Zusters van "De Voorzienigheid", landgoed

INHOUD Journaal Bestuur & Organisatie Spiritualiteit Geschiedenis Activiteiten Publicaties  Geloofsbrief
                                home         



























































































































































Het landgoed Bosbeek

In  de zestiende eeuw begon Heemstede betekenis te krijgen als buitenplaats voor rijke Amsterdamse families. De een na de ander kocht percelen aan en bouwde een buitenwoning met paardenstallen, met boomgaard, met lusthof of ander vermaak. De percelen gingen van hand tot hand, werden verkaveld, aaneengevoegd, huizen verbeterd en vergroot en verfraaid. De wordingsgeschiedenis van de herenhuizen in buitenplaatsen als Heemstede, Aerdenhout, Bloemendaal geeft een goed beeld van de geschiedenis van de dominante klasse van Holland.
Zo ook landgoed Bosbeek. Aan de opeenvolgende eigenaren van dit landgoed zijn bewogen momenten in Nederlands geschiedenis af te lezen.

Lange tijd maakte dit gebied echter deel uit van de onbewoonde kuststreek. Tussen 4000 en 5000 jaar geleden bouwde de zee strandwallen op die begroeid raakten. In de vroege middeleeuwen pas werd dit gebied ontgonnen ten behoeve van akkerland en heidevelden.
Rond 1630 was een groot terrein, waaronder het huidige Bosbeek, eigendom van de grondspeculant Jan Lubbertz. Busch, koopman in Haarlem. Hij verkoopt tussen 1631 en 1640 zijn terreinen in drie delen. Het eerste deel, dat de basis vormt van het latere landgoed Bosbeek, verkoopt hij in 1631 aan Hendrik Coymans.

Wat Hendrik Coymans verwerft heet `een wooninghe en boomgaert mette huysinge en landerijen´, voorts was er een doolhof en vijver. De koopsom bedroeg f 9.500,-. Het geslacht Coymans stamde oorspronkelijk uit Antwerpen, telde succesvolle Amsterdamse kooplieden. Het handelshuis Coymans werd rijk aan de slavenhandel met name vanuit het Westafrikaanse Guinee.
Hendrik overleed in 1642 en liet de hofstede na aan zijn zoon Caspar, die het voor f 10.000 doorverkocht aan een familielid, Coenraat Coymans. Het huis daalde in waarde en ging in 1661 samen met twee nabijgelegen percelen voor
f 5.460 over aan de Amsterdamse koopman Edmond Schardinel. Deze geeft het naamloze landgoed de naam ´Rustmeer´, vanwege het fraaie uitzicht op de Haarlemeermeer.
Als Edmond sterft, gaat het landgoed over aan zijn zoon Severijn Schardinel, die het landgoed in 1690 vanwege faillissement moet verkopen voor
f 4.900,-. Het echtpaar Bors van Waveren-Godin wordt de nieuwe eigenaar.

In 1682 had Cornelis Bors van Waveren al grond gekocht in Heemstede in de nabijheid van ´Rustmeer´, in 1696 weet hij ook het ernaast gelegen ´Meervliet´ te kopen, in 1717 nog gecompletteerd met de aankoop van ´Overtoorn´, waarmee zijn buiten omvangrijker is dan het oorspronkelijke bezit van Jan Lubbertz. Busch rond 1630. Cornelis Bors van Waveren was de zoon van magistraat (o.a. enige jaren burgemeester van Amsterdam) mr. Gerard Bors. Cornelis was vrijheer van enkele heerlijkheden in Eemland, en ook hij vervulde vanaf 1687 verscheidene functies in het vroedschap van Amsterdam. Tevens was hij een goed aangeschreven osseweider. Bors van Waveren reorganiseert zijn omvangrijke landgoed in Heemstede, laat er een herenhuis bouwen en geeft het de naam ´Bosbeek´. Bij het herenhuis wordt een tuin met twee vijvers aangelegd naar streng klassiek geometrisch patroon.
Cornelis Bors van Waveren overlijdt in 1722 en laat ´Bosbeek´ na aan zijn ongehuwde dochter Elisabeth Jacoba. Zijn andere dochter was `goed gehuwd` en verdere kinderen waren vroegtijdig overleden. Elisabeth Jacoba blijft in Amsterdam wonen en verkoopt in 1731 voor in totaal f 19.500,- het buiten aan Hendrik  Hermans, koopman te Amsterdam. Al in 1736 verkoopt deze het landgoed door aan Gerard Aernout Hasselaer, met ruim f 3.000,- winst.

