Zusters van "De Voorzienigheid", huizen
INHOUD Journaal Bestuur & Organisatie Spiritualiteit Geschiedenis Activiteiten Publicaties  Geloofsbrief
                                home                                                                                                                                         


Waar groepen leefden:

Amsterdam,Lauriergracht
Amsterdam, Hubertus
Amsterdam, Indische Buurt
Amsterdam, Experimenten
Amsterdam Bijlmer
Amsterdam, liturgisch
Blauwhuis
Dordrecht
Driehuis
Duivendrecht
Edam
Eindhoven
Emmeloord
Etten
's-Gravenhage
Haarlem
Heemstede
Hoorn
Krommenie
Kwintsheul
Langeraar
Loosduinen
Leiden
Limmen
Maastricht
Moordrecht
Nederhorst den Berg
Noordwijkerhout
Nootdorp
Ouderkerk
Steenwijkerwold
Stompwijk
Scheveningen
Ulft
Voorhout
Warmond
Westerblokker
IJmuiden
Zwaagdijk


DE HUIZEN IN NEDERLAND



Op 5 augustus 1852 werd in de Amsterdamse Jordaan, in de schaduw van de Westertoren, een huis voor 'verlaten meisjes' gesticht. Dat huis werd de bakermat van de Congregatie der Zusters van "De Voorzienigheid".  Feitelijk ging het ook veel om wezen en halfwezen.
Enkele jaren later legden de verzorgsters van de kinderen, onder wie Maria Stroot, hun professie af en kreeg de prille religieuze vereniging een naam en regel; de bisschop van Haarlem bedacht dat deze religieuze vereniging "Arme Zusters van het Goddelijke Kind" zou gaan heten. Deze naam was tevens een opdracht, een samenvatting van hun zorgende spiritualiteit. Het Kind Jezus was zinnebeeld voor alle kinderen die zorg nodig hadden.
De armoede was zo concreet, dat de eerste vijftig jaar gekenmerkt werden door regelmatige sterfte van zeer jonge vrouwen, nog onder de veertig jaar. In de eerste twintig jaar waren met regelmaat zelfs doden onder de dertig jaar te betreuren.
Toen in 1968 de naam veranderde in Zusters van "De Voorzienigheid", was haar naam opnieuw een missie. Door alle jaren heen hebben zusters geprobeerd vorm te geven aan deze naam op veel plaatsen in Nederland en daarbuiten. Het complex 'De Voorzienigheid' tussen Lauriergracht en Elandstraat werd in 1991 verkocht.








De eerste kleding van de zusters



Kleding van de weesmeisjes



AMSTERDAM, LAURIERGRACHT 37

Het eerste huisje werd in 1856 werd aangekocht, de 'Franse Tuin' in de Elandsstraat.  
Nadat er ook huizen in andere plaatsen werden opgericht, werd de Lauriergracht 'het Moederhuis' van de congregatie en bleef dat tot 1991. In de loop van een eeuw groeide het uit tot een groot complex. Vanuit dit huis, dat midden in de Jordaan stond, ontwikkelden zich zeer uiteenlopende activiteiten in dit speciale stukje Amsterdam. Naast de vorming van jonge religieuzen (postulanten en novicen) kwam er een scholencomplex (kleuterschool, twee lagere scholen, ULO, kweekschool) en het kinderhuis veranderde naar de eisen van de tijd.
Ook kwamen er steeds nauwere banden met bewoners van de Jordaan door maatschappelijk werk, gezinszorg, bejaardenzorg, tafeltje-dek-je, clubhuiswerk, wijkverpleging. Veel van deze zorg werd geboden onder de koepel van 't Claverhuis.
Gedurende een lange periode werd vanuit de hostiebakkerij een groot deel van de parochies van het Bisdom Haarlem voorzien van hosties.



In 1890 werd een pand aangekocht dat in Nederland betekenis heeft in de literaire wereld. Het was Lauriergracht 37, het pand waar volgens de eerste regel in de 'Max Havelaar' de koffiebrander Droogstoppel woonde. Max Havelaar werd in 1980 het Keurmerk voor producten die binnen eerlijke handelsverhoudingen worden verkregen. De Stichting Max Havelaar ziet toe op het handelstraject. Koffie was het eerste product dat onder de verantwoordelijkheid van 'Max Havelaar' op de markt kwam. Andere producten volgden. Inmiddels zijn ze ook in diverse supermarkten verkrijgbaar, met een eigen keurmerk 'fair trade'. 'Verkade' is het eerste A-merk dat sinds 2009 geheel is overgestapt  op 'fair trade' productie.









