinig landen die hun verleden erkennen waarin ze een gewelddadige daderrol hadden.
Dat Indonesië kan worden weggehouden uit ons publiek geweten komt eerst en vooral omdat er geen eiser is. Indonesië is ver weg. Bovendien had met name de regering Soeharto geen belang om over oorlogsmisdaden te spreken. Want toen Soekarno door Soeharto werd afgezet in 1966 zijn er tienduizenden Indonesiërs vermoord.
De Soekarno-regering op haar beurt had na de onafhankelijkheid alle kracht nodig voor de vorming van een nationaal bewustzijn. En ook zijn mensen hebben in de bevrijdingsstrijd geweld gebruikt tegen de burgerbevolking.
De Molukse gemeenschap in Nederland wilde ook geen discussie over oorlogsmisdaden, want de KNIL-soldaten waren vaak nog wreder dan de Nederlanders: ze hadden meer te verliezen.
Dus: er was geen collectief slachtoffer om Nederland aan te klagen. Daardoor is in Nederland nauwelijks iets bekend over de oorlogsmisdaden die door ons gepleegd werden tegen de burgerbevolking en de rebellen.

Stef Scagliola onderzocht precies wat er met de discussies gebeurde.
Al in 1947 doken berichten op over ‘excessief geweld’. De politici hielden dat buiten de publiciteit. In oorlogstijd wil je geen discussie over schending van oorlogsrecht, want je moet de steun van het volk houden. Het gevolg daarvan was ook, dat politici in Nederland de ernst van de situatie ontkenden, en soms tot verkeerde maatregelen besloten. Gevolg: de soldaten ginds liepen nog meer gevaar. Om zichzelf te beschermen, gingen zij op hun beurt nog meer geweld gebruiken.

Het is altijd een politieke beslissing om oorlog te voeren, en om het geweld op te voeren. Militairen voeren uit. Maar politici zijn verantwoordelijk. Alle grote partijen waren verantwoordelijk voor de beslissingen rond Indonesië, en allemaal wilden ze later geen discussies.
Er ontstonden vier grote discussies, die alle weer snel verstomden.
. In 1969 bekende Hueting als veteraan zelf aan welke gruwelen hij had meegedaan. Men vond hem een verrader.
.In 1984 verscheen een historisch onderzoek over de Celebes-affaire 1946-1947. Het werd als incident of als leugen afgedaan.
. In 1987 gaf Lou de Jong een hard oordeel over Nederlands optreden in Indonesië. Hij moest het intrekken.
In 1994 ontstonden discussies naar aanleiding van Poncke Prinsen. De politiek zette zich weer schrap, maar de discussie komt sindsdien telkens weer op in kleine kring.
terug
 

Diplomatieke erkenning van schuld

De discussie over oorlogsmisdaden is nog nooit een nationaal thema geworden. Bij elke nieuwe poging ons verleden met Indonesië ter sprake te brengen, gaat de grote media-aandacht uit naar het sensationele. De militairen staan telkens centraal in de discussie. De veteranen weigeren dat. De discussie over de politieke beslissingen en de politieke fouten kan op die wijze vermeden worden.
De daderrol van Nederland tegenover Indonesië is allereerst een politieke zaak, en dan een publieke. Erkennen van politieke fouten. Onderzoeken van de eigen geschiedenis als natie. “Als natie je eigen geschiedenis kennen. Daar wordt een land sterk van.”
Een eerste politieke stap is gezet in 2005, op diplomatiek niveau.
. Prins Willem Alexander gaf woorden aan dit probleem bij de herdenking van 400 jaar betrekking tussen Nederland en Japan:
`Wij herdenken het verleden niet alleen om zichzelf, maar ook omdat het ons inzicht biedt in onze huidige situatie en in onze toekomstige uitdagingen en mogelijkheden. Daarbij moeten wij niet de donkere bladzijden vergeten in onze gezamenlijke geschiedenis waarin we tegenstanders waren (...), zodat we ermee in het reine komen en zodat we onze speciale relatie kunnen vernieuwen en versterken.' Deze woorden worden in discussies rond Indonesië soms geciteerd, zoals toen Amsterdam over zijn Van Heutz-monument op de Apollolaan nadacht. Van Heutz was generaal in Indonesië.
   