Aernout Hasselaer was advocaat, en beoefende fraaie kunsten en wetenschappen. en vanaf 1739 vervult hij belangrijke functies in het bestuur van Amsterdam, onder andere elf maal gekozen tot burgemeester. Hasselaer laat het herenhuis verfraaien met werk van Jacob de Wit, tekenaar, schilder en etser. De Wit werd met name bekend om zijn ´witjes´, schoorsteenstukken en plafondschilderingen. Hasselaer kende Jacob de Wit van de schilderingen in het stadhuis te Amsterdam. Het plafond van de salon in Bosbeek is een voorstelling van Bacchus en Ceres op de wolken.
Op Bosbeek verzamelt Hasselaer naturaliën (schelpen, sponsen, skeletten, gedroogde vissen, flessen met zeedieren op alcohol e.d.) Vanaf 1753 is hij direkteur van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem. Hasselaer overlijdt in 1766 op hofstede Bosbeek. Men bericht van hem dat hij ´veel goet deed an seer veele mense en mildadig was omtrent armen, sodat hij van vele betreurt worden sal.´  Zijn vrouw Elisabeth Hasselaer-Clignet bepaalt dat Bosbeek zal toekomen aan haar kleinzoon Lieve Geelvinck, zoon van haar dochter Catharina Elisabeth Hasselaer, weduwe van Lieve Geelvinck sr.
1776 komt vrouw Hasselaer-Clignet inderdaad te overlijden en de voogd van Lieve Geelvinck, Taets van Amerongen, accepteert Bosbeek voor zijn pupil. Van Amerongen is commissaris van de stad Amsterdam en kapitein der Burgerwacht. In 1778 wordt Lieve Geelvinck 
meerderjarig door zijn huwelijk met Anna Maria van de Poll. Geelvinck, lid van de magistratuur, stamde via zijn vader uit een ´aanzienlijk geslacht` te Amsterdam en Kennemerland. Lieve Geelvinck schijnt de naam van de familie danig geschaadt te hebben door losbollig gedrag, waaronder de overval op een Friese turfjalk op de Haarlemmermer. In 1783 sterft hij kinderloos, met een nalatenschap van f 650.000,-. Zijn weduw Anna Maria van de Poll verkoopt Bosbeek aan de erven van Jan Hope, die zelf in de periode van transacties overleed. Bosbeek behoort inmiddels tot een van de duurdere buitenplaatsen.