Zr. Hippolyte van der Straaten over Montessori-onderwijs in de Jordaan

"In 1942 werd me gezegd:“U gaat de opleiding volgen voor het Montessori-onderwijs”. In Rotterdam zouden we een school beginnen, daar was veel Montessori in het katholieke onderwijs. Vanwege de oorlog ging dat niet door, en dus kwam ik na de opleiding in de Jordaan, samen met Zuster Pascala. In Amsterdam was het Montessorionderwijs alleen in het Openbare Onderwijs te vinden. We begonnen twee Montessori-kleuterklassen, waarvoor de ouderbijdrage wat hoger was dan voor de gewone kleuterschool. De Lauriergracht zat aan de rand van de Jordaan, we hadden dus zowel kinderen uit de Jordaan als van de Grachtengordel in onze kleuterklassen. Uit de Jordaan als de ouders het ervoor over hadden, en de grachtengordel kwam speciaal op ons af. Dat was een leuke combinatie en het ging heel goed samen.

In die tijd betekende het dat je kinderen van 4 tot bijna 7 jaar bij elkaar had. Het hele jaar door voegden kinderen in die 4 jaar waren geworden. Die nieuwen werden altijd heel goed in de groep opgenomen. Ze hielpen elkaar om te weten hoe het moest in de groep.

Het principe van Montessori is dat er orde moet zijn, anders is er geen ontwikkeling mogelijk. Binnen die orde wordt dan veel vrijheid geboden. De kinderen kiezen zelf, maar jij moet dan opletten dat ze op hun eigen niveau werken. Na de oorlog hadden we wel klassen van 40 kinderen, dat was niet gemakkelijk. Het systeem was eigenlijk gemaakt op ongeveer 25 kinderen. Op den duur kwamen er minder kinderen, door veranderingen in de samenstelling van de bevolking. Toen werd het eenvoudiger.
Montessori-onderwijs is hard werken, maar het is wel heel leuk. Je geeft korte lessen, biedt dan vooral veel spelmateriaal aan waar de kinderen uit kunnen kiezen. Het moet niet te moeilijk zijn, dan worden ze te afhankelijk van hulp van anderen. Maar ze moeten ook niet iets pakken wat te gemakkelijk is, daar worden ze lui van en ze gaan zich vervelen. De leidster is ervoor om bij die keuze te helpen.

We hadden in Amsterdam geen vervolg met de Montessori-aanpak in het lager onderwijs, dat was jammer. Wel was er samenwerking met de onderwijzers van de eerste klas lagere school, want onze kinderen zouden zich snel kunnen gaan vervelen in het gewone onderwijs, waar het strak klassikaal ging. We werkten dus wel aan een beetje soepele overgang.

In het Montessori-onderwijs boden we die kinderen een ontwikkeling die voor een volkswijk best bijzonder was. Ze leerden om goed voor zichzelf op te komen, vanuit hun eigen kunnen dingen aan te pakken. Tegelijk was het een heel sociale opvoeding, waarin ze veel samen met anderen leerden doen, elkaar moesten helpen, telkens weer nieuwe kinderen moesten opnemen in een groep met groot leeftijdsverschil. En die gemengde samenstelling was daar vanzelfsprekend ook heel goed bij. Die kinderen brachten verschillende culturen mee. Dat zagen ze van elkaar en daarin leerden ze van elkaar. Ze vonden elkaars verschillen gewoon. Bovendien kon ieder zich in z’n eigen tempo ontwikkelen. Ik denk dat we daar de basis legden voor heel open, tolerante mensen."
 
terug


Amsterdam, Lauriergracht 105
Hier was gevestigd het Jongerneweeshuis, later Amstelstad.  Van 1900 tot 1960 hielpen onze zusters bij de verzorging van de jongens. Het huis was nooit eigendom van de congregatie.











een bezoekje aan Artis was een regelmatig verzetje

AMSTERDAM, SINT HUBERTUS

In Sint Hubertus, een tehuis voor ongehuwde moeders en hun kinderen, gelegen aan de Plantage Middenlaan  in Amsterdam, werkten onze zusters van 1926 tot 1970.  

