Inhoud:
Indonesië: het
land
Herinneringen van enkelingen:
missie
jappenkamp
terugkeer naar nederland
In een onafhankelijk land
jaren zonder spanning
terugkomen
de laatste koloniale jaren
ook goed om te weten
Publiek vergeten:
30 jaar na Beilen
een onderzoek
aanpakken
eén publiek
verhaal
geen erkenning
nog een onderzoek
de oorlog 1945-1949
Publiek ontkennen:
overlevenden van
jappenkampen
naweeën van een ontkende oorlog:
Molukse gemeenschap
KNIL-soldaten
Veteranen
Dienstweigeraars
Indonesiëweigeraars
Doofpotmentaliteit:
zwijgcultuur
geen eiser
Diplomatieke schulderkenning
guerrillaoorlog
Publiek herinneren:
Europese kerken en Sibiu
te herinneren
drempelgebed
Nawoord
Literatuurlijst
|
Indonesië, Nederlands
onverwerkt
verleden
TER INLEIDING
De werkgroep Maatschappij en Voorzienigheid wil in deze brochure
aandacht vragen voor geschiedenis die Nederland dreigt te vergeten.
Deze zomer, 2007, is het zestig jaar geleden dat de echte
‘politionele acties’ begonnen in
Indonesië. Met die term wordt een militair optreden aangeduid,
dat in andere tijden en op andere plaatsen oorlog wordt genoemd. En
eigenlijk was de oorlog al begonnen in 1946. Maar Nederland heeft het
nooit een oorlog willen noemen.
Feitelijk moeten we constateren, dat Nederland onmiddellijk na zijn
eigen bevrijding van vijf jaar bezetting, een oorlog begon tegen een
volk dat vierhonderd jaar lang door Nederland was bezet en
gekoloniseerd.
Tot op heden is onze geschiedenis met Indonesië maar heel
beperkt aanwezig in het publieke geheugen. We weten er weinig van,
velen realiseren het zich niet eens.
“Het is goed voor een land om zijn verleden te
kennen. Daar wordt een land flink van.” Dat werd door
Nederlandse politici gezegd over Turkije, sinds wij vinden dat Turkije
de genocide op Armeense christenen moet erkennen.
Het is ook zo, dat een volk zijn eigen verleden goed moet kennen, om in
het heden goed te begrijpen wat er gebeurt. Nederland heeft nog veel
verleden dat niet aanwezig is in het publieke geheugen. Nederland heeft
voornamelijk een gemeenschappelijk besef van zijn heldendaden (opkomen
voor mensenrechten, Michiel de Ruiter, Piet Heijn) of van het
slachtoffer zijn (Tweede Wereldoorlog). Er is maar weinig besef van
Nederlands daderverleden.
Toch is juist dat van belang om te begrijpen hoe anderen tegen ons
aankijken. Om te begrijpen waarom anderen iets tegen ons hebben. Om een
beter inzicht te hebben in hoe Nederland handelt.
Indonesië is zo’n vergeten geschiedenis. Als
congregatie hebben we speciale banden met dat land en die geschiedenis.
Onze zusters werkten er en zij die er in de oorlogsjaren waren hebben
geleden in de Jappenkampen. We hebben er nog familie, de Zusters van de
Heilige Familie.
En we hebben een literair-historische band die bijzonder is. Multatuli
schreef midden 19de eeuw zijn boek Max Havelaar om te protesteren tegen
de behandeling van de Indonesiërs door de Nederlanders. Het
boek begint aldus: “Ik ben makelaar in koffie, en woon op de
Lauriergracht, no. 37.”
Je zou dus kunnen zeggen: “Onze stand verplicht
ons.”
In deze brochure geven we eerst aandacht aan “onze”
eigen herinneringen. De zusters uit Indonesië
vertellen over de vier fasen: vóór de Tweede
Wereldoorlog, het Jappenkamp, na de oorlog op Java, de nieuwe start op
Bangka.
Dan gaan we op het vergeten verleden in, dat we inleiden met
“Beilen”. Vervolgens melden we enkele onderzoeken
die er gedaan zijn naar een vergeten deel van de Nederlandse
geschiedenis:
. de slechte ontvangst van hen die na de oorlog terugkeerden uit
diverse soorten kampen;
. de oorlog die Nederland meteen begon in Indonesië;
. de gruweldaden die Nederland pleegde in Indonesië.
Onderzocht is ook hoe dit vergeten werd bevorderd. En we vestigen kort
de aandacht op enkele groepen die daar tot op heden zeer van te lijden
hebben.
Sinds twee jaar worden er kleine stappen gezet in de politiek.
Tenslotte wijzen we op de kerkenbijeenkomst in Sibiu nu in
september, waar aandacht gevraagd zal worden voor de daderrol
van Europese landen, waaronder Nederland. Aandacht voor hetgeen wij als
natie anderen aandeden en aandoen.
Deze brochure wil een bijdrage zijn van onze kant, om 60 jaar nadat de
politionele acties in Indonesië begonnen, ons dat te
herinneren. Publiek vergeten van een nationaal verleden kan
de basis worden voor nieuwe spanningen ondanks goede bedoelingen.
Herinnering kan helend werken.
In Nederland groeit sinds twee jaar enige ruimte voor ons verleden. We
hopen dat deze brochure helpt om inzicht te hebben in de debatten die
worden gevoerd.
De medezusters die in Indonesië werkten komen op verschillende
wijzen aan het woord. Zr. Riek van Emmerik was de laatste nog levende
getuige zowel van het Jappenkamp als van wat Nederlanders het volk
ginds vóór de oorlog aandeden. Zij stierf
plotseling toen de gesprekken nog gaande waren, de verhalen nog boven
kwamen. Zij heeft al haar teksten nog goedgekeurd.
terug
Indonesië:
het land
Indonesië, een eilandenrijk,
grenst op het eiland Borneo aan
Maleisië, en in het zuiden grens het aan Australië.
Dwars over het eiland Nieuw-Guinea loopt de grens met
Papoea-Nieuw-Guinea, en de helft van het eiland Timor is de
zelfstandige natie Oost-Timor. De “gordel van
Smaragd”, zoals Multatuli deze eilandenketting noemde,
bestaat uit vijf heel grote eilanden (tot 800 km lang), een aantal
middengrote eilanden, zoals Bangka (200 km. lang) en duizenden kleine
eilandjes.
Voordat Nederland Indonesië als kolonie inlijfde in de 16de
eeuw, waren er op diverse eilanden koninkrijken. Deze waren
voornamelijk hindoeïstisch of boeddhistisch. Later, door de
handel, deed de islam zijn intrede. Nu is 86 % moslim, 10 % christen, 3
% hindoe, 1 % boeddhist en andere.
Bali is het laatste koninkrijk dat werd ingenomen, in september 1903.
De Europese koloniale machten wilden wat meer orde in hun bezittingen
en daarom moest Nederland Bali bezetten. Nederland zocht een aanleiding
voor een veroveringsoorlog, en vond die. Een chinees schip strandde
voor de kust, de Balinezen jutten wat aanspoelde, en Nederland noemde
dat roof. Die roof moest bestraft worden en Nederland viel het
koninkrijk binnen. De Balinezen, die zich met speren verdedigden,
werden simpelweg neergeschoten. In enkele dagen stierven er 3000 mensen.
De Japanners maakten een eind aan Nederlands-Indië.
De oppervlakte van alle Indonesische eilanden samen bedraagt 1.919.440
km2. Dat is ongeveer 60 maal zo groot als Nederland. In 1900 waren er
42 miljoen inwoners. Nu zijn dat er 238 miljoen.
Op 17 augustus 1945 riepen op de grote eilanden groepen rebellen de
onafhankelijkheid uit. Op 27 december 1949 werd Indonesië
officieel door Nederland overgedragen. Nederland erkent pas sinds 17
augustus 2004 deze dag als onafhankelijkheidsdatum voor
Indonesië.
Bossen zijn de oorspronkelijke begroeiing, ruim de helft van het land
is er nog mee bedekt. Na Brazilië komt Indonesië als
land van regenwouden: 140 miljoen hectare ongeveer op de eilanden
samen. Er is echter veel ontbossing. Verbranding van bomen om een stuk
grond bouwrijp te maken, zoals de Dajaks eeuwenlang deden, veroorzaakt
weinig schade. Een verwoestend effect op de natuur heeft de aanpak van
multi-nationals, die aan het tropische hardhout verdienen. Hout is de
belangrijkste deviezenbron voor Indonesië, dus de regering
grijpt niet in.
Indonesië is rijk aan grondstoffen: aardolie, aardgas,
bauxiet, tin, koper en nikkel. De export van grondstoffen
maakte het land niet rijk. Sinds de oliecrisis in de jaren 70 ging
Indonesië zelf industrie ontwikkelen, dat levert meer inkomen
op. 25 % van de export zijn nog landbouwproducten.
Indonesië is heel sterk in diverse bijzondere kunstvormen. Het
eiland Bali neemt daarin een vooraanstaande plaats in, Java is een
goede tweede. Daar zijn alle voor Indonesië specifieke
kunstvormen te vinden: traditionele schilderkunst, de gamelanmuziek van
de Balinese en Javaanse hoven, de wayangdans, filigraanwerk (heel fijn
zilversmeedwerk) dat ook op Sumatra wordt gemaakt en fijn houtsnijwerk.
Op veel van de eilanden wordt textiel kunstig bewerkt die over de hele
wereld aftrek vindt.
De formele taal is de Bahasa Indonesia, door Soekarno ingevoerd,
waardoor de mensen in het hele gebied kunnen communiceren. Maar
feitelijk kent dit land een grote verscheidenheid aan talen: 750
gesproken talen. Alleen in Papoea Nieuw-Guinea zijn er
méér gesproken talen te vinden.
Van 1945-1967 was Soekarno president. Soeharto kwam daarna met een
bloedige staatsgreep aan de macht en bleef tot 1998. Sindsdien is
Indonesië al aan zijn zesde president toe, dus zijn vierde
sinds 1998. Indonesië is bezig zich te herstellen van de
dictatuur die onder Soekarno op een gegeven moment vorm begon te
krijgen en onder Soeharto echt hard werd. Er wordt druk gewerkt aan
democratisering.
Onafhankelijkheidsstreven van bepaalde eilanden(groepen) werd
gemakkelijk een alibi voor de harde regeerstijl. Het conflict met
Oost-Timor is het meest bekende. Voor ons is de onenigheid over de
Molukken ook bekend.
Sinds enkele jaren worden een paar eilanden geteisterd door onlusten
tussen bevolkingsgroepen. Het lijken godsdienstoorlogen, maar bepaalde
bevolkingsgroep staan er economisch beter voor dan een andere: een
koloniale erfenis. De religieuze scheidingen verlopen langs raciale
lijnen (veel Chinezen zijn christen, veel Indonesiërs zijn
moslim).
terug
HERINNERINGEN VAN ENKELE
ZUSTERS
ZR RIEK VAN
EMMERIK
1937-1946
(overleden juni 2007, interviews januari-juni 2007)
“Op 18 november 1937 vertrokken
we naar Indonesië.
Het was mijn verjaardag en ik was net geprofest. Consolata, Micheline
en ik waren drie nieuwe missiezusters, Moeder de Passie ging met ons
mee en zuster Silvana ging terug na verlof. Met de trein naar
Marseille, daar op de boot “Dempel”. De reis duurde
ongeveer drie weken. In Singapore zijn we even aan land geweest en
logeerden we bij zusters. Elke dag ging daar een man met een bakfiets
op pad en raapte vondelingen op die dan door de zusters werden
opgenomen.
We werden in Muntok hartelijk ontvangen in het klooster, de halve
school stond klaar voor ons. De volgende ochtend om 7.30 uur stond ik
voor de klas. Tweede klas. Allemaal Chinese kindertjes, die in de
eerste klas Nederlands geleerd hadden. Het was geen verplichtend
onderwijs, het was enkel voor de gegoede Chinese families, waar later
ook enkele Indonesische kinderen bijkwamen. In Belinju hadden we wel
een school voor “het volk”, de
Indonesiërs. Daar was ook een internaat, met kinderen die
waren weggegeven door de ouders. In Muntok hadden we maar twee
weggegeven kinderen: een blind meisje en een gehandicapt jongetje, dat
voor ieuwjaar het huis uit moest anders – zo werd gedacht -
zou er ongeluk over dat huis komen.”
“De Chinese families en hun kinderen wilden geen Indonesisch
spreken, ze hadden het niet nodig. In Nederlands leren waren ze heel
ijverig, en alle onderwijs was Nederlands. Een deel van mijn taak was
hun woordenschat uitbreiden, elke dag woorden leren. Ik had allemaal
kaartjes met tekeningen. Die stalde ik uit, en dan gaf ik opdracht me
een bepaalde kaart te brengen. Zo deden we taalspelletjes.
Maar ik zat er dus met Chinezen en wist niets van hun cultuur. Op een
keer trok een meisje alle kasten open om erin te snuffelen. Ik hield me
in, maar vond het uiterst merkwaardig. Zuster Clotilda legde me later
uit, dat dat een teken van vertrouwen was, dat ze me mocht. Als je
elkaar vertrouwt, heb je geen geheimen voor elkaar. Zo is dat in de
cultuur van de Chinezen in Indonesië.
Dat was een grote fout, dat je er zomaar werd ingegooid. Doordat de
lessen gewoon in het Nederlands waren, kon je technisch gezien meteen
door. Er werd waarschijnlijk niet over nagedacht dat je in
zo’n vreemde cultuur met die kinderen moest leren omgaan. Ik
was toen zo groen als gras. Ik heb zelf moeten uitvinden hoe ik op een
goede wijze kon omgaan met de kinderen.
