Zusters van "De Voorzienigheid", kamp
 INHOUD Journaal Bestuur & Organisatie Spiritualiteit Geschiedenis Activiteiten Publicaties  Geloofsbrief
                                home                                                                                                                                         


Wat hebben de Zusters op Bangka meegemaakt in de Tweede Wereldoorlog?
De herinneringen uit deze tijd wil ik zo goed mogelijk neerschrijven.
Zr. Riek van Emmerik (Zr. Aloysio), opgetekend maart 2007.
Zr. Riek was op dat moment 95 jaar oud en overleed enkele maanden later onverwacht.


Op 8 december 1941 verklaarde Japan de oorlog aan Indonesië (Nederlands Oost-Indië). Op Bangka werden meteen de Duitse inwoners ingerekend en gevangen gezet. Al gauw kregen we op Bangka te maken met oorlogsactiviteiten n.l. bombardementen. Vooral Muntok werd het mikpunt.
De eerste voorzorgsmaatregelen werden getroffen. Daar we bij luchtaanvallen onze toevlucht zochten in de rimboe en daarbij de straat moesten oversteken, werden er groene sluiers en capes genaaid. In het wit de straat oversteken zou te gevaarlijk geweest zijn.
Iedere zuster kreeg een vluchtzak (sloop) met 'noodrantsoen': 10 r
oepia (± f 10,-),  een tandenborstel, en stuk zeep, één verschoning, een handdoek en washand. Kortom, het eerste en allernoodzakelijkste. Elke zuster had in de grote zaal van ons huis een plaats waar haar sloop klaar lag om te kunnen vluchten. In tijd van nood kon je van buitenaf snel de zak grijpen en wegrennen.
Muntok werd telkens maar weer gebombardeerd. De kinderen verhuisden naar de pepertuinen, met het gevolg dat de school gesloten werd. Zr. Didaca, Zr. Michelina en ik gingen iedere morgen naar de naaiklas. Daar waren machines en konden we de capes en sluiers naaien. Ook Pastoor Bakker moest een groen pak hebben. Er was werk aan de winkel.

Hals over kop vluchten
Vrijdag 6 februari 1942 werd Muntok vreselijk gebombardeerd. Het was in de middag. Het halve convent (de kloostergemeenschap) zocht de schuilplaats op; de overige zusters zaten in de badkamers. De kogels uit de mitrailleurs vlogen boven onze hoofden. Het was allemaal zo dichtbij dat we dachten dat ons huis gebombardeerd werd. Ik zat in de rimboe en wij dachten: "Hoe zal het met de zusters gaan die in huis zitten?"
Eindelijk was het voorbij! We vlogen uit onze schuilplaatsen en ... ons huis stond er nog! De zusters kamen naar buiten, gezond en wel, wat een blijdschap! We vlogen elkaar letterlijk in de armen.

Zaterdagmorgen
.
We zouden onze schuilplaats afdekken met palmbladeren - je hebt zwaar weer in de tropen. Onder het werken ging de sirene weer en kwamen ook de andere zusters naar de rimboe. Toen het gevaar voorbij was gingen we naar huis, het was tijd voor het middagmaal (rijst met bruine bonen).
De telefoon rinkelde en we kregen het nieuws meegedeeld: we moesten vóór vijf uur klaarstaan om naar Pangkal Pinang te vertrekken. We moeten dus van Bangka weg!
Wat een consternatie! Vlug eten en dan wat bij elkaar pakken. Maar daar kwam niets van.
Er kwam een tweede telefoontje overheen: over 20 minuten komt er een auto voor en dan wegwezen allemaal! Eten was er niet meer bij. We lieten alles staan zoals het was en probeerden snel het een en ander te pakken. Twintig minuten is weinig tijd en toen de auto kwam (een soort vrachtauto) moesten we instappen. Pastoor nog even gedag gezegd en daar gingen we.
Naast de chauffeur zat een militair met de bajonet op het geweer. Zo ging het richting Pangkal Pinang. Daar aangekomen werden we welkom geheten door Mgr. Bauma en de zusters. De zusters van Blinjoe arriveerden kort na ons. Mgr. inspecteerde de bagage, het was te veel. We moesten heel wat achterlaten. Slechts wat je zelf kon dragen mocht je meenemen.
We hoorden nu ook waarom we weg moesten. 's Morgens was Mgr. naar de regent geweest om een auto en chauffeur te vragen om naar Muntok te gaan en te zien hoe het daar was. Toevallig was daar op het kantoor ook de kapitein van het schip dat vrijdag militairen op Bangka had ontscheept. Toen die hoorde dat er nog zusters op het eiland waren, zei hij tegen Mgr. dat we weg moesten. Hij wilde de verantwoording niet nemen: "Ik weet wat de jappen met de vrouwen doen, dus wegwezen."
Mgr. moest toen wel toestemming geven voor het vertrek, dat diezelfde avond volgde. Dit, omdat deze kapitein met zijn schip de laatste gelegenheid zou zijn.