Jan Hope was in 1767 eigenaar geworden van Groenendaal, dat grensde aan Bosbeek. Bij zijn dood stonden kisten met kunstvoorwerpen en oudheden klaar om naar Bosbeek te worden overgebracht. Hij was met zijn neven Archibald Hope en Henry Hope vennoot van de bankiersfirma Hope en Co. Door het overlijden van Lieve Geelvinck kreeg hij de kans de beide landgoederen bij elkaar te brengen. Doordat hij stierf nog tijdens de verkooponderhandelingen, bleven zijn plannen met het gezamenlijke buiten onbekend.
Zijn weduwe Philippina Barbara van der Hoeven zet de aankoop door, laat het huis van Groenendaal afbreken en het herenhuis van Bosbeek wordt zomerverblijf van de familie Hope, die verder in Engeland woonde. Daartoe worden veel schilderijen overgebracht naar Bosbeek, en de verzameling wordt in de loop der jaren uitgebreid. Uit die tijd rest nog een marmeren bad als tuinornament in de tuin van Bosbeek. Bij haar overlijden in 1789 krijgen twee van de drie zonen ieder de helft Bosbeek, Groenendaal en Overthoorn.
Adrian Elias Hope
keert in 1802 naar Nederland terug en door schadeloosstelling aan zijn broer verkijgt hij heel Bosbeek (inclusief Groenendaal). Veel aandacht besteedt hij aan het verfraaien van het grote park met kunst- en bouwwerken. Bosbeek wordt een opslagplaats van kunst en doorgangshuis voor kunstschatten die naar Christie's in Londen gaan. Hij breidt zijn bezittingen in Heemstede nog uit. Hij heeft een levensstijl die zeer onconventioneel is en hij wordt 'door zijn familie' als krankzinnig in Bosbeek opgesloten, waar hij 1834 levenloos wordt aangetroffen.
Zijn broer Philip Hope erft Bosbeek. Deze treedt als weldoener op voor Wees- en Armenhuizen. In 1839 overlijdt hij, kinderloos net als zijn broer voor hem. Het landgoed Bosbeek vervalt aan de neven, zoon van Thomas Hope. Rond 1850 is er overeenstemming tussen hen en komt Bosbeek aan Adrian John Hope. Hij breidt de bezitting nog eens uit. Na zijn dood in 1862 komt Bosbeek toe aan zijn zoon Adrian Elias Hope, die park en bos van het landgoed laat vervallen, veel bomen verdwijnen door wilde kap en het herenhuis wordt leeggehaald en onbewoond gelaten, waardoor het  in verwaarloosde staat raakt.
In 1873 koopt mevrouw Clasina Visser van Hazerswoude, gehuwd met jonkheer Jean-Baptiste van Merlen het buitengoed. Er wordt weer intensief geinvesteerd om van Bosbeek een lustoord te maken. Ditmaal ligt de nadruk op grote varieteit aan bomen en planten en er worden zelfs herten in het park gezet. Ook het herenhuis wordt grondig opgeknapt. Grondruil met de gemeente zorgt ervoor dat meer samenhang komt in het grote grondbezit. Het park rond het huis wordt weer geometrisch geordend.

Van Merlen overlijdt in 1909, drie jaar later Clasina, en hun vier kinderen worden erfgenaam van Bosbeek. De gemeente koopt het gehele landgoed aan op initiatief van burgemester jonkheer D.E. van Lennep. Groenendaal wordt openbaar wandelbos met hertenkamp  en uitkijktoren. Het herenhuis Bosbeek wordt verkocht, na mislukte pogingen om het te verhuren. Dit deel van het bos blijft gesloten voor publiek. Nieuwe eigenaar wordt in 1915 de Haarlemse fabrikant jonkheer Charles Frederik van de Poll. Hij was opgeleid aan de Militaire Academie en later directeur geworden van de ´Haarlemsche katoenmaatschappij´ alsmede president van de Nederlandsche maatschappij voor Nijverheid en Handel. In 1919 verhuist de familie naar Zwitserland en koopt de papierfabriekant Pieter Smidt van Gelder het herenhuis met park op.  Ook zij vertrekken naar Zwitserland en in 1924 gaat Bosbeek over aan de koopman/bankier Fritz Bernard Eugen Gutmann.
Met deze nieuwe eigenaar komt voor het landgoed Bosbeek een nieuwe periode van bloei. F.B.E. Gutmann, geboren te Berlijn, was de zoon van Eugen Gutmann, oprichter van de Dresdner bank. Fritz Bernard Eugen Gutmann was direkteur van de Dresdner bank te Londen, maar werd gedurende de 1e wereldoorlog als Duitser geinterneerd op het einland Man. In 1918 werd hij als krijgsgevangene uitgewisseld naar Noordwijk en zes jaar later genaturaliseerd tot Nederlander. Fritz Gutman was gehuwd met baronesse von Landau. Hij werd groot verzamelaar van antiquiteiten, waardoor Bosbeek weer een soort privé-museum wordt. 
Hij laat dienstwoningen bouwen bij de ingang van het landgoed, en het herenhuis wordt omgebouwd met een grootse uitgang naar de achterzijde met zicht op de Haarlemmermeer.
Gutmann, Duitse jood, raakt vanaf de bezetting in de problemen. Nazi-officieren tonen grote belangstelling voor zijn kunstverzameling. Voor een klein bedrag doet hij afstand, in de hoop dan vrijgeleide te krijgen naar het buitenland. Hij  wordt opgehaald en "op de trein naar Italië gezet"; deze blijkt echter te eindigen in een concentratiekamp. Begin mei 1944 komt hij om in Theresienstadt in Tsjechoslowakije. Zijn vrouw komt te Auschwitz om in 1944. Zijn twee kinderen zijn al eerder naar Italië ontkomen. 