Bij de aardrijkskundelessen begonnen we wel bij Bangka, het eiland waar
de kinderen zelf op woonden. Maar de geschiedenislessen gingen over de
geschiedenis van Nederland. De school heette ook nadrukkelijk HCS,
Hollands Chinese School.
We leefden in een soort “klein Nederland”. We
hadden contact met elkaar, de acht zusters in ons klooster, met de
Nederlandse pastoor, met de kinderen die wij inwijdden in de
Nederlandse taal en geschiedenis. Geen contact met hun ouders, noch met
de verdere bevolking. Eén keer zijn we met het Chinese
nieuwjaar op bezoek geweest bij een van onze Baboes. Dat waren de
vrouwen die ons hielpen met het huishoudelijke werk. Het is mijn enige
contact met de Indonesische cultuur geweest.
Ik moest ook al gauw typeles geven aan de grote jongens. Lesmateriaal,
examenmateriaal, diploma’s, het kwam allemaal uit
Nederland.”
“De congregatie die wij er hebben opgericht, begon met
Chinese meisjes die wilden intreden. Zuster Serafim, zuster Wigberta en
anderen hebben zich met de vorming beziggehouden. De bisschop stond
erop dat het een Indonesische vorming zou worden, geen Nederlandse:
vanuit de eigen cultuur, het eigen volk opgezet. Later kwamen er via
een Filippijnse bisschop Filippijnse meisjes op Bangka bij, en nog
later ook Indonesische meisjes. Zo lagen de koloniale
verhoudingen.”
terug
Het
Jappenkamp
“Er waren verschrikkelijke
bombardementen op Muntok, een
havenstad. Een kapitein die hoorde dat er nog zusters in Muntok waren,
stond erop dat die met hem meegingen naar Java, omdat hij had gehoord
dat de Japanners alle vrouwen verkrachtten. Het was de laatste boot die
voor evacués werd ingezet.
Toen we op zee zaten, werden we gebombardeerd. Er ontstond geweldige
paniek, veel mensen gilden en schreeuwden. Wij zijn hardop gaan bidden
met iedereen, daardoor werd het weer rustig. Er vielen tien of elf
bommen om ons heen, het water spoot huizenhoog op. Granaatscherven
lagen op het dek, maar niemand raakte gewond en we werden niet geraakt.
De kapitein noemde het een wonder: “Ik ben niet gelovig, maar
wij met laveren en jullie met je bidden hebben de bommen
afgehouden.”
Op Java werden we door de zusters Ursulinen zeer gastvrij ontvangen.
Wij namen deels het werk op hun school over. Het inlandse personeel
– de baboes en de knechten – was weg. Er was immers
geen geld meer om hen te betalen, nadat de Europese mannen waren
weggevoerd
(Denk aan de Birma-spoorweg!).
Daarom deden de zusters samen met de meisjes het huishouden. De meisjes
waren dat niet gewend. Ze reageerden daar giftig op. Veel later hebben
veel van die meisjes ons bedankt dat we ze hebben leren werken.
Daardoor waren ze beter tegen het leven opgewassen.
Later zijn we met de meisjes en de Ursulinen samen opgevangen bij
Franciscanen. Daar zaten we met 100 meisjes en 100 jongens en wij,
zusters, allemaal bij elkaar, alles open en bloot, dat was al spannend.
We moesten voortdurend surveilleren voor onze veiligheid.
Daarna werden we opgepakt en geïnterneerd. Het kamp was een
Nederlandse wijk van Djakarta, die helemaal met dubbel prikkeldraad en
met matten was afgezet, een soort getto. Binnen dat getto was
één groot huis afgescheiden voor alle zusters.
Wij, vijfentwintig van ‘De Voorzienigheid’ zaten
samen in één vertrek, dag en nacht. Andere
congregaties kregen elk een ander vertrek. Om ons huis heen was ook
weer een afscheiding, van bamboematten.
Ik denk dat het op verzoek van de bisschop was, het was zeker als
bescherming bedoeld tegen de Japanse soldaten. Je voelde je echter wel
opgesloten. Je kon je niet uiten. We zaten veel te dicht op elkaar om
ruzie te maken. Met ruzie zou het onleefbaar geworden zijn. Alle
ongenoegen hield je binnen.
En dat in Djakarta, een stad die ongeveer in een moeras ligt, met
heftige en vochtige hitte in de warmste tijden.
We werden verplicht om te werken. Ik werkte in een wasserij, Francisca
in een schoenmakerij. Je moest alle dagen werken, ook op zondag, anders
kreeg je geen eten. We mochten op zondag wel iets later komen om eerst
samen een gebedsdienst te hebben. Feesten werden niet gevierd, we
hadden ook niets om te vieren.
Twee keer per dag was er een soort appèl. Dan moesten we
allemaal heel diep buigen voor een Jap. Was het niet diep genoeg, dan
werd het vele malen achtereen herhaald. Overal liepen altijd
militairen.
In de eerste tijd ging het nog, toen waren het een soort burgerwachten.
Later kwamen de echte militairen en die behandelden ons keihard, met
heel diepe vernederingen. Alles op commandotoon, dwaze dingen van je
eisen enkel om je te pesten.
Het eten was weinig en vreselijk. ’s Morgens en ’s
avonds een klein stukje brood. De middagmaaltijd was een beetje rijst
met gestoofde stelen van waterlelies, bladeren, gras en darmen van
karbouwen. De babbatploeg moest ‘s morgens de darmen schoon
schrapen, ze dan in rode pepers koken en dat samen malen en dat ging
dan meteen bij het eten. Die pepers waren om de stank te verdrijven. Er
was heel weinig eten, ik heb geweldig honger geleden.
In het kamp gingen we allemaal Engels leren, want we wisten niet welke
taal we na de oorlog zouden moeten spreken. Daar hadden we wel boekjes
voor, maar we leerden het aan elkaar. Met name de Ierse zusters hielpen
ons.
Na de overgave van Japan zijn we uit de Kramatwijk (het kamp) naar
Meester Cornelis gegaan, naar het klooster “Mater
Dolorosa”, van de Zusters van de Goede Herder. Dit klooster
werd gebruikt als ziekenhuis voor Nederlandse mannen om op verhaal te
komen of te sterven. De helft van ons convent werd daar geplaatst. Het
was een hel vol zieke en stervende mensen en vol wand- en huidluizen en
dergelijke.
Gevangen militairen hebben mensen en gebouwen gereinigd met
DDT-poeder. Toen het huis schoon was is de andere helft van ons convent
er ook bij gekomen. We waren dus weer bij elkaar. Een aantal zusters
werkten in de verpleging. Zr. Didaca, Zr. Micheline en Zr. Aloysio
zorgden voor de kleding. We kregen namelijk pantalons en overhemden
voor de heren en aan die kleding moest veel veranderd worden zodat ze
zou passen.”
“Toen we in Mater Dolorosa zaten, werden we niet beschermd.
Dat was eigenlijk niet goed, want de opstanden waren al gaande. Op een
dag kwam er een Nederlandse soldaat bij ons binnenlopen, hij had ons
horen praten. Op zijn arm had hij een nummer getatoeëerd van
een concentratiekamp, ik weet niet welk. Hij was door de Russen
bevrijd. En terug in Nederland moest hij dus in dienst.
We vertelden dat er wel eens op ons geschoten werd, en toen zei hij dat
het geen probleem meer zou geven. Ze losten het wel op. Ze hebben de
hele kampong tegenover ons platgebrand. “
terug
Terug
naar Nederland
“Het heeft drieënhalf
jaar geduurd. Twee van ons
zijn er gestorven. Met vijven moesten we na de oorlog naar Nederland
terug omdat we te zeer verzwakt waren: Silvana, Consolata, Didaca, Jo
van Noort en ik. Alleen Jo van Noort is nog terug gegaan naar
Indonesië.
De aankomst in Nederland was wel leuk. We mochten in Rotterdam niet
meteen van de boot, het duurde vijf uur voor dat er ontscheept werd.
Daarna wachtten we op een bus. Het was tien uur ’s avonds
toen we in Amsterdam aankwamen. De grote bel werd geluid, alle zusters
moesten weer uit bed en kwamen in de grote refter bij elkaar om ons te
ontvangen. Moeder de Passie was zo blij dat we heelhuids waren
aangekomen.
Maar daarna moest ik wel meteen door naar Kwintsheul. “Een
rustige school”, zo werd me gezegd. Ik kreeg er klas 4 en 5,
48 leerlingen. De gedachte was, dat hard werken het beste was om te
vergeten. “En er niet over praten, dan ben je het het snelste
kwijt”.
Nou, dat was een slecht advies.”
terug
ZR. IGNATA BEKEMA: in een
onafhankelijk land
“In maart 1949 vertrok ik naar
Indonesië met de boot
‘Johan van Oldenbarnevelt’. De oorlog met Nederland
, “de politionele acties”, was toen nog bezig op
Java. Op Bangka merkten we er weinig van.
Ik werd geplaatst op Belinyu. We waren met elf zusters in dat mooie
klooster. Enkele van de zusters, vijf in getal, hadden het kamp
meegemaakt in Jakarta van 1940-1945. Er werd betrekkelijk weinig over
gesproken tijdens de recreaties. Ze vertelden hooguit wel eens
anekdotes. Iedereen verwerkte het voor zichzelf. Ik denk ook dat
er voor het doorgemaakte in die kamptijd eigenlijk geen
woorden waren. Maar ze wisten samen wat ze hadden beleefd. En wij
wisten van hen dat ze veel hadden geleden. Het was op de achtergrond
altijd aanwezig.
Ik kreeg om te beginnen de tweede klas, gemengd, jongens en meisjes. De
Bahasa Indonesia was toen al voertaal op school maar wij, zusters,
kenden er nog maar weinig van. De Indonesische schoolinspecteur gaf ons
les. Na ruim een jaar kwam de inspecteur ons in de klassen inspecteren.
Dat was in het begin heel moeilijk. Ik moest rekenles geven in de 5de
klas, dat ging wel, de getallen kende ik wel en veel woorden had ik er
niet bij nodig. Daarna moest ik aardrijkskunde geven, dat was
héél moeilijk door het gebrek aan woorden. Op een
gegeven moment zei de inspecteur: “Gaat u nu maar door in het
Nederlands” (dat konden de kinderen nog verstaan). Wat een
opluchting voor mij! Hij was heel redelijk.
Op mijn school, de “Agnesschool” genaamd, (voor
mijn tijd was het een Hollandse school) zaten veel Chinese leerlingen
en minder Indonesische leerlingen. Ze moesten nu allemaal de Bahasa
Indonesia leren. Maar omdat die taal nog in opbouw was, mocht in die
tijd ook het Nederlands als aanvulling gebruikt worden. De inspecteur
gaf ons na de inspectie een lovend woord: “Er wordt hier met
toewijding gewerkt!”, zei hij. Ik ben dit nooit vergeten.
Na anderhalf jaar werd ik tot hoofd van de school gebombardeerd en Zr.
Patricia moest de pas opgerichte SMP (Mulo) begeleiden. Op mijn school
stonden tiener jongens en meisjes zonder diploma voor de klas, die ik
moest begeleiden! Ook zij toonden een grote verantwoordelijkheid en
toewijding. Enkele jaren later kwamen de gediplomeerden, zij hadden
twee jaar opleiding voor het onderwijs achter zich. Zuster Marcellina
en ik waren de zusters op school. De school groeide heel snel. Toen ik
in 1975 wegging had de school 800 leerlingen. Ik was toen allang de
enige zuster op school. Zo was het toen ook op onze scholen in
Pankalpinang, Muntok en Sungailiat.
Op zondagmiddag had ik een club, “Omhoog”. Dat
waren katholieke tieners, Chinese meisjes en anderen. Ze kwamen graag.
Ze kregen een woordje van de pastoor en ik hield met hen een gesprek en
dan gingen we sporten. Het was een gezellige club, heerlijke uurtjes
waren dat!”
“Toen de onafhankelijkheid van Indonesia een feit was moest
al het onderwijzende personeel de Indonesische nationaliteit bezitten.
De zusters die op school stonden moesten ook Indonesische worden. Dit
gebeurde eind 1951. Onze school stond als goede school bekend en
groeide dan ook heel snel. In de 60er jaren was het aantal 700 tot 800
leerlingen. Ongeveer 40% daarvan waren van de eigen bevolking,
Indonesiërs, ongeveer 60% was vreemdeling (Chinezen en
anderen). De Indonesiërs waren moslims. Chinezen en anderen
waren katholiek, protestant, Boeddhist, Hindu en andere. Ze kregen als
klas allemaal katholieke godsdienstles, dat werd aanvaard.
Moslimleerlingen hoorden het graag, ze herkenden bijvoorbeeld hun
profeet Jezus in onze verhalen. Ook de andere kinderen hadden er geen
moeite mee. Het was niet om ze te bekeren, het hoorde gewoon bij onze
school. De moslimkinderen zouden nooit hun godsdienst verloochenen. De
andere kinderen luisterden, sommigen kregen aandacht voor de godsdienst
en vroegen om meer onderricht buiten de schooluren. Het ging heel goed
bij de leerlingen met al die verschillende godsdiensten bij
elkaar.”
“De verhouding tussen de Indonesische leerlingen van de eigen
bevolking en de vreemden (vooral Chinezen) was altijd 40%-60%. Maar
begin jaren 60 ging de regering zich daarmee bemoeien. Elke school
moest een Indonesisch gezicht hebben. Er kwam een verordening dat
Chinese scholen verboden werden. Elke school moest zorgen voor een
Indonesische meerderheid van minstens 60%. Dat was een geweldige
aanpak. 20% van onze leerlingen moesten we naar de regeringsscholen
sturen en 20% van de leerlingen van regeringsscholen kwam bij ons.
Wij als zusters stonden ieder aan het hoofd van een andere school.