Vroeg in de avond, schermertijd, bracht Broeder Antonius ons met de auto van de pepertuin naar de haven. Daar lag een prauw. Zittend op de planken en ijzeren binten moesten we wachten tot het goed donker was. Gelukkig had Zr. Consolata een mandje met flessen water meegenomen en zo nu en dan kon je een slok water krijgen. Er waren ook inheemse bewoners bij  ons.
Eindelijk, na uren, konden we naar de grote boot varen. Deze lag hoog en toch moesten we langs een laddertje mét de bagage in je ene hand, de ladder vast met de andere hand, naar boven klimmen. Toen we allen op het dek waren kregen we de nodige instructies:

1. 's morgens vroeg naar het dek (bij bombardement naar voor- en achterdek, niet het     middendek);
2. 's avonds lang op het dek blijven;
3. dag en nacht zwemvest aan;
4. deuren niet sluiten;
5. stipt gehoorzamen;
6. zouden we getorpedeerd worden, dan in zee springen. Als je  niet durfde springen,     zou men je in zee gooien; korte metten!
Na enige tijd voeren we de haven uit. Waarheen? Onbekend.
De nacht duurde lang. Aangekleed met zwemvest aan op bed en de deur van de hut open,  probeerde je wat te slapen.

Zondag

Alles verliep rustig tot na de koffie. De sirene loeide. Allen gingen naar de voor- en achtersteven van de boot. Daar kwamen de vliegtuigen.
De mensen begonnen te schreeuwen: "Ik wil niet dood!" Vreselijk.
Wij begonnen te bidden, dat kalmeerde de mensen een beetje. En we kregen de Generale Absolutie uitgesproken door Pater Carijn die met ons meegegaan was. De bommen vielen, de waterstralen spoten huizenhoog boven ons schip uit. Angstige momenten. Langzaamaan werden de passagiers rustig.
Toen het gevaar geweken was kwam de kapitein naar ons toe. Hij bedankte ons voor het gebed. Hij zei: "Ik ben niet gelovig, maar dit is een wonder. U hebt daarboven gestreden met uw gebed en wij beneden door zigzag te varen om de bommen te ontwijken."
Er waren er zo'n 10 tot 12 uitgegooid. Er lagen bomscherven op het dek. Maar niemand was gewond en het schip was niet geraakt op een beetje averij na. Er was wat schade aan het kompas en aan het stuur.
Langzamerhand ebde de angst weg. De twee mijnenvegers kwamen weer voor ons uit varen en het koopvaardijschip van de Billiton maatschappij. voer weer in het kielzog van onze boot. Door middel van vlaggetjes werd er geseind dat alles in orde was.
 
Maandagmiddag waren we in Tandjong Phriök. De haven lag vol schepen. We zagen weer Japanse vliegtuigen boven de schepen vliegen. Hoe moesten we aan land komen? Na uren wachten kwamen er mijnenleggers langszij, die de taak hadden ons veilig aan land te brengen.
Een touringcar stond klaar en bracht ons naar het onbekende. Onderweg ging weer de sirene. We stopten bij een klooster. Een zuster deed open en daar zij meende dat we militairen waren, gezien onze groene kleding, zei ze dat het loos alarm was en de chauffeur door kon rijden. Gelukkig hoefde dat niet, want ze kreeg toch door dat we zusters waren. Toen ging de poort wijd open en we werden allerhartelijkst ontvangen.
Al gauw zaten we rustig in een groot vertrek bij elkaar met een glas frisdrank voor ons. We waren bij de zusters Ursulinen in 'Weltevreden' (buurt in Djakarta)  gestrand, een veilige haven!!
Snel regelden ze een plek voor ons, waar we konden douchen of baden. We waren sinds zaterdag niet meer uit de kleren geweest. Er werd ons meegedeeld dat als de sirene zou gaan, we ons zo gauw mogelijk moesten begeven naar een reusachtige hal van de school. Prompt ging weer de sirene. Dus gauw wat aangetrokken en naar de schuilplaats. Aardedonker was het en die zusters liepen met wagentjes met brood en toebehoren voor ons. Maar wij hadden geen behoefte aan eten, we wilden slapen!!
Ook daar was intussen voor gezorgd. Bed met klamboe stond voor ieder van ons klaar, toen het sein veilig weer was gegeven.
Die maandag en de volgende dagen konden we wat op verhaal komen. Op een avond kwam de bisschop kennismaken. Op een gegeven moment in het gesprek deelde Mgr. ons mede, dat hij liever martelaren zag dan vluchtelingen!
Dat doet mij nog steeds zeer, woedend maakt het me!