. Minister Bot betuigde als minister van Buitenlandse Zaken bij de augustusherdenking in 2005 spijt:
“Om de relatie tussen Indonesië en Nederland verder te intensiveren is het behulpzaam om wat er nog resteert aan oud zeer weg te nemen, althans voor zover wij dat als Nederlanders in onze macht hebben. Daarom zal ik als vertegenwoordiger van ons land (…) nog vandaag het vliegtuig nemen (…) Op 17 augustus zal ik dan ons land vertegenwoordigen bij de Indonesische herdenking van de op 17 augustus 1945 uitgeroepen onafhankelijkheid. Ik zal aan het Indonesische volk uitleggen dat mijn aanwezigheid mag worden gezien als een politieke en morele aanvaarding van die datum. (…)
Aanvaarding in morele zin betekent ook dat ik mij zal aansluiten bij eerdere spijtbetuigingen over de pijnlijke en gewelddadige scheiding der wegen van Indonesië en Nederland. (…)
Door de grootschalige inzet van militaire middelen kwam ons land als het ware aan de verkeerde kant van de geschiedenis te staan. (…)
Pas achteraf is te zien dat de scheiding tussen Indonesië en Nederland langer heeft geduurd en met meer militair geweld gepaard is gegaan dan nodig was geweest.
Dit is de boodschap die ik mee zal nemen naar Jakarta. Daarbij hoop ik vurig op het begrip en de steun van de Indische gemeenschap, de Molukse gemeenschap in Nederland en van de veteranen van de politionele acties.
Immers, om ons gemeenschappelijke verleden levend te houden, hebben wij ook een gemeenschappelijke perspectief op de toekomst nodig. Samen werken aan een gezonde en veilige toekomst van onze samenleving, en aan goede betrekkingen met Indonesië, zal ons helpen ook de meest pijnlijke aspecten van ons verleden dragelijk te maken.”
terug


Guerrillaoorlog

Erkenning op diplomatiek niveau is belangrijk. Het opent de weg naar een publiek herinneren. Maar het publieke herinneren is ook nodig, en daar is Nederland nog niet mee bezig. Wie weet nog dat minister Bot namens Nederland spijt betuigde en de datum 17 augustus 1945 accepteerde als datum voor de onafhankelijkheid?
Alleen een volk dat zich van zijn daderrol bewust is, is sterk genoeg om haar regering van toekomstige oorlogen af te houden. Zelfs binnen de vredesbeweging heeft men geen weet van de politieke en militaire lessen die uit onze oorlog met Indonesië te trekken zijn.

Stef Scagliola maakt in haar onderzoek namelijk nog iets helder, iets wat grote actuele betekenis heeft. In Indonesië woedde geen gewone oorlog. Een “gewone oorlog”  is een gevecht tussen twee landen om territorium of om macht. Het is een gevecht tussen  twee landen die beiden een leger hebben. Het land met het beste of sterkste leger wint.
In Indonesië ging het om een bevrijdingsoorlog. Dat is een oorlog met twee heel ongelijke partijen. Aan de ene kant is er een staat, met een echt leger en zware wapens. Aan de andere kant zijn er ongeregelde guerrillagroepen met eenvoudige wapens. Die guerrillagroepen kunnen niet vechten op de manier van een ‘normaal’ leger, bijvoorbeeld omdat ze geen vliegtuigen hebben en niet kunnen bombarderen. Ze hebben ook geen tanks. Om succes te hebben moeten ze zich verstoppen, en moeten ze de bevolking meekrijgen: of uit liefde, of  door te dreigen. Ze werken dus altijd via burgerslachtoffers (aanslagen, brandjes, ontvoeringen). Een moderne naam voor guerrilla is terreur.
Een gewoon leger kan niets uitrichten met zijn tanks en bommen tegen guerrillagroepen. Om het toch te winnen, moeten ze naar andere middelen grijpen: contraterreur. Stef Scagliola constateert, dat contraterreur altijd gewelddadiger is dan terreur. Bij contraterreur wordt gebombardeerd (gebouwen, wijken), of wordt een hele kampong in brand gestoken (omdat guerrilla’s zich daar zouden verschuilen).
‘Als iemand voor je opduikt schiet je meteen, voordat die ander kan schieten. Blijkt dat een onschuldige burger of een kind, pech gehad.’
‘Als je een gevangene maakt, wil je zo snel mogelijk weten waar zijn kameraden zitten. Dat kan aan jouw kant levens sparen. Dus harde middelen, martelen, om snel informatie te krijgen.’
Dit is precies wat er in Indonesië gebeurde, wat nu gebeurt in Irak of Afghanistan.