Daardoor konden we dat gelukkig met elkaar regelen. We vonden steun bij
elkaar en konden deze moeilijke klus tot een goed einde brengen. Daarna
kon ieder hoofd van de school de zaak weer verder zelf leiden.
De overgang in ’s lands bestuur van Soekarno naar Soeharto
was een geweldige operatie. We waren van de coup van GwS
(communistische partij van naar verluid, Chinezen) ontzettend angstig.
Hoe zou dit aflopen? Opeens was Soekarno weg. Bapa noemde het volk hem.
Soeharto had hem vastgezet. Het volk hoorde zijn stem niet meer. Er was
verwarring. Wat willen die opstandelingen van de coup? We hoorden van
moorden, uitgestoken ogen. Soeharto en het Indonesische leger bracht
weer rust. Wij merkten niet zoveel van de dictatuur bij het begin van
de regering Soeharto.
Wel was het in 1965 heel spannend. Ik herinner me nog goed het moment
dat we in Pangkalpinang bij elkaar waren om te vieren dat wij 40 jaar
in Indonesië waren. Dat was in 1965. De strijd tussen Soekarno
en Soeharto was toen net opgelaaid. Er waren al
kuilen voor ons gegraven. Dat waren toen heftige tijden.
Op school moest ook geschiedenis onderwezen worden. Dus ook over de
koloniale tijd. Daar zaten natuurlijk wel voetangels en klemmen in. Wij
probeerden van die tijd ook de positieve kanten te vertellen. In onze
tijd hadden we weinig anti-Nederlandse stemming op onze scholen. Wel
was er stemming tegen de buitenlanders (Chinezen en zo). En veel
“spijt-op-tanten” gingen terug naar Nederland. Onze
gewone mensen op Bangka waren nog altijd trots het Nederlands goed te
kunnen spreken.
De tin-mijnen op Bangka en andere grote bedrijven werden wel van de
buitenlandse hoofden/beheerders afgenomen en genationaliseerd.
Wat ik echt geweldig heb gevonden van Soekarno, was het tot stand
brengen van de éne moedertaal: Bahasa Indonesia voor dat
grote eilandenrijk. Heel Indonesia spreekt Bahasa Indonesia, van de
kleuterschool tot en met de universiteitsstudenten. De grondtaal van de
Bahasa Indonesia was de oude Maleise taal. Het Bahasa werd in 1949
verplicht. Iedereen spreekt de taal nu.
In 1975 kwam ik terug in Nederland. Ons werk hadden we overgedragen aan
de congregatie van de Heilige Familie. Deze was opgericht door de
bisschop van Bangka Mgr. Bouma en werd begeleid door onze zusters: Zr.
Seraphine en Zr. Wigberta.
Ik heb een intens thuisgevoel gehad in Indonesia, hun goede mensen
lieten zich van de beste kant zien. Onze zusters stonden heel
verantwoordelijk voor hun eigen taken. Het waren mijn vitale jaren.
Maar natuurlijk ging het, zoals in elke gemeenschap, ook met vallen en
opstaan.“
terug
ZR. CASSIANA VOGEL:
jaren zonder
spanning (1948-1970)
“De zusters uit
Indonesië moesten nodig met verlof.
Er werd gevraagd wie hun plaats wilde innemen. Ik wilde wel.
In 1941 was ik ingetreden. Dat was midden in de oorlog maar voor mij
maakte dat niets uit. Ik ben in Amsterdam geboren, mijn jeugd heb ik in
Noordwijkerhout doorgebracht.”
“In 1948 vertrok ik naar Indonesië, samen
met zuster Marcellina. We gingen met het vliegtuig, want we moesten er
snel wezen, we moesten echt vlug het werk overnemen.
Ik kwam in Belinju en ben daar tot 1970 vrijwel steeds gebleven.
Tussendoor was ik heel even ergens anders. Al die jaren heb ik op de
lagere school gewerkt, behalve een jaar de 1e klas ULO.
In het begin mochten we nog wat Nederlands spreken, maar na de
onafhankelijkheid in 1949 werd het echt Indonesisch.”
“Zuster Josefien Wester had een diploma Indonesisch, zij
hielp ons. Maar ik heb het Indonesisch voornamelijk in de praktijk
geleerd. Ik had in die jaren een combinatieklas: 2, 3 en 4. Een
Indo-meisje uit de 4e klas zat achterin, zij kende beide talen goed.
Als ik dan iets niet wist, keek ik naar haar en dan hielp ze me. Dat
hadden we afgesproken. Zo heb ik goed Indonesisch geleerd. Niemand
heeft tenminste ooit gezegd dat ik er niets van terecht
bracht.”
“Zodra ik er was, vond ik het heerlijk. Ik heb nooit heimwee
gehad, voelde me echt thuis op Bangka. Van de politionele acties hebben
we daar niets gemerkt, dat speelde op enkele andere eilanden.
Op school hadden we zowel Indonesische als Chinese jongens en meisjes.
Ik heb geen herinneringen aan problemen, het ging prima met die
verschillende groepen. De kinderen kwamen uit gezinnen met
verschillende religieuze achtergrond, dat was gewoon zo. Moslims,
christenen, hindoes. Daar werd niet over nagedacht, er viel ook niets
over na te denken. Prima. Leuke tijd.
Ik kan me ook niet herinneren dat er analfabete ouders waren. Volgens
mij waren die er niet. Wij waren er om de kinderen goed onderwijs te
geven en ze voor te bereiden op het vervolgonderwijs. Dat was
vóór ons natuurlijk ook al gedaan.”
“Zelf was ik hoofd, mijn collega’s waren allemaal
niet-kloosterlingen. Met de ouders hadden we uiteraard ook veel
contact. Nee, ik kan me niet herinneren dat op Bangka na de oorlog veel
schokkende dingen gebeurden. Politionele acties, onafhankelijkheid,
later Soekarno die verdween, Soeharto die kwam. Aan Bangka ging dat
toch een beetje voorbij. Het was niet het belangrijkste eiland in
Indonesië. Maar het is groot, ongeveer zo groot als Nederland.
De enige grote verandering was dat we in het Indonesisch
moesten lesgeven.
Over het kampleven werd niet gesproken. We waren er om onderwijs te
geven. Alle aandacht was erop gericht om dat goed te doen. Dat was onze
taak.
Nogmaals, ik heb het er heerlijk gehad. Het was een werkelijk fijne
tijd, ik voelde me er zeer op mijn plaats.”
“Eén keer ben ik voor verlof met de boot terug
gegaan naar Nederland. Dat was heerlijk. Ik houd van het water. Maar
het was vooral fijn omdat het zo langzaam ging, het hoefde allemaal
niet zo vlug.
Met het vliegtuig ben je ineens op een andere plek. Kwam ik in
Nederland aan, dan was Indonesië heel ver weg. Kwam ik weer in
Indonesië, dan was Nederland heel ver weg. Het waren twee
werelden die niets met elkaar te maken hadden. Zo vlug heen en weer
hoppen, dat was raar. Die ene keer met de boot was heerlijk.”
“Het waren echt twee werelden. Er werd hier in Nederland
nooit over Indonesië gesproken. Niemand wist er iets van. En
in Indonesië werd niet over Nederland gesproken. Nou ja, wij
spraken over wat er in de congregatie was. Nederland was voor mij de
congregatie, van de rest hoorde je niets. Absoluut twee werelden zonder
verband.”
“In 1970 ging ik terug naar Nederland, ik had mijn tijd
gehad. Met de overgang had ik niet zoveel moeite, ik pas me gemakkelijk
aan. “
terug
ZR. RIEK VAN EMMERIK: het
terugkomen
1946
“Toen ik in Nederland kwam, was
er helemaal geen
ruimte om te praten over je ervaringen. Er werd vaak over de oorlog
gesproken, op straat, op school, door de zusters, maar dat was dan wel
altijd de oorlog hier in Nederland. Dat hadden ze hier samen
meegemaakt. Het gaf een heel eenzaam gevoel, want ik zat in mijn eentje
met wat ik had meegemaakt. Niemand kon dat begrijpen. Ik hoorde in een
ander verhaal. Ook dat, het niet kwijt kunnen, gaf een erg opgesloten
gevoel. Op een bepaalde manier ging het kampleven door. Ik werd ook
meteen op school geplaatst.”
“Later ging het anders. Toen onze eerste zusters voor verlof
uit Brazilië kwamen, kregen ze echt vakantie. Ik weet dat
rector Starrenburg er ook aan gewerkt heeft. Die zei: “Denk
erom, de zusters die uit de missie terugkomen hebben eerst verlof
nodig, ze hebben vakantie nodig.”
Maar in 1946 kwam dat niet in de hoofden op. En ook later was er geen
besef dat we in Indonesië zoveel hadden meegemaakt dat je
aandacht nodig had om dat te kunnen verwerken. We konden het verhaal
niet kwijt.
Jo van Noort kwam wel eens naar me toe en dan zei ze alleen maar:
“Jij was ook in het kamp”. Dat was al voldoende,
even aangeven “wij beiden weten ervan”.”
“Ik vraag me wel af: Waarom nu? Waarom wordt er nu ineens
naar Indonesië gevraagd?
Het roept veel op, ik heb nu wekenlang weer het jappenkamp in mijn
hoofd. Ik loop zomaar te zuchten. Maar het doet me ook goed, dat het er
eindelijk uit kan.
Maar waarom niet eerder? Ze zijn allemaal dood. Ze hebben er allemaal
mee gezeten! “
Yosé: Dit is niet specifiek iets van onze congregatie. Het
is iets van Nederland. In Nederland is - om verschillende redenen
- weinig ruimte gegeven voor wat in Indonesië
gebeurde. De oorlogen in Indonesië hebben geen plaats gekregen
in ons publieke bewustzijn, ook al waren het óók
Nederlandse oorlogen. Als het over de oorlog gaat, gaat het voor ons
idee over wat er in Nederland gebeurde. Dat komt voor het voetlicht.
Meestal komen we als ‘slachtoffer”( van de
Duitsers) in beeld. Maar in Indonesië zijn we
ook ‘daders’ geweest. Daar zijn we ons
nauwelijks van bewust. Er zijn wel journalisten, en historici geweest,
die discussies begonnen over wat Nederland in Indonesië heeft
aangericht. Maar het werd telkens weer onder tafel geschoven.
De laatste koloniale jaren: 1937-1942
“Nou, wat de Nederlanders de mensen daar in
Indonesië aandeden! Veel weet ik er niet van. We leefden in de
eigen besloten kloosterwereld, maar ik heb toch wel wat gezien. Hoe ze
omgingen met de Indonesiërs!
Onze school lag naast de Europese school. Als ik op de speelplaats
surveilleerde, kon ik zien hoe het daar toeging. Bijvoorbeeld: baboes
brachten de kleine jongetjes naar school. Zo’n jochie trok
dan zijn jasje uit, en gooide dat op de grond. Kon de baboe het
oprapen! Zo vroeg zat dat er al in, bij een kind van 5, 6 jaar. Dan had
hij al geleerd dat hij dat niet netjes hoefde aan te geven. Laat maar
vallen, die baboe bukt wel.”
terug
Koloniale
tijd
“In
Bangka was de Bankatin, de tinovens. De Chinezen die
geronseld werden in China om in de Bankatin te werken mochten hun
vrouwen en kinderen niet meenemen. De hele dag werkten de koelies bij
die hete ovens. Met natte handdoeken moesten ze hun huis beschermen.
Voor zo’n hele dag werken kregen ze dan een kwartje. Dat was
ook in 1938 héél weinig geld. Theeplukkers kregen
10 cent per dag.
In de rimboe vlak bij ons klooster was een kamp gebouwd voor de
koelies. Dat kon je zelfs geen schuur noemen, het was erger dan een
koeienstal. Een grote ruimte, daarin had iedereen een klein
stookgat om zijn potje te koken, en iedereen had een paar planken om te
slapen. Dat was het. Allemaal bij elkaar.
Formeel was het niet ons werk, maar de overste ging elke dag bij deze
mensen kijken, ze probeerde een beetje te helpen. De lui van de
Bankatin kwamen er nooit. De overste kon wat medicijnen krijgen van de
Bankatin, dat wel, om een beetje te helpen. Als mensen ziek waren of
koorts hadden. Of om hun vreselijke wonden een beetje te verzorgen.
Veel mannen moesten ook de ogen gedruppeld hebben vanwege een bepaalde
oogziekte.
De overste vroeg me wel eens op zondag, als er geen school was, om met
haar mee te gaan. Dan zei ze: “Ik neem wel eau de cologne
mee”. Dat was tegen de stank. Er waren mannen bij, die hadden
grote vuile wonden over hun hele been. De Bankatin keek er niet naar
om.
Die koelies waren andere Chinezen dan de families waarvan wij de
kinderen op school hadden. Dat waren Bangka-chinezen, die al generaties
lang op het eiland woonden, er waren gekomen als handelslui. Ze hadden
bijvoorbeeld winkels. De meesten waren welgesteld.
De koelies werden speciaal voor het werk bij de tinovens uit China
gehaald…”
“En hoe ze later de Molukkers hier behandeld hebben. Ze
hebben wel voor óns gevochten!”
terug
Nagekomen,
ook goed om te weten:
Vlak voor het ter perse gaan van deze
brochure kreeg de redactie de
informatie door, dat het bestuur van onze congregatie in 1946 wel
degelijk besefte wat onze zusters meegemaakt hadden in de kampen en dat
dat aandacht nodig had. Zr. Greet Smal weet nog, dat alle families van
deze zusters een brief kregen, waarin op de harde kampervaringen
gewezen werden.