We zijn niet lang in dat klooster gebleven. De Zusters Ursulinen hadden een huis voor meisjes (meestal 'halfbloeden') in de Bidara Tjina (Chinees: bloedbad). Dat huis konden we zo lang betrekken. De Zusters Ursulinen vertrokken naar elders en wij namen de zorg over. De baboes waren vertrokken,omdat er geen geld meer was en dus hadden wij de zorg voor de hele huishouding. Daar betrokken we de meisjes uiteraard ook bij, maar die waren tot dan toe erg verwend. Sommige meisje maakte het zo woedend dat ze tegen ons zeiden : "Waren jullie maar doodgebombardeerd".
Daar de Nederlandse mannen waren ingerekend en de paters franciscanen geen onderwijzers meer hadden op hun scholen in Kramat, werd onze hulp ingeroepen. Iedere dag gingen zo'n 5 à 6 zusters naar Kramat om les te geven op de jongensschool (ook 'halfbloeden', vaak uit dezelfde gezinnen). Maar het mocht niet lang duren.
Op een morgen, we waren met onze lessen bezig,  hoorden we "toetoeptoetoep"
en jawel hoor, een paar jappen kwamen op de school afgestevend. We werden er uitgezet, we mochten geen les meer geven en de kinderen werden naar hun afdelingen gedirigeerd. De school werd gesloten en daar stonden we.

Terug naar Bidara Tjina; geen werk. De paters hadden wel nog graag twee zusters om de kleine jongens bezig te houden. Zr. Ferdinandus (Jo van Noort) en ik werden voor dit werk uitgekozen. Daar we konden fietsen, togen we iedere morgen op de fiets naar Kramat en hielden de kleine jongens bezig met spelen, vertellen, tuintjes verzorgen en dergelijke. Les mochten we niet geven.
Iedere dag moesten we voorbij een wachtpost op een kruispunt, een soldaat met bajonet op het geweer. Elke keer dezelfde ceremonie: afstappen, diep buigen, pas laten zien, opstappen en wegwezen!
Eén keer hebben we geprobeerd hard door te fietsen, maar toen hoorden we zo'n vreselijk harde schreeuw achter ons, dat we met hangende pootjes naar de post teruggingen.

Ook dit duurde niet lang.
De Jappen eisten het huis in Bidara Tjina op en wij moesten met de ± 200 kinderen  intrek nemen bij de jongens in Kramat, ook zo'n 200. Een toestand! Niets kon afgesloten worden. We sliepen met ons drieën op een kamertje bij de meisjesslaapplaats. Het werd dag en nacht surveilleren voor de veiligheid van die meisjes.
Op een nacht werd ik wakker, mijn bed ging op en neer. "Er zit een man onder mijn bed," riep ik. Zr. Silvana en Zr. Fortunata schrokken wakker. We gingen gauw naar de kinderen op zaal en jawel hoor, ook daar gingen de bedden op en neer - en hoorden we kraken. Het duurde niet lang. Er was niets ernstigs gebeurd en iedereen probeerde weer te slapen. Het was een uitloper van een aardbeving geweest.
In deze tijd werd een van onze zusters,
Zr. Xaverius, erg ziek. In één nacht was ze helemaal verlamd vanaf haar middel.
Ook op deze plek bleven we niet lang.