Met zo’n verhaal krijgen politici niet makkelijk een volk mee voor een oorlog. Zo’n verhaal wordt dus niet verteld. Het verhaal dat verteld wordt blijft: die anderen gebruiken zo ernstig geweld, zijn zo misdadig, dat we wel móeten ingrijpen.
Dat beeld wordt overeind gehouden. Met verhalen, met plaatjes, met geschiedschrijving. En wie de meeste macht heeft, kan dat beeld bepalen.

Er komt iets op gang. Juist dit jaar, 2007, zijn er commentaren geweest over de eindexamens geschiedenis. Er is opgemerkt dat er over Indonesië een erg Nederlands beeld gegeven wordt. Er zijn in dat onderwerp een verwijzingen naar ons geweld in die voormalige kolonie. Er zijn gelukkig nog steeds kleine groepen mensen die deze, onze ongemakkelijke geschiedenis, in de publieke herinnering willen terughalen.

Het is niet specifiek Nederlands om weg te kijken van de daderrol. Nederland is deel van Europa, eeuwenlang het dominante werelddeel. Europa behoort nu bij de westerse wereld, die bepalen kan hoe de beeldvorming over de geschiedenis verloopt. De westerse wereld wijst telkens de dader aan. “Wijzelf” zijn de helden: bevrijders. Of wij zijn de slachtoffers. Maar we zien onszelf niet graag als dader. De anderen zijn altijd slechter dan ‘wij’.
terug  

 


PUBLIEK HERINNEREN


De Europese kerken in Sibiu, Roemenië


De Europese Kerken houden hun  derde Europese Oecumenische Assemblee in Sibiu, van 4 - 8 september 2007. Eerder was er de bijeenkomst in Basel in 1989, dat het Conciliaire Proces voor gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping begeleidde. In 1997 was het in Graz.

Er wordt een poging gedaan vanuit de Nederlandse Raad van Kerken, om op die Europese agenda van de Kerken aandacht te krijgen voor de zwakke publieke aandacht in Europa voor ons daderverleden. Alleen Duitsland heeft zijn daderrol erkend. Dat moest ook wel, als buur van zijn slachtoffers. Maar Europa als bepalende speler in de wereld, heeft weinig neiging zichzelf in de daderrol te herkennen. Ook de Verenigde Staten, heeft die neiging niet. Maar in Sibiu houden we het bij Europa.

Wat de Raad van Kerken wil proberen is, dat de kerken onderkennen dat het publieke geweten een morele zaak is waar Kerken veel relatie mee hebben. Kerken kunnen dus het voortouw nemen.
Kerken zouden kunnen aankaarten, dat Europa en de Europese naties in hun nationale bewustzijn erg vastzitten aan hun eigen heldenverleden, aan glorieus nationalisme, aan zich moreel beter voelen dan anderen. Europa preekt graag in zuidelijke landen over mensenrechten. Of Europa ziet zichzelf als slachtoffer van de agressie van anderen: moslimterroristen bijvoorbeeld.

De Raad van Kerken wil onder het kopje “vrede” aandacht vragen voor de daderrol van Europa, en voor de Europese neiging om die daderrol niet te onderkennen. Misschien kan de Raad van Kerken langs deze weg het geluid verstevigen van die enkele stemmen die regelmatig proberen om ons geschiedenisbewustzijn te verbeteren. Want die momenten zijn er wel.

 Begin mei kwam in het tv-programma Knevel & Van den Brink het gesprek even op. Gemeld werd, dat minister-president Balkenende zijn excuses had aangeboden aan de familie van Pim Fortuyn. “Aan de Indonesiërs hebben we nog nooit excuses aangeboden”, zei een van de gasten.
Er zijn kleine groepen en enkelingen die de herinnering boven tafel houden, en hopen dat ooit de tijd komt dat het publieke geweten zich ervoor openstelt.
Nu, misschien, een kans in Sibiu. Een besluit van Kerken dat het op hun weg kan liggen hier iets aan te doen.
terug

Te herinneren

Er is veel dadergeschiedenis weg uit het publieke geheugen, uit het publieke geweten. Dat heeft consequenties in het heden en voor de toekomst.