In het Congregatieblad van december 1945 staat in de rubriek Uit
’t Moederhuis het volgende:
“(…) over de Missie behoeven we U niet veel te
vertellen. De Zusters in Indië hebben n.l. een uitgebreid
verslag gemaakt over de oorlogsjaren. Het eerste derde deel hebben we
ontvangen. In een afzonderlijk daartoe belegde bijeenkomst in de Aula
is ’t aan de verzamelde Communiteit voorgelezen, welke
voorlezing precies 3 kwartier in beslag nam. De Zusters hadden
gevraagd, of er hier een overzichtje van mocht gemaakt worden voor haar
resp. familieleden. Nu is ’t volledige overzicht hier zoveel
malen getypt (we hebben gebrek aan goede stencils), dat iedere familie
er één ontvangt en bovendien circuleren er twee
in de huizen de Congregatie. Deze twee verslagen zijn hun rondgang al
begonnen en U zult dus allen de volledige belevenissen der Zusters te
horen krijgen (…).
Dit geeft aan, dat er bij het toenmalig bestuur van onze congregatie
meer besef was voor het doorstane leed dan bij de Nederlandse overheid.
Die overheid had haar handen vol met oorlog voeren en had na 1949
weinig ambitie om het thema Indonesië hoe dan ook op tafel te
krijgen.
terug
Gevraagd over deze brochure geeft Zr. Marcellina Luders haar mening.
Zij meent dat de opdracht tot politionele actie in geen enkel verband
staat tot onze opdracht om onderwijs en ziekenzorg te verlenen aan de
lokale bevolking van Bangka.
Het is een politieke opdracht, gegeven door de Nederlandse overheid en
de onze is een kerkelijke opdracht tot missionering en
ontwikkelingswerk. Daarom vindt zij dat de ervaringsverhalen van onze
zusters niet goed passen in deze brochure: het haalt twee verschillende
zaken door elkaar.
terug
PUBLIEK VERGETEN
30
jaar na de gijzeling in Beilen
In 1977 werd Nederland opgeschrikt door
enkele
gijzelingsdrama’s. In Beilen werd een school gegijzeld en een
trein. Deze gijzelingen bleken een tipje op te lichten van een grote
‘sluier van vergetelheid’. Het maakte iets
zichtbaar van onze ongemakkelijke geschiedenis in Indonesië,
waar we liever niet aan denken.
In mei 2007 was er een kleine herdenking in Beilen van degenen die de
vier dagen gijzeling in de school hadden meegemaakt. Het was een sobere
herdenking. Er waren uitingen van ongenoegen: de gemeente wilde niet
meewerken aan een monument ter herinnering.
Onbegrip bij de witte Nederlanders. Sommigen suggereerden begrip:
“Nou ja, men begreep dertig jaar geleden natuurlijk nog niet
dat zo’n ervaring bij je blijft, dat je daar last van
houdt.”
Dát begrip lijkt niet terecht, want een ander wist te
melden: “O ja, er werden toen meteen een heleboel psychologen
op ons afgestuurd, om ons bij te staan. Maar daarna hoorde je niets
meer. Groot zwijgen.”
In Beilen leeft een grote Molukse gemeenschap. Het is een van de
redenen waarom de gijzelingen dáár plaatsvonden:
bij henzelf op de stoep. ‘In eigen huis’, om het zo
maar te noemen. In die Molukse gemeenschap zit men niet zo te springen
om een monument ter herdenking van de gijzeling. Een groot deel van de
Molukse gemeenschap was het met de aanpak van de jongeren die tot
gijzelen overgingen, niet eens. Maar ze kenden wel de onvrede die tot
de gijzeling leidde: Nederland deed maar niet wat het beloofd had:
zorgen voor een eigen onafhankelijke Molukse Republiek. Ze voelen zich
bedrogen door Nederland. Daarom willen ze niet de geschiedenis ingaan
als gijzelnemers. Dat monument ter herdenking aan de gijzeling zal er
dus niet komen. Bovendien, een monument voor vier dagen
spanning… er zijn grotere drama’s rond
Indonesië die nog geen monument kregen.
De gijzelingen rond Beilen zorgden in 1977 wel heel even voor
diepgaande discussie over ons Indonesisch erfgoed. Maar de discussies
verstomden gauw. Even werd toen zichtbaar, hoe complex ons koloniaal
verleden is. En hoe moeilijk om daarover goed in gesprek te gaan. De
discussie verliep als het ware achterwaarts.
Eerst riepen enkele kranten:
“Kom zeg, de Molukkers, dat zijn KNIL-soldaten, ze hebben
gewoon de oorlog verloren. Nou zitten ze hier. De wonden likken van hun
verlies. Daar moeten ze ons Nederlanders niet mee lastig vallen. Ze
moeten hun droom van een eigen Molukse Republiek gewoon
opgeven.”
Toen kwam er oog voor de volgende laag:
“Jawel, maar Nederland beloofde ze,
vóórdat de vrede met Indonesië werd
getekend, dat ze een eigen onafhankelijke Republiek zouden krijgen. Nu
eisen ze dat, ze zijn het wachten zat. Probleem is alleen, dat
Indonesië dat moet willen, Nederland had dat nooit mogen
beloven. Want Nederland ging juist zijn zeggenschap aan
Indonesië overdragen.”
Waarop een volgend argument te horen viel:
“Maar het gaat om KNIL-soldaten, ze waren in dienst van
Nederland. Ze vochten tegen hun eigen mensen, zeg maar een soort
NSB’ers. Daar heeft Indonesië dus geen boodschap
aan.” De toon was zo’n beetje, eigen schuld dikke
bult.
Enkele tijdschriften doken wat dieper in de geschiedenis:
De bevolking van de Molukken werd in de koloniale tijd door Nederland
gedwongen om specerijen te verbouwen, in plaats van voedsel voor
zichzelf. Lange tijd lukte die aanplant alleen maar op een deel van
deze circa duizend eilandjes. Het was een begeerd product. Portugal,
Spanje, Engeland, lokale koninkrijken en China vochten om de
heerschappij over deze eilanden vanwege de specerijen. Nederland won
het. In de 17de eeuw beheerste Nederland de wereldmarkt, de gulden was
wereldvaluta (wat nu de dollar is).
In de 19de eeuw verloren de Molukken hun betekenis, men wist elders
specerijen aan te planten. De Molukken verdwenen uit de belangstelling
en werden een soort achterbuurt van Indonesië.
Om te overleven lieten de mannen zich recruteren door de Koloniale
macht. Zo kwamen ze in het Nederlandse leger, als tweederangs soldaten
uiteraard.
Deze kleine geschiedenis van de Molukken laat zien hoe complex
situaties zijn. Je kunt niet zomaar oordelen.
Terug naar Beilen. De gegijzelden uit 1977 willen een monument, voor de
vier dagen angst die ze beleefden. Dan willen de Molukkers die er wonen
ook wel een monument: omdat ze bedrogen werden door de Nederlandse
regering en hun land verlieten vanwege een valse belofte. Ze verlieten
hun land (eilanden) en zijn het kwijt, voorgoed moeten we aannemen. Uit
armoede moesten ze dienen in dat leger van de bezetter. Ze worden voor
landverraders uitgemaakt. Ze zijn eeuwen lang koloniaal
uitgebuit… Ook dat zou mogen worden herinnerd.
De gijzelingen zijn indertijd redelijk goed afgelopen, al vielen er wel
een paar doden. Ze zijn vergeten. Want met die gijzeling kwam een
ongemakkelijke discussie boven tafel, waar geen oplossing voor was.
Nederland zat niet te wachten op een diepgaand onderzoek naar wat er
allemaal gebeurde rondom de onafhankelijkheid van Indonesië.
Dus werd besloten te zwijgen, te laten vergeten, weg uit de aandacht.
Onze ongemakkelijke geschiedenis blijft buiten het publieke geheugen.
De Nederlanders die tijdens en na de Tweede Wereldoorlog in
Indonesië leefden, werden daar slachtoffer van. Voor
hún leed was geen plaats in het herinneren van
Nederlandse geschiedenis. Veel aandacht altijd rond 4 en 5 mei, maar
nauwelijks in augustus, de maand dat Indonesië werd
bevrijd; Japan capituleerde; de Tweede Wereldoorlog
echt ten einde was. Augustus, de maand ook dat Indonesië zich
zelfstandig verklaart en Nederland de oorlog begint. Geen herinneren
van de ‘politionele acties’. Pas in augustus 2005
kwam de Nederlandse regering tot een andere houding, mede dank zij
minister Bot, die als kind in Indonesië en in het kamp leefde.
En de herdenking in augustus krijgt na 60 jaar een officiëel
karakter. Een verandering die velen nog ontgaat.
Ook degenen die terugkwamen uit de concentratiekampen delen dit lot:
degenen die overleefden wat velen niet overleefden. Ook voor hun leed
was geen aandacht. Maar hun verhalen zijn in ieder geval wel aanwezig
in het publieke geheugen.
Nederland heeft veel onverwerkte geschiedenis. Veel recente
geschiedenis heeft geen plaats gekregen in het publieke geheugen. Met
publiek geheugen wordt bedoeld: alle gebeurtenissen en
personen die bijna iedereen kent, bijvoorbeeld: Tweede Wereldoorlog.
Koningin Wilhelmina. Moord op Kennedy. Apartheid Zuid Afrika. Val van
de muur. Maar andere gebeurtenissen vergeten we, en het zijn enkelingen
die het zich blijven herinneren: degenen die het meemaakten en soms een
enkele deskundige.
Alleen door veel herhaling blijft iets in dat publieke geheugen hangen.
Er zijn verschillende oorzaken waarom sommige gebeurtenissen
géén plek krijgen in ons publieke geheugen.
Enkele ervan willen we kort bespreken.
terug
Een
onderzoek
In Nederland is er na 1945 veel aan gedaan
om de Tweede Wereldoorlog en
wat daarin gebeurde in herinnering te houden. Elk jaar weer de
dodenherdenking en viering van de bevrijding. Tegelijk is er veel niet
in herinnering gehouden. We vergeten op heel verschillende manieren.
Over dat vergeten wordt ook geklaagd. Een paar groepen kregen het voor
elkaar dat hun klacht werd onderzocht: omdat ze met genoeg klagers
waren; omdat ze de goede relaties hadden; omdat ze georganiseerd waren.
Zo is er onder de regering van Wim Kok in de jaren 90 een onderzoek
gestart naar de klacht, dat de mensen die de concentratiekampen in
Duitsland overleefden en naar Nederland terugkeerden, hier slecht
ontvangen werden.
In 2001 werd het resultaat van dat onderzoek gepubliceerd in twee delen:
‘De Meelstreep: Terugkeer en opvang na de Tweede
Wereldoorlog’, door Martin Bossenbrok en
‘Mensenheugenis: Terugkeer en opvang na de Tweede
Wereldoorlog; Getuigenissen’, door Hinke Piersma (red.)
Onderzoek was gedaan naar de joden die terugkeerden, naar de politieke
gevangenen uit de concentratiekampen en gevangenissen, naar de mensen
van het verzet, naar degenen die uit Indonesië terugkwamen.
De conclusie was, dat al die groepen inderdaad erg slecht waren
opgevangen na hun terugkeer. De joden trof dit aanvankelijk het ergst.
Nederlanders die in de door hen verlaten huizen leefden, keken
onaangenaam verrast als de oude bewoners ineens nog levend voor de deur
stonden. Nog levend…
Mirjam Ohringer van het Auschwitzkomité, zat ondergedoken.
Ze vertelde hoe ze enkele maanden na de bevrijding op het Museumplein
liep. Er stopte een bus. De deuren gingen open. Er strompelden
lijkachtige mensen uit. Niemand ving ze op. Ze moesten maar zien waar
ze heen gingen.
Er waren ook betere verhalen, mensen die door het Rode Kruis werden
opgevangen. Maar ook: in Auschwitz behoorden de Nederlanders die hadden
overleefd tot een van de laatste groepen die werden teruggehaald. En
ook: in Ravensbrück was Nederland een van de laatste landen
die een eigen tentoonstelling inrichtte in het cellenblok dat daarvoor
was aangewezen. Dat gebeurde pas in 1987.
Sommigen herinneren zich dat in de jaren 70 en 80 regelmatig discussies
opkwamen over een pensioenregeling voor slachtoffers van
concentratiekampen. Het waren genante discussies.
terug
Aanpakken
Het onderzoek dat in “De
Meelstreep” is vastgelegd,
onderschrijft de klacht, zowel van de slechte opvang na de oorlog als
van de slechte pensioenregelingen.
De onderzoekers menen dat er over het geheel genomen in Nederland
weinig begrip was voor het specifieke en diepe leed van de overlevenden
van de kampen en voor de levenslange beschadiging waarmee zij leefden.
Voor de Nederlandse overheid was het ook moeilijk om voor een goede
opvang te zorgen. Nederland was als gehele samenleving sterk ontwricht,
sociaal en economisch. Er was veel vernield door zware bombardementen
op diverse plaatsen en door de ligging aan zee: vaak waren overgebleven
bommen afgegooid voordat de vliegtuigen terugvlogen naar Engeland. Er
waren veel terugkerende Nederlanders, ook doordat er tegelijk zo velen
uit Indonesië terugkeerden.
Een andere belangrijke factor: slecht bestuur
. Er was onenigheid over, wie de verantwoordelijkheid had voor de
repatriëring: leger of Rode Kruis.
. Binnen de Nederlandse overheid was onenigheid tussen hen die in kamp
Vught plannen hadden beraamd, de verschillende verzetsgroepen en de uit
ballingschap terugkerende regering.
. Er waren provincies die de zorg voor repatrianten liever in eigen
hand hielden dan het aan het verre Den Haag over te laten.
. Maar vooral ook was er heftig geschil tussen de Nederlandse regering
enerzijds en de Geallieerde Raad anderzijds, die repatriëring
als een militaire aangelegenheid zag en meende dat hij het moest
bepalen.
Al die geschillen binnen en tussen bestuursorganen maakten dat de
terugkeer niet soepel werd geregeld en dat de opvang nogal eens
haperde. Voor de personen in kwestie kon dat uitermate pijnlijke
gevolgen hebben, met name als teruggekeerden hier geen familie (meer)
hadden.