Kamp na kamp na kamp
De paters en broeders werden hun huis uit gehaald en naar een kamp gebracht en ook wij kregen bericht dat we ingerekend werden. Kort daarop werden we in bedja's (fietstaxi's) naar het Tjidengkamp gebracht. Afscheid van de jongens en meisjes. Ons werk werd overgenomen door de zusters Ursulinen (inlandse en Duitse zusters).
We kregen een lege vierkante ruimte van een pandjeshuis als verblijf: geen stoelen, geen tafel, geen ledikanten. Onze matrassen en klamboes werden wel gebracht. Daar zaten we op onze matras, op de grond.
Ons eerste werk was om de klamboes op te hangen, maar hoe?? Ik weet niet meer hoe het ons gelukt is. De matrassen werden naast elkaar op de grond gelegd, lakens hadden we niet. Op de matras legden we een bamboemat, een kussen en klaar was het onderkomen.
De volgende dag werden we ingedeeld: gaarkeuken, wasserij, naaierij, ziekenhuisje, schoenmakerij en dergelijke.
Zr. Xaverius werd naar het ziekenhuisje overgebracht.
Het eten was niet best en onvoldoende. De Zusters Ursulinen en de zusters uit het ziekenhuis hadden wel een voorraad suiker en bonen mee kunnen nemen. Het moet wel heel wat geweest zijn en wij deelden mee en kregen ook 'extra voeding'. Er waren ook priesters in het kamp en daardoor haden we 's morgens een Eucharistieviering.
In dit alles kwam al gauw weer verandering. We kregen een militaire bezetting in het kamp. De commandant was Soney (een lunatik, een maanzieke) bijgestaan door een stel andere militairen onder wie Akimoera. We moesten ons verzamelen en daar stonden we voor de vierschaar. Als je naam afgeroepen werd, moest je op je hurken gaan zitten of knielen. Ons leven werd moeilijker.
Ons kamp was gewoon een deel van de stad, omringd door en afgesloten met dubbel prikkeldraad en daartussen bamboematten.
Het ontbijt bestond uit twee smalle sneetjes maïsbrood met een beetje goela djawa (bruine suiker) erop.
Middageten was een beetje waterrijst, gemalen darmen van de karbouwen en als groente gras, gekookte bladeren, stelen van waterlelies.
Avondeten: twee sneetjes maïsbrood.
Verder niets, de extraatjes waren voorbij. Al die drieëneenhalf jaar kamp hebben we niets anders meer te eten gehad dan dit rantsoen. De honger deed dus zijn intrede.
Zuster Xaverius had geen lang ziekbed. Ze is in Djakarta begraven op de plek bestemd voor oorlogsslachtoffers.

Ieder kreeg hier haar werk: wasserij, naaierij, schoenmakerij, gaarkeuken.
Een rustdag was er niet. Zeven dagen per week werken. 's Zondags moesten we wel eens huizen leeghale: bedden, kasten en dergelijke sjouwen. De mensen die erin gewoond hadden waren dan naar een ander kamp overgebracht.
De dagen zagen er allemaal hetzelfde uit:
tweemaal 'koempoelen', 's morgens en 's avonds. We stonden dan in rijen en iedere afdeling kreeg de beurt om te buigen voor de Japanse militairen die voor de rijen stonden. Alles op bevel:
tjotskee: recht staan!
mauree: in de houding!
kuru: buigen en rechtop!
Ging dit  niet netjes, dan moesten we het meerdere malen overdoen.
Een keer hebben we in de nacht moeten koempoelen. Een vreselijke consternatie:  geen lichten aan, pikdonker.

En weer kwamen er veranderingen.
Zo nu en dan verscheen de commandant staande op een tafel en begon ons uit te veteren voor kinatang (beesten), orang bohdoh (domme mensen) enz. De kleine kooktoestelletjes werden ingenomen, zodat er niets gebruikt kon worden van wat we van het Rode Kruis ontvingen!
De priesters mochten niet meer de H. Mis doen of preken. Ook de dominee mocht niet meer preken. Toen werden de preken getypt en gaven de mensen ze aan elkaar door. Dit werd verraden. Gevolg: vijf uur in de brandende zon staan en dat was nog niet alles.