Zo is er in de publieke ruimte, in de wijze waarop media feiten verzamelen, weinig besef dat anderen vanwege dat verleden iets tegen ons hebben. Er is in Nederland, in het westen, weinig begrip voor historische woede bij andere volken (Palestijnen, Arabieren, Afrikanen). Daardoor worden er in het heden foute beoordelingen gemaakt.

Nederland/ Europa treden erg eisend op naar anderen: de vader  van Prinses Maxima mocht niet bij het huwelijk van zijn dochter zijn; Turkije moet zijn genocidale optreden tegen de Armeense christenen erkennen, anders mag het niet tot de Europese Unie toetreden (er zijn partijprogramma’s op geschreven); Japan moet zijn Troostmeisjes erkennen.
Intussen is in Nederland de kring die zich buigt over ons daderverleden klein. De eerste diplomatieke stappen zijn gezet richting Indonesië. Een volksbewustzijn is het nog niet. De Indonesiëweigeraars zijn nog niet erkend als degenen die het indertijd beter zagen dan de regering.

Nederland sukkelde mee de oorlog tegen Irak in, Bush ondersteunend. In de VS, in Engeland is inmiddels tot op hoogste niveau toegegeven dat de motieven voor de oorlog verzonnen waren (massavernietigings-wapens en directe aanvalsdreiging). De Nederlandse regering wil niet kijken naar haar besluitvorming om  steun te geven aan die oorlog in Irak.

Wat Stef Scagliola in haar onderzoek ontdekte over het karakter van een guerrillaoorlog en van contraguerrilla, geldt ook voor Irak, geldt ook voor Afghanistan. De discussie over Afghanistan wordt echter nog niet gevoerd, omdat onze soldaten daar nog zijn. Je kunt het hen niet aandoen hier een publiek debat over de (on)zin van hun aanwezigheid daar te houden.
In de discussie of we wel of niet moesten meedoen aan die oorlog, had geen minister, had geen enkel kamerlid en had zelfs de vredesbeweging dit argument niet paraat: een guerrillaoorlog is altijd erg gewelddadig en is altijd grove schending van mensenrechten en zelfs van oorlogsrecht. Politici die toch tot zo’n oorlog besluiten, moeten niet achteraf de militairen verwijten maken over gebruik van geweld. Zo’n oorlog is nu eenmaal geen beleefdheidsbezoek.

Het inzicht achteraf van minister Bot, dat Nederland aan de verkeerde kant van de geschiedenis terecht kwam, is een inzicht dat niet werd meegenomen bij de beslissing om naar Irak en naar Afghanistan te gaan. Alle politieke accent werd gelegd op de mooie rol die ‘wij’ er spelen tegenover een boosaardige vijand. Beide oorlogen ontstonden echter naar aanleiding van wraakgevoelens vanwege 11 september 2001. Beide volken weten dat heel goed.

Onze geschiedenis met Indonesië leert, dat omwille van de oorlogszucht van het moment alle aandacht verdwijnt voor de vele zwaar getraumatiseerde mensen uit de kampen en uit het verzet.
Het valt op dat ook bij actuele besluitvorming over oorlog niet in herinnering wordt geroepen door hoeveel generaties heen de oorlogstrauma’s zullen meegaan.

Een land dat geen aandacht heeft voor oorlogstrauma’s wordt gemakkelijk en enthousiast een volgende oorlog ingelokt. De laatste jaren laten het zien. Omwille van de toekomst heeft het zin met meer besef voor eigen wandaden ons verleden in herinnering te hebben. Het maakt kritischer tegenover eigen toekomstige “heldendaden”.
Zolang we ons koloniale verleden nog roemrijk vinden (Jan Pieterszoon Coen, VOC ), zullen we weinig argumenten hebben tegenover ‘heldhaftige bevrijdingsrollen’ in Joegoslavië, Irak, Afghanistan. Omdat het ons blind maakt voor het element oorlogspropaganda.
Daarom, vindt de Raad van Kerken, heeft het zin om als Europese kerken ons verleden beter te kennen.

terug
 


Drempelgebed

In bijna alle kerken kennen we aan het begin van een liturgisch samenkomen het drempelgebed, of de schuldbelijdenis.
Hierachter zit een diep besef. Je kunt alleen in vrede samenleven als  schuld hardop wordt  erkend. Het samenleven betreft de eigen gemeenschap, je directe naasten – maar ook de samenleving in bredere zin. Schuldig kunnen we zijn in doen én in nalaten. Soms zijn we schuldig aan zaken die we niet zomaar veranderen kunnen. Dat kunnen we wel erkennen, en uitspreken. Dat kan ons open maken voor datgene wat we liever niet zien.
Een politiek drempelgebed, over ons gezamenlijk verleden, kan leiden tot nieuw besef. Het maakt bewust dat we anderen, ook andere volken, leed hebben aangedaan dat nog steeds veel pijn doet. Dit erkennen geeft ruimte voor nieuwe ontmoetingen met groepen mensen die nu gemakkelijk worden uitgesloten, gediscrimineerd, gewantrouwd. In Nederland, in Europa.