Daar kwam dan nog bij, dat de grote vernielingen, de schaarste en chaos
bij overheden en besturen van alle rangen en standen leidden tot een
mentaliteit van: “Niet zeuren, kiezen op elkaar, we hebben
het allemaal moeilijk, schouders eronder, opbouwen. Meebouwen!
Aanpakken!”
Dit “samen de schouders eronder” gaf een warm
gevoel aan hen die samen de oorlog hadden doorleefd. Tegelijk sloot het
degenen buiten die de oorlog op een andere wijze hadden overleefd: in
concentratiekampen, gevangenis, verzet. En vooral in
Indonesië. Het was ver weg en sloot niet aan bij het algemene
gevoelen. Bovendien herinnerde het al gauw aan een verloren oorlog en
werd weggemoffeld.
terug
Eén
publiek verhaal
In de kringen van overlevenden van
concentratiekampen is bekend, dat
binnen die kampen over het algemeen de politieke gevangenen het beste
wisten te overleven, lichamelijk en psychisch. Ze zochten elkaar op,
waren elkaar tot steun en trokken elkaar erdoor. De gezamenlijkheid gaf
een bepaalde kracht. Degenen die om welke reden ook niet tot een groep
behoorden, raakten veel zwaarder beschadigd of overleefden niet.
Binnen Nederland gebeurde er iets dergelijks. Juist de groepen die in
de oorlog het zwaarste geleden hadden, konden zich steeds minder
herkennen in het grote Nederlandse gevoelen rondom de oorlog.
. Veel mensen uit het verzet waren gedesillusioneerd door het
na-oorlogse Nederland, met name toen Nederland een oorlog tegen
Indonesië begon. Het communistische verzet, dat het sterkste
was geweest, viel al in 1946 uit de gratie omdat in de Tweede Kamer
alleen de communistische partij openlijk tegen de oorlog met
Indonesië was. Dat werd als landverraad gezien en de
communistische partij verloor dat etiket nooit meer. Veel Nederlanders
realiseren zich nu niet meer dat de verzetskern juist in deze groep te
vinden was.
. De mensen die de concentratiekampen hadden overleefd, wisten niet hoe
ze over hun verschrikkelijke ervaringen moesten communiceren. Het was
te erg. Teruggekeerd, waren ze vaak ook totaal vervreemd van hun
familie. Er waren veel echtscheidingen in deze kringen. In de kerken
werd – als het om christenen ging - daar
veroordelend op gereageerd.
. De mensen die uit Indonesië terugkeerden, kwamen al helemaal
uit een andere wereld. In Nederland werd het bevrijdingsverhaal al gauw
een officiëel geredigeerd verhaal. Dit publieke verhaal ging
over wat hier was gebeurd en wat Nederland in de herinnering wilde
vasthouden. Over Indonesië was al gauw niets anders meer in de
aandacht dan de oorlog die gaande was. Er werd massief
gerekruteerd voor soldaten. Voor de gerepatrieerden die uit de
Jappenkampen en uit die oorlog kwamen was er minimale aandacht. Toen
Nederland op 27 december 1949 de onafhankelijkheid van
Indonesië eindelijk erkende, werd het hele thema
Indonesië taboe.
De mensen die in het verzet, in de concentratiekampen en in de
Jappenkampen hadden overleefd, raakten enerzijds in een isolement omdat
ze hun ervaringen nauwelijks konden verwoorden, en niet konden delen
met de directe omgeving. Ze raakten bovendien in een isolement, omdat
ze in het publieke verhaal niet meer voorkwamen of zich niet herkenden.
Het gevoel dat hun leed én hun kracht om te overleven niet
werd erkend, is breed aanwezig in deze groepen.
Het boek “De Meelstreep” zegt daarover:
“Als de oud-illegalen zich meenden te kunnen beroepen op hun
hoofdrol in de nationale verzetsmythe, kwamen ze bedrogen uit. Zeker,
een klein maar onverschrokken volk, door een vaderlandslievende
keurbende aangevoerd in de strijd, waardoor het verzet groeide en
groeide. Dat was de van overheidswege zorgvuldig opgebouwde nationale
herinnering. Dat was het beeld dat in het collectieve geheugen werd
gegrift… In de reconstructie van het oorlogsverleden werd
‘het verzet’ opgepoetst tot een keurmerk voor de
hele samenleving. In de feitelijke wederopbouw van de naoorlogse tijd
zit de verzetsstrijder in het verdomhoekje van het
oorlogsverleden.” (pag 489)
Direct na de Tweede Wereldoorlog werden de geallieerden bovendien
vijanden en begon de Koude Oorlog. Alleen de Amerikanen werden
voortdurend als de bevrijders genoemd. Dat Nederland ook door Canadezen
en Polen werd bevrijd, ligt niet zo vóór in het
geheugen.
In Indonesië waren het Engelse en Australische soldaten, maar
in onze publieke geschiedschrijving wordt dat zelden benoemd.
De meeste overlevenden van concentratiekampen werden door de Russen
bevrijd. Dat mocht al helemaal niet gezegd worden.
Wie de grote bevrijders na die vijf jaar bezetting werden genoemd, is
sterk bepaald door politieke belangen van ná de oorlog: het
NAVO-bondgenootschap, en Nederlands behoefte om met de Verenigde Staten
goede (handels)relaties te hebben.
De Verenigde Staten gaven bovendien aan de West-Europese landen
Marshallhulp. Mét die hulp werd ook de duiding van de
geschiedenis gegeven.
terug
Geen
erkenning
Ook de gang van zaken rond de pensioenen
werd kritisch onder de loep
genomen in het onderzoek dat “De Meelstreep”
beschrijft. Pas vrij laat, in de jaren zeventig, kwam er in Nederland
een procedure op gang om mensen die in de Tweede Wereldoorlog
beschadigd raakten, een soort pensioen te geven. Er ontstond veel
gehakketak. Feitelijk werd degenen die het betrof opnieuw veel leed
berokkend.
In “De Meelstreep” wordt aangegeven, dat er een
fatale vorm van bureaucratisering plaatsvond, met verkeerde bewijslast,
en gebrek aan inzicht in wat de overlevenden van verzet en kampen echt
nodig hadden.
Hen ging het niet allereerst om geld, om een schadevergoeding. Het ging
hen allereerst om erkenning. In de hele procedure van pensioen
aanvragen, en wel of niet toekennen ontbrak die erkenning. Integendeel:
velen voelden zich miskent.
Wat namelijk gebeurde, was de omgekeerde bewijslast. Een
schadevergoeding werd niet toegekend omdat iemand had geleden in een
kamp, maar als iemand kon aantonen dat hij/zij (gedeeltelijk)
arbeidsongeschikt was op basis van het kampverleden. De hele vraag van
de schadeloosstelling voor het leed werd dus gereduceerd tot de vraag
van het nut voor de samenleving. Het oorlogspensioen werd gereduceerd
tot een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
De psychiaters die indertijd van overheidswege deelnamen aan die
onderzoeken, stelden dat het erg moeilijk was om na zoveel jaren (30
jaar) nog zeker te kunnen zijn dat een bepaalde arbeidsongeschiktheid
direct verband hield met de kampervaringen. En adviseerden daarom
veelal negatief.
Het onderzoek “De Meelstreep” van de jaren 90 gaf
aan, dat daarmee een fundamentele fout was gemaakt, om twee redenen.
Precies in de jaren 70 werd helder, dat de ergste psychische gevolgen
van de kampervaringen juist pas na zoveel jaar uitbraken en de mensen
veel problemen gaven.
Maar vooral: de overheid had de vraag om de oorlogspensioenen nooit
mogen koppelen aan de vraag van de arbeidsongeschiktheid. De
overlevenden van de kampen hadden enige vorm van schadeloosstelling
dienen te ontvangen als blijk van erkenning voor het ervaren leed. De
vraag van arbeidsgeschiktheid had daar los van moeten staan. Ze hadden
nooit onderworpen mogen worden aan een bewijslast, in welke mate ze wel
geleden zouden hebben (of niet). De bureaucratische procedures met vaak
een negatieve beslissing had op de slechts denkbare wijze vreselijke
herinneringen boven gehaald. En het eindoordeel werd veelal ervaren als
weer een ontkenning van wat de mensen hadden moeten doormaken. Zowel
hun leed als hun overlevingskracht werd miskend. Zo voelde dat.
De resultaten van het onderzoek werden in het najaar van 2001
aangeboden aan minister-president Wim Kok. Hij beloofde dat de regering
zich de bevindingen zou aantrekken. Enkele maanden later verscheen het
grote onderzoek over Srebrenica, en de regering Kok trad af. Zeer
turbulente verkiezingen met Pim Fortuyn leverden uiteindelijk een
regering op die met harde hand ging snijden in alle wao-regelgeving.
Pensioenherziening voor de laatste nog levende kampoverlevenden was van
de baan.
Bovendien was het politieke wereldbeeld veranderd. Er waren twee
vliegtuigen in de WTC torens in New York gevlogen. President Bush
verklaarde de “oorlog tegen het terrorisme” en viel
Afghanistan en anderhalf jaar later Irak binnen. Nederland ging mee in
die oorlogen. De late maar zorgvuldige aandacht voor de laatste
overlevenden van de kampen uit de Tweede Wereldoorlog verdween naar de
achtergrond.
terug
Nog
een onderzoek
Ook een degelijk onderzoek over ons eigen
oorlogsverleden kreeg geen
aandacht omdat de wereld in de ban was van de ‘nieuwe
oorlog’. Het politieke klimaat zat tegen.
In 2002 werd een ander onderzoek afgerond, voor een proefschrift. Stef
Scagliola publiceerde haar onderzoek onder de naam “Last van
de oorlog. De Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië en hun
verwerking” (uitgeverij Balans). Dit onderzoek maakt helder
waarom het de mensen uit Indonesië nog veel slechter verging
dan de teruggekeerden uit nazi-kampen.
Toen de oorlog hier in Nederland beëindigd was, begon
Nederland de oorlog met Indonesië, om te voorkomen dat het
onafhankelijk zou worden. Dat gegeven bepaalde de toon over
Indonesië, het bepaalde de toon in Nederland.
Alle politieke inspanning vlak na de Tweede Wereldoorlog richtte zich
op het behoud van de kolonie. En alle politieke aandacht ging ernaar
uit enthousiasme te vinden bij de jongens die moesten gaan dienen en
bij hun families. Allen werden gesommeerd zich achter de oorlog te
scharen. Die propaganda, in het jasje van een heldenrol, liet weinig
ruimte aan degenen van de bevolking die oorlogstrauma’s te
verwerken hadden.
Een land dat een oorlog voert en daar enthousiaste militairen en
enthousiaste families van militairen voor nodig heeft, kan niet
tegelijkertijd veel aandacht geven aan oorlogstrauma’s. Zo
was dat in 1945 en daarna en zo is dat weer in 2002 en daarna.
Voor wat betreft Indonesië, ging alle publieke aandacht dus
naar het behouden van de kolonie. Nederland was
wéér in oorlog, maar in een andere rol. In 1947
kwamen de eerste berichten over oorlogsmisdaden. Daarover moest
gezwegen worden. Toen Indonesië onafhankelijk werd was het
onderwerp taboe.
Er volgden lange jaren van zwijgen en bijna zwijgen. Alle groepen die
op zeer verschillende manieren met Indonesië te maken hebben
gehad, werden door dat zwijgen geraakt: overlevenden van de
Jappenkampen, ‘Troostmeisjes’, veteranen,
Indonesiëweigeraars, dienstweigeraars, Molukkers
(KNIL-soldaten en familieleden).
terug
DE
OORLOG 1945-1949
Kroniek: gegevens uit Keesens Archief
1945, 14 augustus: Japan capituleert
17 augustus: Soekarno roept de Republiek uit
3 september: Admiraal Mountbatten beveelt de Japanners om de
Indonesische Replubiek te ontbinden.
12 september: Japanse capitulatie in Zuid Oost Azië
29 september: Britse troepen landen te Batavia
16 oktober: begin van een lange reeks Nederlandse verklaringen.
Nederland stelt voedselboycot in
25 oktober: hevige gevechten in Soerabaja
2 november : Times meldt: Nederland lokt gewapend conflict uit
30 november: Nederlandse ex-geinterneerden keuren Nederlands beleid af
dat slechte voormalige leiders in functie herstelt.
24 december: Het Indonesische volksleger mag Japanse leger ontwapenen
27 december: Mislukte aanslag op Sharir, de man naast Soekarno
30 december: Nederlandse mariniers landen te Tandjong Priok
1946, 3 januari: 1946 eerste gerepatrieerden arriveren in Nederland
2 maart: Nederlandse troepen landen op Bali
8 maart: kleine Soenda-eilanden bezet door Nederland
9 maart: negen bataljons Nederlandse troepen landen op Java
25 maart: nog steeds 26.000 Japanezen in Midden-Java
27 maart: Nederlandse strijdkrachten landen op Lombok
9 april: Indonesische luchtmacht opgericht
20 april: Sumatra geeft zich status van autonome provincie
23-24 april: Nederlands-Indonesische bespreking
2 december: inmiddels 13.373 Indonesiërs gesneuveld, 15 maal
meer dan aan Britse en Nederlandse zijde
11 december: staat van beleg op Celebes. december-februari 1947:
Kapitein Westerling treedt meedogenloos op tegen opstandelingen. Veel
standrecht (op straat neerschieten, op verdenking van rebel zijn)
12 december: Soendanese Volksbeweging eist een vrije staat
20 december: Tweede Kamer keurt regeringsbeleid goed
1947, 5 februari: Nederlandse troepen bezetten Krian op Java met zware
wapens
12 februari: Indonesische legerleiding beveelt “staakt het
vuren”
25 februari: Soekarno vraagt vertrouwen in Indonesische capaciteit
3 maart: Indonesische vakbeweging nodigt Nederlandse vakbeweging uit
8 maart: Nederlandse journalisten melden: de wens naar vrijheid leeft
breed in de Indonesische bevolking, niet enkel bij dunne bovenlaag
12 maart: Republikeinse regering klaagt over handelsboycot
door Nederland
15 maart: Arabische staten erkennen de Republiek
17 maart: Nederland bezet Republikeins gebied op Soerabaja
25 maart: Nederland erkent Republikeins gezag op Java, Madura, Sumatra
22 april: eerste zitting Parlement Oost-Indië
3 mei: Sumatra verklaart zich autonoom gewest
6 mei: Soendanezen op Java proclameren zich onafhankelijk van
Indonesische Republiek
13 mei: West-Borneo officieel autonoom gebied, contact met Republiek
13 mei: Molukken, Minahassa en Timor wensen eigen status
23 mei: staatsgreep Soendaneze Volkspartij
27 mei: Nederland stelt ultimatum aan Republiek
3 juni: Indonesisch leger ingesteld
12 juni: 89.178 Nederlandse soldaten op Java en Sumatra
24 juni: bestuur in Oost-Indonesië aan Republiek overgedragen
5 juli: Republiek vraagt bemiddeling VS.