Zr. Martini Wieggers over haar werk in Hubertus
"Ik heb 25 jaar in Hubertus gewerkt. Ik kwam er door de oorlog. In Alkmaar was ik opgeleid voor de wijkverpleging, maar daar was geen opleiding voor kraamverpleging. Daarvoor zou ik dan naar Rotterdam gaan, maar in de oorlog was dat te ingewikkeld;
ik durfde het niet en hoefde toen ook niet. Maar dan moest ik wel werken en daarom ging ik naar Hubertus.
Daar heb ik vervolgens 25 jaar bij de baby’s gewerkt en zo de kraam feitelijk in de praktijk geleerd. De moeders die al vóór de geboorte bij ons kwamen, bevielen in het ziekenhuis. Twee keer gebeurde het in huis door een te plotselinge geboorte. Daarvoor werd ik beide keren uit de kapel gehaald. Vaak bleven moeders ook tot de bevalling thuis en kwamen dan samen met de baby bij ons. Zo kwam er één keer een moeder met een veel te klein kindje, dat woog maar twee pond. Dat hebben we erdoor gehaald, daar ben ik nog steeds heel trots op. Het hielp wel dat de moeder erbij was en borstvoeding gaf.
Ik heb wel eens geteld: er kwamen bij ons zo’n 50 moeders per jaar. Vaak gaven ze het kind weg voor adoptie of een pleeggezin. Die kinderen bleven bij ons tot dat geregeld was. Andere moeders vonden al snel een baan en woonruimte en vertrokken met hun kind. Er bleven er ook bij ons wonen totdat het kind leerplichtig was, dan moesten ze weg. Eventueel gingen de kinderen dan naar een kindertehuis, als de moeder er niet zelfstandig voor kon zorgen.
Op mijn afdeling gingen de kinderen naar een van de vijf units als er weer een bedje nodig was. Ze bleven dan ook op die ene unit tot ze het huis uit gingen. De meeste kinderen waren daar met hun moeder.
Je kon je niet aan de kinderen hechten, je wist dat ze allemaal vrij snel weer weggingen. Maar ik heb het altijd leuk werk gevonden. Na 25 jaar, in 1969, ben ik ermee gestopt, omdat er toen van die jonge meiden kwamen met veel praatjes vanwege hun diploma kinderopvoeding. Je werd een soort sloof van hen. Dat was niet leuk meer.
De kinderen die bij ons kwamen, waren allemaal door de familie, grootouders maar vaak ook de zussen en broers van hun moeder, geweigerd. Het was nog een schande in die tijd om ongehuwd moeder te zijn. Vaak kwamen de ouders wel op bezoek bij hun dochter, maar wilden het kind dan niet zien. De aalmoezenier bemiddelde daar dan bij en soms lukte het; dan mocht het kind toch nog getoond worden.
Ook wij mochten niet weten waar kinderen heen gingen die geadopteerd werden. In pleeggezinnen zochten we ze wel eens op. De moeders die hun kind wilden houden, konden met hun kinderen bij ons blijven en een baan zoeken. Ze hadden feitelijk zes jaar de tijd om te zien waar ze daarna met hun kind naar toe zouden gaan. Ja, dat was mooi werk en heel leuk werk."

terug

AMSTERDAM, INDISCHE BUURT

Het huis 'Sint Theresia' werd in 1926 opgericht. Ruim 20 zusters werkten er in het kleuter- en lager onderwijs en huishoudelijk onderwijs.  Tevens was er een school voor zeer zwakbegaafde leerlingen. Naast onderwijs was dat altijd ook veel huishoudelijk werk. In 1982 werd het huis opgegeven, de scholen werden al eerder helemaal aan niet-kloosterlingen overgedragen.


AMSTERDAM, EXPERIMENTEN

Bij wijze van experiment werden twee leefgroepen gestart in Amsterdam in gewone huizen, met de intentie het contact in de buurt centraal te stellen. Van 1968-1973 was er een leefgemeenschap in de Van Breestraat, en van 1971-1988 was er een leefgemeenschap op de Nieuwe Herengracht. Later volgden zulke groepen in Heemstede en Leiden, waar er nog enkele van over zijn.


AMSTERDAM, BIJLMER

Van 1971 tot 2006
leefden drie zusters in een flat in de Bijlmermeer en werkten er in een school en in een parochie. Zij maakten alle ontwikkelingen in de Bijlmermeer  mee: van modelwijk naar probleemwijk, van (geachte) voorbeeldige stedenbouw naar onveilig woonsysteem, de komst van een grote waaier aan etnische groeperingen en religieuze verscheidenheid.

