De religieuzen moesten het Tjidengkamp verlaten en het kleine 'kapelletje' moest ontruimd worden.
De bagage brachten we naar de uitgang van het kamp, waar alles werd gecontroleerd door de Japanners en het nodige eruit gehaald werd. Een paar touringcars reden ons weg. Waarheen?
We kwamen in het Kramatkamp.
Daar stonden we dan. Wat zou onze verblijfplaats worden?
Ons werd verteld dat we stipt moesten gehoorzamen en we mochten geen contact hebben met de andere krijgsgevangenen.
We kregen een gedeelte van een huis toegewezen. Eén ruimte, die diende als slaapgelegenheid met een aantal ledikanten voor 25 personen,  was tevens ruimte om te eten en om te bidden. De klamboes kregen we ook. In andere ruimtes van dat huis zaten ook hele groepen zusters.
Weer was het werken en nog eens werken, zeven dagen per week. "Niet werken, niet eten" was het devies van de jappen.
Ik werd ingedeeld op de knipperij. Iedere dag stonden we kimonomodellen te knippen van lingeriekatoen, in drie maten.
Dames op de naaijerij stikten ze in elkaar. Toen die kimino's klaar waren moesten we zwarte broeken knippen voor de mannelijke afdeling ergens anders.
Het ziekenverblijfje werd ontruimd. Vreselijk zoals dat ging. Zelfs een stervende werd niet ontzien en werd in de auto 'geladen'. Waarheen?? Waarom??
Zo ging het maar steeds. De redding was misschien in zicht?
Op een avond hoorden we zingen: vaderlandse liederen.
Een hele stoet dames kwam bij onze woning langs: "Zusters, we zijn vrij".

Vrij!!
Tot ± 22.00 uur mogen we zo'n beetje onze vreugde tonen.
Maar dan, weer de vraag: wat nu?
De Japanners moesten ons beschermen tegen de extremisten. Militairen vluchtten weg. Soney werd ingerekend en later werd hij doodgeschoten.
Na die capitulatie waren alle kleren die wij gemaakt hadden ineens weg. Waarvoor hebben we die kleding moeten maken?
We zouden eind augustus, begin september naar de moerassen van Sumatra en Borneo verscheept worden (een informatie die de dames na de capitulatie op kantoor gevonden hebben).
Wie bepaalde dat? Was dat goed of slecht? Was dat gerucht of mededeling?
Ik denk dat die kimono's onze kleren hadden moeten worden als we verscheept zouden zijn naar die moerassen en daar gedumpt zouden worden.

Op 15 september bezweek zuster Clotilda aan de hongeroedeem.

De atoombom bracht ons redding, maar wat een slachtoffers en vernieling voor de Japanners!

Hel
Ons leven veranderde. Wegens het gedrag en het handelen van de extremisten konden we niet op straat. Dat zou onze dood zijn.
Britse Indiërs moesten ons beschermen. Later kregen we Nederlanders om ons te beschermen. Maar we bleven in het kamp.
Na verloop van tijd ging de helft van ons convent naar Meester Cornelis (buurt in Djakarta), naar Huize "Mater Dolorosa" van de Zusters van de Goede Herder. In een deel van dit klooster werden zieke en stervende Nederlandse heren verpleegd. Het was een hel.
Vuil en ongedierte, wandluis en huidluizen - en niemand om de mensen te verzorgen.
De gevangenen (Australische militairen) hebben alles op moeten knappen met DDT- poeder.
Toen alles schoon was zijn ook wij uit het Kramatkamp gehaald en naar Meester Cornelis gebracht. Weer naar een was-, verpleeg- en naaiafdeling.

Repatriëring
Het Rode Kruis zorgde voor pantalons en overhemden. Deze moesten door ons op maat gemaakt worden voor de herstellende patiënten.
Al gauw was er verbinding met Nederland. Zieken en zwakken kwamen het eerst aan de beurt voor transport. Zr. Silvana en Zr. Consolata waren van ons de eersten die naar Nederland vertrokken. Met de tweede reis, op de Sibajak, was ik aan de beurt met Zr. Didaca.
5 juni 1946 begon de reis. In Altaca bleef de boot een dag liggen. 's Morgens ging de eerste helft van de repatriërenden met een treintje de woestijn in en kwam bij een kampement. Duitse krijgsgevangenen waren hier aan het werk, in grijs kostuum en op hun rug een zwarte ruit genaaid.
Het was een heerlijke ochtend voor ons. Wij werden voorzien van de nodige kleding: een city-bag met schoenen, kousen, jurk, mantel en een tasje met wat lekkers en een scheerappraat.
's Middags ging de tweede helft op pad.
We werden ook doorgelicht. We werden voorzien van strikt noodzakelijke dingen.  Voor ons allen werd dat een gezellige middag.
De reis ging verder.
Ik meen dat we 1 of 2 juli in Rotterdam in de haven aanmeerden.
Om 12.00 uur waren we er, om 17.00 uur werden we ontscheept en gingen, voorzien van een 'welkomkoek' het havengebouw binnen. Om 20.00 uur kwam de touringcar en om ongeveer 22.00 uur 's avonds waren we in het Moederhuis op de Lauriergracht in Amsterdam.
Geen angst meer. Vrij!!