10 juli: minister-president Beel stelt dat Nederland moet gaan handelen
20 juli: Nederlandse soldaten gaan op alle fronten in de aanval. Dit
worden de 1ste ‘politionele acties’ genoemd
21 juli: twee personentreinen gebombardeerd
24 juli: 20.000 mensen demonstreren in Amsterdam tegen de oorlog
1 augustus: VN Veiligheidsraad eist onmiddellijk staken vijandelijkheden
5 augustus: om middernacht einde ‘politionele
acties’
20 augustus: er zijn nog steeds schermutselingen
29 augustus: Nederland aanvaardt VN-resolutie, en houdt vast aan
verantwoordelijkheid in Indonesië
schermutselingen gaan voort: aanslagen, kampongs afbranden, over en
weer doden, martelen. Eerst schieten dan praten.
19 december 1948-5 januari 1949 2de ‘politionele
acties’.
“Militair was zij even omvangrijk als de eerste, maar
aanzienlijk grimmiger: de bevolking zelf werd als vijand gezien.
“We schoten op alles wat bewoog.” Het militaire
doel: het innemen van Yokyakarta, werd vlot, nl. op 19 december,
bereikt. De regeringsleiders werden gevangen genomen en afgevoerd naar
Brastagi op Sumatra. Maar de guerrilla woedde voort. Er werden
aanzienlijke verliezen geleden.
Politiek was zij een catastrofe. De tactiek was om te profiteren van
het kerstreces van de Veiligheidsraad en in de tussentijd een snel
militair succes te behalen, om vanuit een fait accompli internationaal
te kunnen onderhandelen. Daar kwam geen spaan van terecht. Alle leden
spraken al op 28 december 1948 een vernietigende veroordeling van de
aktie uit, die algemeen als een schending van het Renville-bestand werd
gezien. Tot heftige verontwaardiging van de Nederlandse delegatie ging
de Australische afgevaardigde zo ver om te zeggen dat hetgeen Nederland
tegen de Republiek had gedaan erger was dan hetgeen Hitler tegenover
Nederland had gedaan.” (bron: WEBSITE Universiteit van
Amsterdam)
In mei 1949 komt een akkoord over de onafhankelijkheid tot stand.
Op 27 december 1949 vindt de soevereiniteitsoverdracht plaats. Tot 2004
zal Nederland deze datum zien als formele datum voor de
onafhankelijkheid van Indonesië.
terug
PUBLIEK ONTKENNEN:
Overlevenden
van de jappenkampen
Voor de overlevenden van de Jappenkampen
was er in de loop der jaren
wel af en toe enige aandacht in het publieke verhaal. Maar de aandacht
was beperkt. In de publieke herinnering realiseren weinigen zich, dat
gerepatriëerden uit Indonesië in augustus hun
bevrijding herdenken. Deze groep organiseert zelf jaarlijks een
nationale herdenking, pas sinds 2005 met een officieel karakter.
De Birmaspoorweg en wat daar gebeurde kreeg langzamerhand wel aandacht
en bekendheid. Maar ook die bekendheid beperkte zich tot
geïnteresseerden.
Sinds enkele jaren neemt de publiciteit rond de
“Troostmeisjes” toe. Met
‘Troostmeisjes’ wordt bedoeld: jonge vrouwen in de
Jappenkampen, die werden aangewezen voor het seksuele vermaak van de
Japanse soldaten. Nederland werkt er aan dat Japan deze oorlogsmisdaad
erkent en zich verontschuldigt. De houding van Japan is wisselend:
weigering, ontkenning, toch erkenning. Dit haalt soms het nieuws.
Als Nederlanders weten we veel over het leed binnen Nederland in de
oorlog. Ook is algemeen veel bekend over wat er gebeurde in de
concentratiekampen van de nazi’s. Samen herdenken we dat
jaarlijks. Jaarlijks zijn er radio- en televisieprogramma’s
in mei. Veel minder vaak horen we over wat de mensen in de
Jappenkampen meemaakten. Dat de Nederlanders in Indonesië in
Jappenkampen geïnterneerd waren, weten velen niet of
nauwelijks. Je kunt rustig zeggen: dat werd niet gegrift in de publieke
herinnering. De aandacht werd ervan weggeleid. De oorzaken daarvoor
werden al besproken:
. Nederland was behoorlijk beschadigd, de chaos was groot.
. In het naoorlogse “Samen aanpakken, samen weer opbouwen,
samen bevrijd” is geen ruimte voor kleine groepen met andere
verhalen.
. Het gemeenschappelijke leed werd gemeenschappelijk verwerkt in de
grote georganiseerde herinnering zonder veel ruimte voor specifiekere
oorlogservaring.
.In de eerste jaren na de oorlog stond Indonesië vol in de
politieke aandacht, maar dan vanwege de oorlog.
. Toen Indonesië onafhankelijk was geworden, werd het gesprek
over de ex-kolonie vermeden omdat er binnen Nederland te veel
tegenstrijdige gevoeligheden waren rond Indonesië.
Indonesië was explosief als thema. Daardoor verdween ook de
aandacht voor de overlevenden van de Jappenkampen.
De gijzelingen bij Beilen zetten Indondesië voor het eerst
weer op de kaart van het politieke debat en de publieke opinie. Maar
dat debat werd ingeperkt en zakte snel weer in.
terug
(
Naweeëen van een ontkende oorlog:)
Molukse gemeenschap
Door de gijzeling bij Beilen in 1977 kwam
er aandacht voor de Molukse
gemeenschap. Hen was tegen het einde van de “politionele
acties” een onafhankelijke Molukse Republiek beloofd. In 1977
was de derde generatie aan het opgroeien. Men voelde zich bedrogen, een
vergeten groep. Bovendien leefde een groot deel van de
gemeenschap anno 1977 nog steeds in tijdelijke opvang: in
kamp Vught en op andere plekken, in afwachting van hun terugkeer naar
hun eigen eilanden.
De gijzeling bij Beilen bracht uiteindelijk vooral publieke aandacht
voor de vraag van de integratie van deze groep. Politiek moest erkend
worden dat zo’n zelfstandige republiek nooit zou lukken. Er
werd gewerkt aan betere behuizing voor de Molukse gemeenschap. Er werd
gewerkt aan een duurzaam verblijf, aan vernederlandsen, aan vaste
banen. Politiek Den Haag ging in gesprek met de Molukse gemeenschap IN
NEDERLAND.
De andere groepen bleven buiten de aandacht en Nederland hoefde zijn
geschiedenis met Indonesië nog niet te herschrijven.
terug
KNIL-soldaten
Bij het KNIL dienden niet alleen Molukkers.
Ook veel
“Indische” mannen waren lid van het KNIL.
“Indische” mensen waren nakomelingen van gemengde
huwelijken tussen Indonesiërs en Nederlanders. Beide groepen
meden elkaar, ook hier in Nederland. De “Indische”
mensen verweten het de Molukkers na die treinkaping dat ook zij erop
werden aangekeken, omdat wij Nederlanders al die groepen niet weten te
onderscheiden.
Met name onder de “Indische mensen” waren er veel,
die aanvankelijk in Indonesië bleven na de onafhankelijkheid.
Zij zagen dat als hun land. Door veel Indonesiërs werden ze
echter als “Hollanders” en
“kolonialen” gezien. In het onafhankelijke
Indonesië hadden ze het moeilijk om een behoorlijke baan te
krijgen. Met name in deze groep vinden we de
“spijtoptanten” die in de jaren 50 alsnog naar
Nederland kwamen. Hier werden ze stevig gediscrimineerd als
Indonesiërs. Ook zij verloren een vaderland.
terug
Veteranen
Het oorlogsleed rondom de
‘politionele acties’ is
velerlei. In de publieke ruimte was er de meeste aandacht voor de
veteranen en hun leed. Die aandacht was dan vooral: begrip vragen voor
hun trauma’s en dus geen lastig debat voeren.
Debatten over de ‘politionele acties’ zijn
inderdaad lastig, omdat er zeer uiteenlopend is en nog wordt geleden.
Er zijn families die hun zoon, man, broer hebben verloren in die jaren.
Zij bleven achter met grote vragen:
‘was dat nou nodig geweest?’
‘Was het voor niets, we konden Indonesië toch niet
behouden?’
‘Had de regering dat niet kunnen weten, waarom zoveel jongens
opofferen?’
Er zijn er ook die hetzelfde gevoel kregen als veel Duitsers:
‘onze man, broer, vader is gestorven voor een slechte
zaak.’
Dat is bitter. Niemand werd geholpen om het te verwerken. Dat moest
maar ieder voor zich in stilte doen. Indonesië was
‘out’.
Er zijn de mannen die levenslang invalide uit de oorlog terugkeerden.
Zij worstelen met dezelfde vragen. Ook zij hadden de bittere ervaring,
dat er nadien voor hen geen begeleiding was om het te verwerken. Ze
waren verliezers. Sommigen voelden zich afgewezen omdat ze als soldaat
‘niet geslaagd waren, geen succes hadden gehad’.
Anderen voelden zich verraden omdat ze zich misbruikt voelden voor een
slechte zaak en dan ook nog in de steek werden gelaten.
Er zijn de veteranen die al in de jaren dat ze in Indonesië
waren teleurgesteld raakten, ontgoocheld, verbitterd. Ze maakten mee
hoe kameraden gruwelijk geweld gebruikten tegen onschuldige burgers, of
tegen krijgsgevangenen.
Degenen onder hen die probeerden dat te rapporteren naar Den Haag,
merkten dat dat niet zomaar ging. Soms wilden hun officieren daar te
velde het niet doorgeven. Soms wilde de gouverneur het niet naar
Nederland melden. Soms wilde Den Haag het niet horen, omdat het in
Nederland niet bekend mocht worden: het volk moest de oorlog blijven
steunen.
Enkelen hebben in de jaren 60 en 70 geprobeerd publieke aandacht te
krijgen voor de oorlogsmisdaden in Indonesië. Ze werden
onmiddellijk door veteranengroepen aangepakt als verraders,
nestbevuilers. Zo bracht in 1969 Hueting naar buiten aan welke
oorlogsmisdaden hij en zijn collega’s zich hadden schuldig
gemaakt. Hij kreeg de volle laag als verrader.
Er zijn de veteranen die overtuigd blijven een goede zaak gediend te
hebben. Ze hebben voor hun vaderland gevaren geriskeerd, zijn gewond
geraakt, hebben kameraden verloren. Hun opvatting is:
“Natuurlijk gebeuren er in een oorlog gruwelijke dingen, het
is oorlog. Wie daar achteraf over klaagt is een watje en
beseft niet wat oorlog is.” Ze weigeren een debat
over oorlogsmisdaden toe te laten, omdat ze het niet verdienen als
misdadigers te worden nagewezen.
Deze laatste veteranengroep heeft verhinderd dat Poncke Prinsen nog
eens naar Nederland mocht komen. Poncke Prinsen is als Nederlands
soldaat in Indonesië gedeserteerd en heeft zich bij de
bevrijdingsstrijders gevoegd. Daarop stond toen de doodstraf.
terug
Dienstweigeraars
Nederland kende al vanaf 1923 de
mogelijkheid van
dienstweigering. Dat was mogelijk op basis van
gewetensbezwaren: religieuze of morele bezwaren. Politieke bezwaren
werden niet erkend. Na de Tweede Wereldoorlog waren er maar weinig
organisaties die principiële dienstweigeraars wilden
ondersteunen. Het grote argument was: “Wie had ons dan van
Hilter bevrijd”. Er was een antistemming tegen pacifisten.
Dienstweigeraars werden alleen door de Doopsgezinden, Kerk en Vrede en
de socialistische Algemene Nederlandse Vredes Actie gesteund.
(Helemaal zuiver is dat argument over Hitler niet. Duitsland mocht zich
na 1918 niet meer bewapenen. Juist in 1933 werd dat weer wel toegestaan
door de Volkenbond. Toch was toen al helder wie Hitler was. Maar
Engeland en Frankrijk hadden groot belang bij opvoering van hun
bewapening: door de wapenindustrie werd economische groei bevorderd.
Daarom lieten ze Hitler begaan met zijn wapenopbouw.)
Voor de oorlog tegen Indonesië werd in Nederland heel zwaar
gerecruteerd. Wie niet wilde dienen, werd op de radio dagelijks als
volksverrader of slappeling afgeschilderd.
Desondanks meldde zich vanwege de oorlog met Indonesië een
heel grote groep als dienstweigeraar. De dienstweigeraars kwamen voor
strenge commissies. De regering maakte het hen zo moeilijk mogelijk.
