|
Zusters
van "De
Voorzienigheid",
stichters
|
| INHOUD | Journaal | Bestuur & Organisatie | Spiritualiteit | Geschiedenis | Activiteiten | Publicaties | Geloofsbrief |
Moeder
Theresia ![]() ![]() |
Pastoor
Hesseveld Pastoor Hesseveld werd geboren op 18 juni
1806 uit zeer
godvruchtige
ouders. Hoewel het boek In smarten geboren
... voornamelijk de oprichting en
geschiedenis vertelt van de Congregatie van de Broeders van O.L.Vrouw
van Zeven Smarten, lopen de beginjaren parallel met de eigen prille
beginperiode van onze congregatie, de Congregatie der Zusters van "De
Voorzienigheid" |
|
![]() En uit In smarten geboren, geschiedenis van een Broederscongregatie, door Br. Edesius Boerigten, van de Congregatie van Onze Lieve Vrouw van Lourdes (ook Broeders van Dongen genoemd) |
Op 7 februari 1859 overleed Pastoor Hesseveld na een welbesteed leven. De Tijd schrijft in die dagen van zijn overlijden: "Hij gaf in de eerste plaats zichzelf aan de arme kinderen en slaagde erin om langs duizend ongekende wegen aan zijn stichtingen al het nodige te verschaffen." Zr. Hippolyta schreef bij het 25-jarig feest van "De Voorzienigheid" in 1877, als ze over de overleden stichter spreekt: "Hij
was een weldoende engel van God
Bezorgd voor ons eeuwig en tijdelijk lot Elk woord van dien "Vader" verhoogde onze vreugd, Zijn bijzijn alleen wekte ons op tot deugd, Maar bracht hij het goddelijk offer den Heer En knielden we om 't altaar aanbiddend neer, Hoe treffend was dan ieder woord en gebaar Dan werden we een hemelse indruk gewaar Dan lag in die stem een zielroerende klank >Ja zo bracht eens Noë zijn offer van dank. 't Was Mozes-Gods-vriend, het was Israëls tolk Die sprak met Jehova, en bad voor zijn volk!" Mgr. Van Vree, de toenmalige bisschop, zegt van hem: "Een liefderijke man, een geduldig lijder. De homo-pacificus is opgeroepen om gekroond te worden. Behoeven we het te zeggen, dat hij vele vrienden had en algemene achting genoot. gebeden zullen hem volgen, nu hij vroegtijdig gestorven tot God is ingegaan. Hij stierf als een patriarch temidden zijner kinderen en ging de eeuwigheid tegemoet in kalme rust, na allen die hij liefhad zijn vaderlijke zegen te hebben gegeven. Hij ruste in vrede!" Zijn geestelijk testament liet hij ons na. zie In 1934 is zijn stoffelijk overschot vanuit Amsterdam herbegraven op het kerkhof van de Broeders van O.L. Vrouw van Zeven Smarten te Voorhout. |
|
![]() Liefdewerk, een herwaardering van de caritas bij de Arme Zusters van het Goddelijk Kind sinds 1952. |
Al met al was de situatie in het kinderhuis de eerste jaren instabiel. 'De juffrouwen bleken niet erg standvastig en niet even opvoedkundig begaafd. Welke verwachting hadden deze vrouwen van hun leven in De Voorzienigheid? … Weer enkele dagen later kondigde Hesseveld de komst aan van een juffrouw uit Overijssel. Op 5 juni 1853 zou zij arriveren. De kinderen waren blij en benieuwd: Carolina bleef wakker om de nieuwe juffrouw te kunnen zien. Op dat moment waren er al elf meisjes in het tehuis. Evelina was onder de indruk van deze nieuwe juffrouw, die in haar ogen vreemd gekleed ging: "Een neteldoeksche muts van heel vreemd maaksel – ‘k Zal eens eene pop kleeden als moeder gekleed was – Ze was geheel in ’t zwart met een gouden kruis op de borst. Ik zag ze ’t eerst in den refter. Ik heet Juffrouw Mietje en ik blijf bij de kinderen, is dat goed zei ze ik herinner mij dat nog duidelijk." Deze zin waarmee Maria Stroot zich voorstelde aan de kinderen is onder ons, zusters, een gevleugeld gezegde geworden. Maria Stroot werd geboren in Tubbergen in 1819 en was dus al in de dertig toen ze naar Amsterdam kwam. ‘Toen ze arriveerde was de toestand chaotisch en er moest volop geïmproviseerd worden. Mietje was de zoveelste juffrouw maar de eerste die structuur en stabiliteit aanbracht op praktisch en huishoudelijk vlak, maar ook op opvoedkundig en religieus gebied. Ze was zelf opgegroeid als een moederloos kind en werkte als huishoudster.’ “Ze wekte ons ’s morgens en bad met ons. Ze bracht ons ’s avonds te bed en zegde ons zeer schoone gebeden voor. De wijze waarop juffr. Mietje het kruisteken maakte en den zoeten Naam Jesus uitsprak trof mij steeds en deed mij begrijpen, hoe innig veel ze hield van Onzen Heer. Juffr. Mietje had niet den mond zoo vol den heelen dag van verzuchtingen en gebeden, als de andere godvruchtige zielen die ik nu reeds had leeren kennen. Hare godvrucht was innig, zij hield niet van uitwendig vertoon en al te lange gebeden. Het drieuursgebed en ’t daaropvolgende rozenhoedje met uitgestrekte armen te bidden verbood Juff. Mietje aanstonds.” ‘Mietje milderde het regime en liet de meisjes na het middageten ruim de tijd om te spelen. Dan riep ze hen bij elkaar om onder haar leiding verstelwerk te doen, want door het intensieve gebruik van de weinige kleding was er veel kapot. Onder het verstellen, vertelde Mietje dan heiligenlevens, bijvoorbeeld over de heilige Alexis, die onder de trap van het ouderlijk kasteel als bedelaar leefde. Ook zongen ze samen godsdienstige liedjes: Evelina vond het allemaal heel gezellig.’ “Op een morgen in de week zei Zr. Maria, wij moeten eens even praten. Pastoor wil hebben, dat wij zouden gaan bedelen. Wij zijn er één dag op uit gewees t… maar ik heb nu aan Pastoor gezegd: Mijnheer Pastoor laat U ons werken, dat kunnen en dat willen wij gaarne, maar bedelen, neen! ...” ‘Van toen af aan zagen de kinderen ‘zuster’ Maria in de tuin in de weer met een grote tobbe waarin ze de sokken van het Aloysiusgesticht waste. Als de meisjes vroegen of ze mee mochten helpen werden ze vriendelijk weggestuurd, ze moesten maar wat gaan spelen … De meisjes hoefden van haar geen vies en zwaar werk te doen, maar moesten wel helpen bij lichte karweitjes.’ |
|
| ‘Hoe
ontwikkelde het jonge gesticht zich verder?
Ook
daarover vertelt Evelina. Er had zich nog een juffrouw uit Doetinchem
gemeld, maar zij stierf na een jaar al aan tuberculose.’ Veel jonge vrouwen stierven in die eerste jaren al na een, twee of drie jaar; de armoede was groot, het eerste voedsel ging naar de kinderen. Al in die eerste jaren waren er ook onder de kinderen soms ernstige ziektes. Op een gegeven moment had Bertha een zeer besmettelijke huidziekte. "Alle dagen zagen we de onderkleeren van Bertha in den tuin te bleeken gelegd. Niemand aankomen zei Zr. Maria dan, dat is niet goed. Ook elke avond ging Zr. Maria haar zieke helpen. Zij kleedde zich dan altijd om, opdat de andere kinderen niets zouden krijgen." ‘Iedere middag van vijf tot zeven kregen de meisjes, op initiatief van Hesseveld, les van meneer Koenders, onderwijzer van het Aloysiusgesticht. Een eigen onderwijzer was onbetaalbaar en zo kregen de meisjes tenminste nog enig onderwijs. Hesseveld woonde in het Aloysiusgesticht en Evelina moest hem van ‘zuster’ Maria iedere dag een kom gerstenat brengen dat in De Voorzienigheid was klaargemaakt. De meisjes vulden hun dagen met lessen op de naaischool en met ‘ons werk’, zoals Evelina het noemt, onduidelijk is of ze daarmee schoolwerk of naaiwerk bedoelt of huishoudelijk werk ten behoeve van het gesticht. Verder had ‘zuster’ Maria de kinderen geleerd om toneelstukjes te improviseren. Dat deden ze met overgave als ze hun werk afhadden en er geen zuster was om hen verder te helpen. Uit de hele situatieschets blijkt dat de meisjes vaak op zichzelf waren aangewezen, zonder toezicht. Er waren te weinig juffrouwen en die er waren kampten met ziektes. ‘Zuster’ Maria schijnt zelden of nooit ziek geweest te zijn. Ze zorgde eigenhandig voor zieke medezusters en meisjes en ook als ze gingen sterven, stond ze hen bij.’ ‘In 1855 heerste hevige cholera, zo erg dat de kinderen ’s morgens niet nuchter naar de kerk hoefden te gaan zoals de kerkelijke regels in die tijd voorschreven.’ ‘Moeder Theresia had een intensief gebedsleven maar was tegelijk voor de kinderen een hartelijke vrouw die een huiselijke sfeer kon scheppen. Evelina herinnert zich hoe ze eens in de zaal van het huis aan de Elandstraat ‘s avonds voor de kachel oblies zat te bakken. Twee kinderen hadden het roet van de obliepan op hun gezicht, armen en handeen gesmeerd en speelden met rare sprongen ‘negers’. Moeder Theresia had daarom moeten lachen.’ ‘De stichter Pieter Hesseveld had opvoedkundige denkbeelden op schrift gesteld, althans voor zijn jongensgestichten. Van hem is bekend dat hij hechtte aan een integraal religieus opvoedingsproces, de klok rond. Een geordende leefwijze in het gesticht was volgens hem het beste: alle handelingen van het dagelijkse leven in een strikte volgorde. Dan zouden de kinderen opgroeien tot standvastige mensen en door hun arbeid God eren. Beroepsonderwijs hoorde daar uitdrukkelijk bij, want Hesseveld wilde dat de kinderen later zelf de kost konden verdienen. Naast zijn opvatting zal zijn persoonlijkheid invloed hebben gehad. Hesseveld was uit op harmonieuze verhoudingen en zelf ‘een levende regel’. Dat laatste is ook gezegd van Moeder Theresia, voor veel medezusters een voorbeeld. Vanaf haar aankomst in het kinderhuis had ze zich laten kennen als een vastberaden en zorgzame vrouw, voor kinderen en medezusters. Van haar zijn helaas geen opvoedkundige visies op schrift overgeleverd.’ Wat we over haar weten in dit opzicht, komt uit het 'Dagboek' van Evelina. Over de ideologische opvatting dat de caritas van de 19de eeuw vernederend zou zijn: ‘Niets in Evelina’s beleving bevestigt dat, terwijl zij toch direct het ‘object’ van liefdadigheid was. Integendeel. Haar memoires tonen een meisje dat in de rouw was om haar moeder en opleefde in het gesticht, althans na de komst van Mietje Stroot. Ze had in die kring een plaats en ging vertrouwelijk en familiaal om met haar volwassen verzorgers.’ ‘Zusters moesten de kinderen beminnen met ‘een gelijke en zuivere liefde’, dus geen kinderen voortrekken ‘die een goed uiterlijk hebben of wel gemaakt zijn, of vlug kunnen leeren’. Hoe moesten de zusters opvoeden? Boven alles door zelf een goed voorbeeld te zijn, want de ondervinding had geleerd dat kinderen daarvoor het gevoeligst waren. Dat goede voorbeeld bestond uit nederigheid, gehoorzaamheid en vooral veel geduld. Juist van domme kinderen en die met bedorven zeden moesten de zusters veel houden. Geduld was zo belangrijk omdat kinderen hun achting voor zusters verloren en bang werden van iemand die driftig uitviel. Met geduld moesten zusters vernederingen verdragen ‘welke zij soms van de kinderen te ondergaan hebben’. Kennelijk was het werken met de kinderen niet gemakkelijk … wel moesten de zusters straffen als dat nodig was, ze mochten dat niet nalaten uit een verkeerd medelijden.’ ‘Opvallend in de vroege geschiedenis van de Arme Zusters was hun reikhalzen naar een kloosterregel. Ze zagen dat als een erkenning van hun kerkelijke en maatschappelijke status.’ ‘Uit de jeugdherinneringen van Evelina van der Lugt weten we dat moeder Theresia zelf … was begonnen met nachtelijk gebed, zonder dat overigens van haar medezusters te eisen.’ ‘Verschillende juffrouwen kwamen uit een religieuze omgeving. Juffrouw Glasbergen was klopzuster en Mietje Stroot kwam van een pastorie. De vrouwen moet een model van religieus leven voor ogen hebben gestaan en bovendien waren in de omgeving van de Lauriergracht zusters en broeders volop actief . Met name de broeders van het Aloysiusgesticht, waarmee het meisjeshuis zo nauw verbonden was, zal voor de juffrouwen een referentiepunt zijn geweest. Hesseveld had wel voorzieningen getroffen voor het herbergen van verwaarloosde meisjes, nog niet voor een geregelde religieuze levensstijl.’ De regelgeving van 1857 bekrachtigde dus een religieuze gemeenschap die sinds 1852 was gegroeid.’ De eerste uitbreiding was naar Leiden, vanwege een verzoek uit Leiden om enkele zusters voor hulp. ‘Moeder Theresia handelde niet op eigen houtje maar in overleg met Hesseveld. Hij had op 28 oktober 1857 het contract toegestuurd – ruim voor het was getekend – met de kanttekening dat de zusters niet mochten worden belast met ‘aan het Hoofd zijn van eene werkkring, die haar teveel met tijdelijke zorgen zouden belasten en die in strijd zouden zijn met de aard harer inrigting en den geest der constitutiën’. Hij vreesde dat de zusters in het Leidse gesticht voor de congregatie oneigenlijk werk zouden doen en te weinig tijd voor hun religieuze plichten zouden hebben.’ Het contract bevatte een lijst met tien concrete afspraken rondom de opname van kinderen in Leiden, punten die moeder Theresia en pastoor Hesseveld samen hadden besproken. Er waren ook conflicten met de Leidse regenten en de brieven van moeder Theresia zijn soms krachtig. ‘Moeder Theresia stelde zich in de correspondentie met de Leidse regenten op als een financiële en spirituele belangenbehartiger van de zusters en kinderen. Ze wist zich gesteund door de geestelijken, tot de bisschop toe, met wie de congregatie nauwe connecties had. Omdat de liefdewerken sneller groeiden dan de zusters konden bolwerken en de levensomstandigheden sober, om niet te zeggen karig, waren moesten de zusters hard werken. Vakantie en vrije tijd bestonden niet. De zusters konden hun verantwoordelijkheid voor de kinderen op niemand anders afwentelen, want de kinderen konden nergens heen.’ Vanaf 1860 nam de aanwas van nieuwe leden toe. ‘Was Mietje Stroot aanvankelijk een soort geestelijke moeder van een groot gezin, binnen vijf jaar was ze behalve locatiemanager van de Amsterdamse vestiging ook hoofd-op-afstand van de Leidse stichting. Daarnaast moest ze toezien op de instroom van tientallen zusters. Allen moesten een vorming ondergaan, op hun geschiktheid worden beproefd en in het werk worden gezet.’ Annelies van Heijst concludeert in haar onderzoek naar de beginperiode van onze congregatie, ‘... dat moeder Theresia de nodige zaken op eigen gezag en zonder haar raadszusters afhandelde. Een aanwijzing in die richting geeft de, uiterst diplomatiek geformuleerde, condoleancebrief die bij haar overlijden op 15 februari 1895 geschreven door haar biechtvader, de redemptorist Boogaarts.’ ‘Bij Evelina lezen we dat Mietje niet eens vanaf het begin op de Lauriergracht was! Haar aanwezigheid later was er echter niet minder beslissend om. Evelina’s Dagboek kan worden samengevat met de stelling dat zonder Mietje het initiatief op de Lauriergracht was gestrand. Toch noemde Evelina Mietje Stroot nog geen ‘stichteres’. ‘In de jaren ’70 was het vrouwelijk zelfbewustzijn groeiende – en dus werd moeder Theresia geportretteerd als een daadkrachtige persoon. Zij werd een voorafbeelding van alles waar de zusters toen warm voor liepen.’ Evelina van der Lugt was een halfwees, een van de eerste meisjes in het huis op de Lauriergracht. Zij zag Mietje Stroot komen. Van protestante huize, werd ze op eigen verzoek katholiek gedoopt. Later trad ze toe tot de congregatie. Haar 'Dagboek' geeft een goed inzicht in de situatie van de miesjes in die eerste jaren van de stichting. |