Kerken dragen deze belangrijke gemeenschapservaring van het drempelgebed als erfgoed mee. Dat is een waardevolle schat binnen de mensengemeenschap.
Het is dit kostbare erfgoed, waar mogelijk de kerken in Sibiu zich op zullen baseren. Mogelijk zullen ze eraan werken om de Europese volken aan te moedigen de eigen daderrol te onderkennen.

Voor meer vrede in de wereld zou het van levensbelang zijn. Het zou wezenlijk zijn om tot een verstandige politiek te kunnen komen, op wereldniveau, binnen Europa, binnen Nederland.

Publiek weten en erkennen wat wij als Nederland, als Europa anderen aandeden, is een stap naar vrede. Om te beginnen met Indonesië.


Nawoord  

Deze brochure werd geschreven voor onze eigen congregatie. Ook andere kringen vroegen erom. Vanuit Kerk en Vrede komt er een gewijzigde versie. Kerk en Vrede ondersteunde in december 2007 een petitie aan de Tweede Kamer, waarin genoegdoening gevraagd wordt voor de overlevenden/nabestaanden van de slachtoffers van massamoorden in e tijd van de petitionele acties. Aanleiding was het gedenken van 60 jaar eerder, op 9 december 1947, van de moord op 431 jongens en mannen. Enkele overlevenden van Rawagede, West Java, namen het initiatief. In de brochure van Kerk en Vrede wordt bij deze gebeurtenis aangesloten.
Intussen blijkt bij besprekingen in kleine kring, dat er
ook aan Nederlandse zijde veel onverwerkte emotie ligt. Doordat 60 jaar lang dit thema nooit uitvoerig in discussie gebracht kon worden in de publieke ruimte, bleven veel mensen in de eigen emotie gevangen zitten. Zelfs na 60 jaar is het gesprek daardoor iets moeizaams. Tot degenen die daardoor getroffen zijn moeten ook gerekend worden familieleden van veteranen. Mannen, broers, kinderen. Veel veteranen hebben ook in eigen huiselijke kring nooit willen spreken over wat ze meemaakten. Doordat elk publiek debat weer snel werd afgevoerd of zelfs afgehouden, bleven ook de emoties onbesproken van de vele soldaten die zich achteraf misbruikt voelden voor een verkeerde zaak.
Elke poging om nu nog het gesprek aan te kaarten, wordt juist door door de politieke afweer in het verleden allereerst verstaan alsof er alsnog veteranen beschuldigd worden. Daarmee is de vraag gegeven, hoe een land rijp gemaakt kan worden om bevrijdend over zijn daderverleden te spreken.

iteratuur

Last van de oorlog   Stef Scagliola    Uitgeverij Balans, 2002
Over de Nederlandse oorlogsmisdaden in Indinesië en hun verwerking

De Indonesië weigeraars,   Kees Bals en Martin Gerritsen,  Antimilitaristische Uitgeverij, 1989
Over de behandeling van de dienstweigeraars 1945-1949

De Meelstreep, Martin Bossenbroek,  Uitgeverij Bert Bakker, 2001
Over de terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog

Mensenheugenis, Hinke Oiersma (red.)  Uitgeverij Bert Bakker, 2001
Getuigenissen over de terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog

Rijk blijven, Martien van Winden, uitgeverij Balans 2000

Het zijn net mensen, Joris Luyendijk, 2006


BRONNEN:

Getuigenissen van onze zusters uit Indonoesië
Getuigenissen van Indonesiëweigeraars
Getuigenissen van antifascisten, overlevenden van concentratiekampen (Ravensbrück en Dachau)

Internet via google (kernwoorden)

www.wikipedia.nl
www.raadvankerken.nl


Advies voor Internetgebruik: onder “Celebes-affaire”, “politionele acties”, “Hueting”, “Westerling”  ea. zijn meer gegevens te vinden.


terug