AMSTERDAM, divers
Vanaf 1968 gingen steeds meer zusters werken op plekken buiten de congregatie en, geïnspireerd door het Tweede Vaticaans Concilie en het Nederlands Pastoraal Concilie ginen een aantal zusters theologie studeren, liturgisch of pastoraal werk doen of arbeid verrichten in pastoriën. Het werken buitenshuis kende de congregatie al langer: sinds de dertiger jaren van de vorige eeuw waren zusters op verschillende plaatsen werkzaam als wijkverpleegster. 

Zuster Joke Brugman over liturgie voor kinderen 
Zuster Joke Brugman werkte in de jaren zeventig in de Mozes en Aäronkerk in Amsterdam mee aan familievieringen. De bedoeling van deze vieringen was dat deze zowel op volwassenen als op kinderen werden gericht. Want kinderen groeien in het geloof dat ze van huis uit meekrijgen. De liturgie moet daarom bijdragen aan de groei van het geloof van kinderen én hun ouders. Het is ook van belang dat ouders en kinderen dat samen beleven en ervaren. Geloof is immers niet iets dat met het hoofd wordt geleerd maar met het hart, door ervaring!
“Daar zochten we vormen voor, door de keuzes van thema’s, door de wijze van verkondiging, door kinderen een rol te geven in de liturgie werden ze er wezenlijk bij betrokken. Natuurlijk hoorde daar ook een voorbereiding bij. Op de zaterdag vooraf oefenden we soms een lied in of er werd iets gemaakt of gekleurd, dat op zondag in de liturgie een plaats kreeg. Maar de bedoeling was altijd dat het gebruikt werd in de zondagse liturgie voor iedereen.”

Deze opvatting was tamelijk nieuw in die jaren. Het materiaal waarin de ervaring van kinderen serieus genomen werd, werd opnieuw ontwikkeld. Joke had daar een grote rol in. Gedurende de vijf jaren dat zij in de Mozes en Aäronkerk werkte bleek veel belangstelling te bestaan voor haar manier van aanpak. In veel parochies in het bisdom gaf zij haar visie door en later ook in het bisdom Groningen. Via de uitgeverij Gooi en Sticht werkte zij mee aan het samenstellen van tijdschriften en boeken. Deze werden dan ook weer gebruikt in kindernevendiensten en -woorddiensten omdat familievieringen in veel parochies nog niet goed haalbaar waren. Maar eigenlijk is het altijd de bedoeling geweest om het geloven van ouders en kinderen op elkaar af te stemmen.


Dat heeft zeker met rechten voor kinderen te maken, vindt Joke. “Kinderen hebben het recht serieus genomen te worden in hún manier van geloven en zich dit eigen te maken op een aan hen aangepaste wijze. Zo komen ze spelenderwijs én op stiltemomenten in contact met het heilige, met het mysterie. Volwassenen, ouders, dienen ruimte te maken en te geven aan kinderen zodat ze er wezenlijk bij betrokken raken en kunnen leren geloven op eigen wijze.”

Joke begon haar liturgische werk met kinderen in de Mozes en Aäronkerk in experimentele gezinsvieringen in de tijd van het Amsterdamse City Pastoraat. De ervaring die ze in de loop van de tijd opbouwde kwam ten dienste aan liturgie- werkgroepen in heel Nederland. Zij bouwde ook een hulp- en informatiecentrum op voor werkgroepen gezinsliturgie.