Als ze eenmaal als dienstweigeraar erkend werden, werden ze op andere
wijze te werk gesteld. Een grote groep kwam in kamp Vledder terecht, op
de Drentse heide voor ontginningswerk. Een andere groep kwam in de
Noordoostpolder voor vlastrekken. Deze vervangende dienstplicht duurde
drie tot vier jaar.
terug
Indonesiëweigeraars
Vanwege de oorlog met Indonesië
kwamen er echter ook politieke
weigeraars. Zij noemden zich Indonesië-weigeraars.
Deze groep werd bijzonder slecht behandeld. Ze kwamen voor de
krijgsraad. Hun motief was van politieke aard, het was geen algemeen
pacifistisch gewetensbezwaar. Ze wensten niet mee te doen aan de oorlog
tegen Indonesië. Het belangrijkste motief was: “Ik
ga in Indonesië niet doen wat de moffen hier bij ons hebben
gedaan.”
Er werden psychologen bijgehaald. In die rapportages heet het
‘dat het gaat om jongens die niet weg willen bij moeders
pappot. Angst voor het vreemde.’ Zij werden als psychisch
zwak aangeduid. Dat beeld wordt nog steeds ook onder wetenschappers
overgenomen.
Deze jongens kwamen in interneringskampen. Feitelijk betekende het, dat
ze in dezelfde strafkampen terechtkwamen waar veroordeelde NSB-ers
zaten. Dát is wat tot op heden het meeste steekt.
Veel van die Indonesië-weigeraars hadden gedurende de oorlog
in het actieve verzet gezeten. En nu werden ze met NSB-ers op
één hoop gegooid als landverraders. Bovendien
werden ze slechter behandeld dan de veroordeelde NSB-ers. Voor de
NSB-ers was er een soepele bezoekregeling, maar voor de
Indonesië-weigeraars was die er niet. En de NSB-ers kwamen
allemaal vervroegd vrij, op 2/3 van hun straf. De
Indonesië-weigeraars moesten de straf, meestal vijf jaar, tot
op de laatste dag uitzitten.
Tot op heden werden deze mannen nooit gerehabiliteerd. Ze konden hun
leven lang geen baan krijgen in overheidsdienst.
Dienstweigeraars die niet erkend werden en volhardden in hun weigering,
kwamen ook voor de krijgsraad. Zij werden behandeld als
Indonesië-weigeraars.
Ondanks die zware behandelingen waren er veel weigeraars. Aanvankelijk
waren er 30.000. Met beloften en dreigementen in een lange procedure
– tot op de boot toe - slonk dat aantal uiteindelijk tot
3.000.
De angst voor desertie was groot bij de overheid. De spoorlijnen
waarlangs de treinen met rekruten naar de haven gereden werden, werden
zwaar bewaakt door soldaten met geweer in de aanslag op korte afstanden
van elkaar.
terug
(Doofpotmentaliteit
)
Er is veel gebeurd in en rond
Indonesië, dat publieke aandacht
zou moeten hebben. Het is deel van ons verleden. Nederland als land en
als volk zou dat moeten erkennen, verwerken, rechtzetten, weten.
De discussie om eerherstel voor de Indonesië-weigeraars wordt
nog steeds in heel kleine kring gevoerd. Weinigen wagen zich eraan in
het openbare debat. Intussen zou het voor de meesten postuum zijn.
Over wat er in Indonesië aan gruweldaden is gebeurd, zijn wel
onderzoeken verricht. In een kleine kring zijn die onderzoeken bekend,
bij enkele geïnteresseerde journalisten, bij historici.
De organisaties van veteranen hebben zich altijd heftig geweerd tegen
onderzoek naar ‘oorlogsmisdaden’. En er waren
altijd politici die hen hielpen. Met het argument dat men geen oude
wonden mag openscheuren, wist politiek Den Haag de discussie altijd
weer te stoppen.
Lou de Jong kreeg opdracht ook een deel van zijn historisch werk te
schrijven over Indonesië. Zijn eerste concept in 1987, waarin
hij een hard oordeel had over de Nederlandse wandaden, lekte voortijdig
uit. Hij kreeg felle commentaren en moest zijn conclusies afzwakken.
Daarover ontstonden weer debatten. Er waren historici die spraken van
een doofpotcultuur.
terug
Zwijgcultuur
In haar onderzoek “Last van de oorlog”
geeft Stef Scagliola aan hoe het komt dat de discussies altijd weer
verstomden en onze geschiedenis in Indonesië niet doordrong in
het publieke geweten van Nederland. Er is geen publiek daderbesef,
terwijl er genoeg bekend is over de ellende die Nederland aanrichtte in
die ‘politionele acties’. Over de 400 jaar
kolonialisme hebben we het dan nog niet.
Ze stelt dat er niet een heel bewuste doofpot is. Maar, zegt ze, er
werken een aantal dingen samen waardoor politici gemakkelijk de
discussie weer onder tafel kunnen werken als die te lastig
wordt. En, een andere conclusie is: vooral politici hebben
belang bij het zwijgen. Zij namen de beslissing tot de oorlog en zij
zwegen tijdens de oorlog over de misdaden. Zij gingen door met de
oorlog.
Zowel bij media als politici werd aandacht voor die geschiedenis
afgehouden: kennis over wat toen gebeurde zou niet helpen bij actuele
besluiten om oorlog te gaan voeren.
terug
Geen
eiser
Stef Scagliola onderzocht hoe het mogelijk
was dat Nederland langs zijn
geschiedenis kan heenkijken. Duitsland wilde ook niet aan zijn
verleden, maar heeft er zich uiteindelijk over gebogen. Er zijn weinig
landen die hun verleden erkennen waarin ze een gewelddadige daderrol
hadden.
Dat Indonesië kan worden weggehouden uit ons publiek geweten
komt eerst en vooral omdat er geen eiser is. Indonesië is ver
weg. Bovendien had met name de regering Soeharto geen belang om over
oorlogsmisdaden te spreken. Want toen Soekarno door Soeharto werd
afgezet in 1966 zijn er tienduizenden Indonesiërs vermoord.
De Soekarno-regering op haar beurt had na de onafhankelijkheid alle
kracht nodig voor de vorming van een nationaal bewustzijn. En ook zijn
mensen hebben in de bevrijdingsstrijd geweld gebruikt tegen de
burgerbevolking.
De Molukse gemeenschap in Nederland wilde ook geen discussie over
oorlogsmisdaden, want de KNIL-soldaten waren vaak nog wreder dan de
Nederlanders: ze hadden meer te verliezen.
Dus: er was geen collectief slachtoffer om Nederland aan te klagen.
Daardoor is in Nederland nauwelijks iets bekend over de oorlogsmisdaden
die door ons gepleegd werden tegen de burgerbevolking en de rebellen.
Stef Scagliola onderzocht precies wat er met de discussies gebeurde.
Al in 1947 doken berichten op over ‘excessief
geweld’. De politici hielden dat buiten de publiciteit. In
oorlogstijd wil je geen discussie over schending van oorlogsrecht, want
je moet de steun van het volk houden. Het gevolg daarvan was ook, dat
politici in Nederland de ernst van de situatie ontkenden, en soms tot
verkeerde maatregelen besloten. Gevolg: de soldaten ginds liepen nog
meer gevaar. Om zichzelf te beschermen, gingen zij op hun beurt nog
meer geweld gebruiken.
Het is altijd een politieke beslissing om oorlog te voeren, en om het
geweld op te voeren. Militairen voeren uit. Maar politici zijn
verantwoordelijk. Alle grote partijen waren verantwoordelijk voor de
beslissingen rond Indonesië, en allemaal wilden ze later geen
discussies.
Er ontstonden vier grote discussies, die alle weer snel verstomden.
. In 1969 bekende Hueting als veteraan zelf aan welke gruwelen hij had
meegedaan. Men vond hem een verrader.
.In 1984 verscheen een historisch onderzoek over de Celebes-affaire
1946-1947. Het werd als incident of als leugen afgedaan.
. In 1987 gaf Lou de Jong een hard oordeel over Nederlands optreden in
Indonesië. Hij moest het intrekken.
In 1994 ontstonden discussies naar aanleiding van Poncke Prinsen. De
politiek zette zich weer schrap, maar de discussie komt sindsdien
telkens weer op in kleine kring.
terug
Diplomatieke erkenning van schuld
De discussie over oorlogsmisdaden is nog
nooit een nationaal thema
geworden. Bij elke nieuwe poging ons verleden met Indonesië
ter sprake te brengen, gaat de grote media-aandacht uit naar het
sensationele. De militairen staan telkens centraal in de discussie. De
veteranen weigeren dat. De discussie over de politieke beslissingen en
de politieke fouten kan op die wijze vermeden worden.
De daderrol van Nederland tegenover Indonesië is allereerst
een politieke zaak, en dan een publieke. Erkennen van politieke fouten.
Onderzoeken van de eigen geschiedenis als natie. “Als natie
je eigen geschiedenis kennen. Daar wordt een land sterk van.”
Een eerste politieke stap is gezet in 2005, op diplomatiek niveau.
. Prins Willem Alexander gaf woorden aan dit probleem bij de herdenking
van 400 jaar betrekking tussen Nederland en Japan:
`Wij herdenken het verleden niet alleen om zichzelf, maar ook omdat het
ons inzicht biedt in onze huidige situatie en in onze toekomstige
uitdagingen en mogelijkheden. Daarbij moeten wij niet de donkere
bladzijden vergeten in onze gezamenlijke geschiedenis waarin we
tegenstanders waren (...), zodat we ermee in het reine komen en zodat
we onze speciale relatie kunnen vernieuwen en versterken.' Deze woorden
worden in discussies rond Indonesië soms geciteerd, zoals toen
Amsterdam over zijn Van Heutz-monument op de Apollolaan nadacht. Van
Heutz was generaal in Indonesië.
. Minister Bot betuigde als minister van Buitenlandse Zaken bij de
augustusherdenking in 2005 spijt:
“Om de relatie tussen Indonesië en Nederland verder
te intensiveren is het behulpzaam om wat er nog resteert aan oud zeer
weg te nemen, althans voor zover wij dat als Nederlanders in onze macht
hebben. Daarom zal ik als vertegenwoordiger van ons land (…)
nog vandaag het vliegtuig nemen (…) Op 17 augustus zal ik
dan ons land vertegenwoordigen bij de Indonesische herdenking van de op
17 augustus 1945 uitgeroepen onafhankelijkheid. Ik zal aan het
Indonesische volk uitleggen dat mijn aanwezigheid mag worden gezien als
een politieke en morele aanvaarding van die datum. (…)
Aanvaarding in morele zin betekent ook dat ik mij zal aansluiten bij
eerdere spijtbetuigingen over de pijnlijke en gewelddadige scheiding
der wegen van Indonesië en Nederland. (…)
Door de grootschalige inzet van militaire middelen kwam ons land als
het ware aan de verkeerde kant van de geschiedenis te staan.
(…)
Pas achteraf is te zien dat de scheiding tussen Indonesië en
Nederland langer heeft geduurd en met meer militair geweld gepaard is
gegaan dan nodig was geweest.
Dit is de boodschap die ik mee zal nemen naar Jakarta. Daarbij hoop ik
vurig op het begrip en de steun van de Indische gemeenschap, de Molukse
gemeenschap in Nederland en van de veteranen van de politionele acties.
Immers, om ons gemeenschappelijke verleden levend te houden, hebben wij
ook een gemeenschappelijke perspectief op de toekomst nodig. Samen
werken aan een gezonde en veilige toekomst van onze samenleving, en aan
goede betrekkingen met Indonesië, zal ons helpen ook de meest
pijnlijke aspecten van ons verleden dragelijk te maken.”
terug
Guerrillaoorlog
Erkenning op diplomatiek niveau is
belangrijk. Het opent de weg naar
een publiek herinneren. Maar het publieke herinneren is ook nodig, en
daar is Nederland nog niet mee bezig. Wie weet nog dat minister Bot
namens Nederland spijt betuigde en de datum 17 augustus 1945
accepteerde als datum voor de onafhankelijkheid?
Alleen een volk dat zich van zijn daderrol bewust is, is sterk genoeg
om haar regering van toekomstige oorlogen af te houden. Zelfs binnen de
vredesbeweging heeft men geen weet van de politieke en militaire lessen
die uit onze oorlog met Indonesië te trekken zijn.
Stef Scagliola maakt in haar onderzoek namelijk nog iets helder, iets
wat grote actuele betekenis heeft. In Indonesië woedde geen
gewone oorlog. Een “gewone oorlog” is een
gevecht tussen twee landen om territorium of om macht. Het is een
gevecht tussen twee landen die beiden een leger hebben. Het
land met het beste of sterkste leger wint.
In Indonesië ging het om een bevrijdingsoorlog. Dat is een
oorlog met twee heel ongelijke partijen. Aan de ene kant is er een
staat, met een echt leger en zware wapens. Aan de andere kant zijn er
ongeregelde guerrillagroepen met eenvoudige wapens. Die
guerrillagroepen kunnen niet vechten op de manier van een
‘normaal’ leger, bijvoorbeeld omdat ze geen
vliegtuigen hebben en niet kunnen bombarderen. Ze hebben ook geen
tanks. Om succes te hebben moeten ze zich verstoppen, en moeten ze de
bevolking meekrijgen: of uit liefde, of door te dreigen. Ze
werken dus altijd via burgerslachtoffers (aanslagen, brandjes,
ontvoeringen). Een moderne naam voor guerrilla is terreur.
Een gewoon leger kan niets uitrichten met zijn tanks en bommen tegen
guerrillagroepen. Om het toch te winnen, moeten ze naar andere middelen
grijpen: contraterreur. Stef Scagliola constateert, dat contraterreur
altijd gewelddadiger is dan terreur. Bij contraterreur wordt
gebombardeerd (gebouwen, wijken), of wordt een hele kampong in brand
gestoken (omdat guerrilla’s zich daar zouden verschuilen).