De nazi´s nemen alle familiebezit in beslag. Bosbeek wordt door bezettingstroepen gebruikt en in 1945 in uitgewoonde toestand achtergelaten. Het resterende kunstbezit werd na de oorlog geveild of kwam in bezit van de Dienst voor ´s Rijks Verspreide Kunstvoorwerpen. Het herenhuis komt in beheer bij een bank in Amsterdam.
De familie Gutmann behoort tot de groep Joods families die na jarenlange "discussies" uiteindelijk in 2005 een beperkt deel van de kunstvoorwerpen in familiebezit terugkrijgen.
Van 1949 tot 1951 worden er in het uitgewoonde herenhuis psychopatische patienten verzorgd door de broeders van Onze Lieve Vrouw van Lourdes, die daarna naar Heiloo verhuizen. Op 29 december 1950 komt Bosbeek in bezit van de Congregatie der Zusters van "De Voorzienigheid".

Het huis wordt aangekocht voor de verzorging van de oude zusters, die tot dan in "De Voorzienigheid" te Scheveningen verbleven, een huis dat voor dit doel ongeschikt was. Van 1951 tot 1959 woont een kleine groep zusters in het herenhuis, dat tevens gebruikt wordt voor bezinningsdagen en vakantiedagen voor zusters en studenten van de kweekschool in Amsterdam en om na ziekte te herstellen.
In 1960 is de aanbouw voltooid voor het huidige verpleeghuis en verzorgingshuis ten behoeve van eigen leden van de congregatie. Ongeveer tien jaar later kunnen er ook leden van andere congregaties worden opgenomen. In 1960 komt mgr. J.P. Huibers, tot dat moment bisschop van Haarlem, naar Bosbeek waar hij tot zijn dood blijft en ook begraven wordt op het eigen zusterskerkhof. In 1983 wordt ook  mgr. Th. Zwartkruis, bisschop van Haarlem hier begraven. In de vertrekken van bisschop Huibers leeft na diens dood mgr. J. Starrenburg, die jarenlang directeur van de ongregatie was geweest. Ook hij wordt begraven op het kerkhof van Bosbeek, evenals zijn opvolger mgr. J. Stieger als deze in 1987 overlijdt.
In 1998 vindt een herziening van het kerkhof plaatst en worden er veertien grote zwarte marmeren platen bijgeplaatst met de namen van alle zusters die ooit tot de congregatie hadden behoord vanaf haar stichting in 1852, en die elders begraven zijn. Op deze platen wordt zichtbaar hoeveel leden in de eerste halve eeuw zeer jong stierven, na slechts enkele jaren lidmaatschap. De armoede en de tering vroegen veel slachtoffers.

In 1966 kwam de erkenning tot categoraal verpleeghuis. Na 1973 wordt de verpleegvleugel grondig uitgebreid, en worden ter verpleging ook niet-religieuzen opgenomen uit omliggende ziekenhuizen en omgeving. Vanaf 2001 worden ook in het sterk gerenoveerde Zorgcentrum  bewoners uit de regio opgenomen.
De twee woningen die Gutmann liet bouwen bij de ingang, worden in 1999 afgebroken en geheel herbouwd in de vorm van twee units voor apartementen. Het ene woonhuis telt drie, het andere vijf appartementen.
In 1997 gaat het gehele complex verzorgings-, verpleeghuis over naar de Stichting Sint Jacob, die zeven verzorgingshuizen en twee verpleeghuizen in de regio beheert.

Alleen het herenhuis, een groot deel van de tuin plus zusterskerkhof, alsmede de twee woonunits bij de ingang naar het herenhuis zijn nog eigendom van de congregatie.

 
gegevens uit: geschiedenis van het buitengoed Bosbeek in Heemstede en van het adellijk geslacht van Merlen. Hans Krol.
uitgegeven door de Vereniging Oud-Heemstede - Bennebroek, 1987