‘Als iemand voor je opduikt schiet je meteen, voordat die
ander kan schieten. Blijkt dat een onschuldige burger of een kind, pech
gehad.’
‘Als je een gevangene maakt, wil je zo snel mogelijk weten
waar zijn kameraden zitten. Dat kan aan jouw kant levens sparen. Dus
harde middelen, martelen, om snel informatie te krijgen.’
Dit is precies wat er in Indonesië gebeurde, wat nu gebeurt in
Irak of Afghanistan.
Met zo’n verhaal krijgen politici niet makkelijk een volk mee
voor een oorlog. Zo’n verhaal wordt dus niet verteld. Het
verhaal dat verteld wordt blijft: die anderen gebruiken zo ernstig
geweld, zijn zo misdadig, dat we wel móeten ingrijpen.
Dat beeld wordt overeind gehouden. Met verhalen, met plaatjes, met
geschiedschrijving. En wie de meeste macht heeft, kan dat beeld
bepalen.
Er komt iets op gang. Juist dit jaar, 2007, zijn er commentaren geweest
over de eindexamens geschiedenis. Er is opgemerkt dat er over
Indonesië een erg Nederlands beeld gegeven wordt. Er zijn in
dat onderwerp een verwijzingen naar ons geweld in die voormalige
kolonie. Er zijn gelukkig nog steeds kleine groepen mensen die deze,
onze ongemakkelijke geschiedenis, in de publieke herinnering willen
terughalen.
Het is niet specifiek Nederlands om weg te kijken van de daderrol.
Nederland is deel van Europa, eeuwenlang het dominante werelddeel.
Europa behoort nu bij de westerse wereld, die bepalen kan hoe de
beeldvorming over de geschiedenis verloopt. De westerse wereld wijst
telkens de dader aan. “Wijzelf” zijn de helden:
bevrijders. Of wij zijn de slachtoffers. Maar we zien onszelf niet
graag als dader. De anderen zijn altijd slechter dan
‘wij’.
terug
PUBLIEK
HERINNEREN
De Europese kerken in Sibiu, Roemenië
De Europese Kerken houden hun derde Europese Oecumenische
Assemblee in Sibiu, van 4 - 8 september 2007. Eerder was er de
bijeenkomst in Basel in 1989, dat het Conciliaire Proces voor
gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping begeleidde. In 1997
was het in Graz.
Er wordt een poging gedaan vanuit de Nederlandse Raad van Kerken, om op
die Europese agenda van de Kerken aandacht te krijgen voor de zwakke
publieke aandacht in Europa voor ons daderverleden. Alleen Duitsland
heeft zijn daderrol erkend. Dat moest ook wel, als buur van zijn
slachtoffers. Maar Europa als bepalende speler in de wereld, heeft
weinig neiging zichzelf in de daderrol te herkennen. Ook de Verenigde
Staten, heeft die neiging niet. Maar in Sibiu houden we het bij Europa.
Wat de Raad van Kerken wil proberen is, dat de kerken onderkennen dat
het publieke geweten een morele zaak is waar Kerken veel relatie mee
hebben. Kerken kunnen dus het voortouw nemen.
Kerken zouden kunnen aankaarten, dat Europa en de Europese naties in
hun nationale bewustzijn erg vastzitten aan hun eigen heldenverleden,
aan glorieus nationalisme, aan zich moreel beter voelen dan anderen.
Europa preekt graag in zuidelijke landen over mensenrechten. Of Europa
ziet zichzelf als slachtoffer van de agressie van anderen:
moslimterroristen bijvoorbeeld.
De Raad van Kerken wil onder het kopje “vrede”
aandacht vragen voor de daderrol van Europa, en voor de Europese
neiging om die daderrol niet te onderkennen. Misschien kan de Raad van
Kerken langs deze weg het geluid verstevigen van die enkele stemmen die
regelmatig proberen om ons geschiedenisbewustzijn te verbeteren. Want
die momenten zijn er wel.
Begin mei kwam in het tv-programma Knevel & Van den
Brink het gesprek even op. Gemeld werd, dat minister-president
Balkenende zijn excuses had aangeboden aan de familie van Pim Fortuyn.
“Aan de Indonesiërs hebben we nog nooit excuses
aangeboden”, zei een van de gasten.
Er zijn kleine groepen en enkelingen die de herinnering boven tafel
houden, en hopen dat ooit de tijd komt dat het publieke geweten zich
ervoor openstelt.
Nu, misschien, een kans in Sibiu. Een besluit van Kerken dat het op hun
weg kan liggen hier iets aan te doen.
terug
Te herinneren
Er is veel dadergeschiedenis weg uit het
publieke geheugen, uit het
publieke geweten. Dat heeft consequenties in het heden en voor de
toekomst.
Zo is er in de publieke ruimte, in de wijze waarop media feiten
verzamelen, weinig besef dat anderen vanwege dat verleden iets tegen
ons hebben. Er is in Nederland, in het westen, weinig begrip voor
historische woede bij andere volken (Palestijnen, Arabieren,
Afrikanen). Daardoor worden er in het heden foute beoordelingen gemaakt.
Nederland/ Europa treden erg eisend op naar anderen: de vader
van Prinses Maxima mocht niet bij het huwelijk van zijn dochter zijn;
Turkije moet zijn genocidale optreden tegen de Armeense christenen
erkennen, anders mag het niet tot de Europese Unie toetreden (er zijn
partijprogramma’s op geschreven); Japan moet zijn
Troostmeisjes erkennen.
Intussen is in Nederland de kring die zich buigt over ons daderverleden
klein. De eerste diplomatieke stappen zijn gezet richting
Indonesië. Een volksbewustzijn is het nog niet. De
Indonesiëweigeraars zijn nog niet erkend als degenen die het
indertijd beter zagen dan de regering.
Nederland sukkelde mee de oorlog tegen Irak in, Bush ondersteunend. In
de VS, in Engeland is inmiddels tot op hoogste niveau toegegeven dat de
motieven voor de oorlog verzonnen waren (massavernietigings-wapens en
directe aanvalsdreiging). De Nederlandse regering wil niet kijken naar
haar besluitvorming om steun te geven aan die oorlog in Irak.
Wat Stef Scagliola in haar onderzoek ontdekte over het karakter van een
guerrillaoorlog en van contraguerrilla, geldt ook voor Irak, geldt ook
voor Afghanistan. De discussie over Afghanistan wordt echter nog niet
gevoerd, omdat onze soldaten daar nog zijn. Je kunt het hen niet
aandoen hier een publiek debat over de (on)zin van hun aanwezigheid
daar te houden.
In de discussie of we wel of niet moesten meedoen aan die oorlog, had
geen minister, had geen enkel kamerlid en had zelfs de vredesbeweging
dit argument niet paraat: een guerrillaoorlog is altijd erg gewelddadig
en is altijd grove schending van mensenrechten en zelfs van
oorlogsrecht. Politici die toch tot zo’n oorlog besluiten,
moeten niet achteraf de militairen verwijten maken over gebruik van
geweld. Zo’n oorlog is nu eenmaal geen beleefdheidsbezoek.
Het inzicht achteraf van minister Bot, dat Nederland aan de verkeerde
kant van de geschiedenis terecht kwam, is een inzicht dat niet werd
meegenomen bij de beslissing om naar Irak en naar Afghanistan te gaan.
Alle politieke accent werd gelegd op de mooie rol die
‘wij’ er spelen tegenover een boosaardige vijand.
Beide oorlogen ontstonden echter naar aanleiding van wraakgevoelens
vanwege 11 september 2001. Beide volken weten dat heel goed.
Onze geschiedenis met Indonesië leert, dat omwille van de
oorlogszucht van het moment alle aandacht verdwijnt voor de vele zwaar
getraumatiseerde mensen uit de kampen en uit het verzet.
Het valt op dat ook bij actuele besluitvorming over oorlog niet in
herinnering wordt geroepen door hoeveel generaties heen de
oorlogstrauma’s zullen meegaan.
Een land dat geen aandacht heeft voor oorlogstrauma’s wordt
gemakkelijk en enthousiast een volgende oorlog ingelokt. De laatste
jaren laten het zien. Omwille van de toekomst heeft het zin met meer
besef voor eigen wandaden ons verleden in herinnering te hebben. Het
maakt kritischer tegenover eigen toekomstige
“heldendaden”.
Zolang we ons koloniale verleden nog roemrijk vinden (Jan Pieterszoon
Coen, VOC ), zullen we weinig argumenten hebben tegenover
‘heldhaftige bevrijdingsrollen’ in
Joegoslavië, Irak, Afghanistan. Omdat het ons blind maakt voor
het element oorlogspropaganda.
Daarom, vindt de Raad van Kerken, heeft het zin om als Europese kerken
ons verleden beter te kennen.
terug
Drempelgebed
In bijna alle kerken kennen we aan het
begin van een liturgisch
samenkomen het drempelgebed, of de schuldbelijdenis.
Hierachter zit een diep besef. Je kunt alleen in vrede samenleven
als schuld hardop wordt erkend. Het samenleven
betreft de eigen gemeenschap, je directe naasten – maar ook
de samenleving in bredere zin. Schuldig kunnen we zijn in doen
én in nalaten. Soms zijn we schuldig aan zaken die we niet
zomaar veranderen kunnen. Dat kunnen we wel erkennen, en uitspreken.
Dat kan ons open maken voor datgene wat we liever niet zien.
Een politiek drempelgebed, over ons gezamenlijk verleden, kan leiden
tot nieuw besef. Het maakt bewust dat we anderen, ook andere volken,
leed hebben aangedaan dat nog steeds veel pijn doet. Dit erkennen geeft
ruimte voor nieuwe ontmoetingen met groepen mensen die nu gemakkelijk
worden uitgesloten, gediscrimineerd, gewantrouwd. In Nederland, in
Europa.
Kerken dragen deze belangrijke gemeenschapservaring van het
drempelgebed als erfgoed mee. Dat is een waardevolle schat binnen de
mensengemeenschap.
Het is dit kostbare erfgoed, waar mogelijk de kerken in Sibiu zich op
zullen baseren. Mogelijk zullen ze eraan werken om de Europese volken
aan te moedigen de eigen daderrol te onderkennen.
Voor meer vrede in de wereld zou het van levensbelang zijn. Het zou
wezenlijk zijn om tot een verstandige politiek te kunnen komen, op
wereldniveau, binnen Europa, binnen Nederland.
Publiek weten en erkennen wat wij als Nederland, als Europa anderen
aandeden, is een stap naar vrede. Om te beginnen met Indonesië.
Nawoord
Deze brochure werd
geschreven voor onze eigen congregatie. Ook andere kringen vroegen
erom. Vanuit Kerk en Vrede komt er een gewijzigde versie. Kerk en Vrede
ondersteunde in december 2007 een petitie aan de Tweede Kamer, waarin
genoegdoening gevraagd wordt voor de overlevenden/nabestaanden van de
slachtoffers van massamoorden in e tijd van de petitionele acties.
Aanleiding was het gedenken van 60 jaar eerder, op 9 december 1947, van
de moord op 431 jongens en mannen. Enkele overlevenden van Rawagede,
West Java, namen het initiatief. In de brochure van Kerk en Vrede wordt
bij deze gebeurtenis aangesloten.
Intussen blijkt bij besprekingen in kleine kring, dat er ook
aan Nederlandse zijde veel onverwerkte emotie ligt. Doordat 60 jaar
lang dit thema nooit uitvoerig in discussie gebracht kon worden in de
publieke ruimte, bleven veel mensen in de eigen emotie gevangen zitten.
Zelfs na 60 jaar is het gesprek daardoor iets moeizaams. Tot degenen
die daardoor getroffen zijn moeten ook gerekend worden familieleden van
veteranen. Mannen, broers, kinderen. Veel veteranen hebben ook in eigen
huiselijke kring nooit willen spreken over wat ze meemaakten. Doordat
elk publiek debat weer snel werd afgevoerd of zelfs afgehouden, bleven
ook de emoties onbesproken van de vele soldaten die zich achteraf
misbruikt voelden voor een verkeerde zaak.
Elke poging om nu nog het gesprek aan te kaarten, wordt juist door door
de politieke afweer in het verleden allereerst verstaan alsof er alsnog
veteranen beschuldigd worden. Daarmee is de vraag gegeven, hoe een land
rijp gemaakt kan worden om bevrijdend over zijn daderverleden te
spreken.
iteratuur
Last van de oorlog Stef
Scagliola Uitgeverij Balans, 2002
Over de Nederlandse oorlogsmisdaden in Indinesië en hun
verwerking
De Indonesië weigeraars, Kees Bals en
Martin Gerritsen, Antimilitaristische Uitgeverij, 1989
Over de behandeling van de dienstweigeraars 1945-1949
De Meelstreep, Martin Bossenbroek, Uitgeverij Bert Bakker,
2001
Over de terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog
Mensenheugenis, Hinke Oiersma (red.) Uitgeverij Bert Bakker,
2001
Getuigenissen over de terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog
Rijk blijven, Martien van Winden, uitgeverij Balans 2000
Het zijn net mensen, Joris Luyendijk, 2006
BRONNEN:
Getuigenissen van onze zusters uit Indonoesië
Getuigenissen van Indonesiëweigeraars
Getuigenissen van antifascisten, overlevenden van concentratiekampen
(Ravensbrück en Dachau)
Internet via google (kernwoorden)
www.wikipedia.nl
www.raadvankerken.nl
Advies voor Internetgebruik: onder
“Celebes-affaire”, “politionele
acties”, “Hueting”,
“Westerling” ea. zijn meer gegevens te
vinden.
terug
|