Zuster Josina Boomars over werken met migrantenkinderen
Zuster Josina heeft voor het grootste deel van haar leven gewerkt met de families van Portugeessprekende migranten in Amsterdam. Na een periode van vijf jaar in Brazilië was zij in Nederland herstellende van een operatie. In de tijd van revalidatie raakte ze betrokken bij de vrouwen en gezinnen van de eerste Portugese gastarbeiders die als schoonmaaksters kwamen werken op Schiphol en bij andere bedrijven.
Zij assisteerde een pater bij zijn werk. Uiteindelijk ging zij niet meer terug naar Brazilië.
In de kerkelijke gemeenschap die de Portugezen langzaamaan vormden, stond ze aan de wieg van het opbouwen van een parochiegemeenschap en het opzetten van de diaconie en de catechese. Ze vond het prachtig werk. “Het geloof zit zo diep in hun ziel." Ze wilde de Portugezen helpen hun geloofstraditie in Nederland vorm te geven. Het werken met de kinderen was een manier om met de ouders in contact te komen. Ze betrok de moeders vanaf het begin bij de Eerste Communie en Vormselvoorbereidingen, maar ook bij de catechese. Hierdoor kon ze de ouders met raad en daad bij staan en zo bijdragen aan rust en vertrouwen in de gezinnen. Dat kwam de kinderen uiteindelijk het meest ten goede.
De Portugese parochie breidde zich uit met Portugeessprekenden uit andere landen als Brazilië, Angola en de Kaap Verdische eilanden. Daarmee werd de problematiek anders. De Brazilianen zijn vaak illegaal in Nederland, wat heel diverse problemen met zich mee kan brengen, vooral als er problemen ontstaan met gezondheid, werk en wonen. De mensen uit Angola waren vooral jongeren (16 tot 18 jaar). Ze kwamen als vluchteling naar Nederland, meestal met zware oorlogstrauma's. Heel vaak werd haar hulp gevraagd bij acute problemen van ernstig zieke kinderen uit Angola die via de organisatie Friedensdorf International of via het Ministerie van Gezondheid in Nederland behandeld werden. Er moest iemand naast het bed zitten die in hun moedertaal met hen zou kunnen praten of hen zou kunnen begeleiden bij het sterven. Momenteel zijn er minder Angolezen.
De grote overgang van land en cultuur maakte ouders onzeker. Dan komen de kinderen snel rust en stabiliteit tekort. Ook ontstaat er een probleem met de taal: kinderen pikken het Nederlands heel snel op, maar leren niet de sociale code die bij een taal hoort. Ze kunnen het Nederlands dan niet altijd respectvol gebruiken tegen hun ouders, want die '“verstaan het toch niet'.
Angolese kinderen missen bijvoorbeeld het recht om een kind te zijn van ouders die voor ze zorgen; in plaats daarvan zijn het eenzame oorlogsslachtoffers en vluchtelingen. Braziliaanse kinderen ontbreekt het aan het recht op een officiële verblijfsstatus.
Zuster Josina voelde zich vanaf het begin af aan thuis bij de Portugese migrantenfamilies, vooral door de hechte band van de Portugezen als familie en met elkaar. De Portugezen vormen nog steeds de kern van de Portugese migrantenparochie, hoewel er velen nu buiten Amsterdam wonen.
terug

 


Puzzel gemaakt in 2004



 









eerste steen gelegd door
Mgr. J.J. Starrenburg 1964
van een nieuwe unit in Driehuis

BLAUWHUIS

In 1904 werd in Blauwhuis, Friesland, een nieuw huis begonnen. De zusters waren er tot 1980 werkzaam in onderwijs, gezinszorg en ouderenzorg. Het huis bood in 1968 plaats aan 55 bejaarden.

Bij het honderjarig bestaan van het Theresiahuis werd een puzzel gemaakt van het huis, met enkele markante foto's uit de geschiedenis van het huis. Waaronder:  het in 1971 nieuw gebouwde Teatskehus; Teatske Lofkes Loikema, de weldoenster van het Theresiagesticht; het oorspronkelijke Blauwe Huis op de huidige lokatie, afscheid van de zusters in 1980, kaart van Friesland met daarin Blauwhuis.

        


 



DORDRECHT

Van 1944 tot 1947woonde een kleine groep zusters in Dordrecht en verzorgde er een groep evacuees (bejaarden en piesters) die in een villa waren ondergebracht omdat het eigen onderkomen door de Duitsers was opgeëist.  
Zuster Vianney vertelt hierover in Congregatie Contact maart 2005.


DRIEHUIS

In 1901 werd in Driehuis begonnen met de zorg voor kinderen die bijzondere pedagogische en/of didactische hulp nodig hadden. In 1960 werd aan 90 kinderen plaatsgeboden. Tot 1971  was er een eigen school verbonden aan dit kindertehuis. Eind jaren 60 werden de kinderen op scholen in de omgeving geplaatst. In 1977 werd de arbeid overgegeven aan niet-kloosterlingen.


DUIVENDRECHT

Van 1913 tot 1960 werkten de zusters in het kleuter- en lager onderwijs voor de bewoners van dit dorp.

EDAM

Het huis 'De Koningshoeve' werd in 1899 opgericht. In de loop der tijd ontwikkelde er zich onderwijs, een internaat en een verzorgingshuis. In 1968 werd plaats geboden aan 60 ouderen en 39 interne leerlingen. Het huis werd beëindigd en de werkzaamheden overgedragen in 1979. Eén zuster bleef er nog wonen tot ze haar werkzaamheden afrondde.


EINDHOVEN

Van 1976 tot 1986 woonde een groep zusters als eigen contemplatief centrum binnen het klooster van de Zusters Clarissen aldaar.

Zr. Reinilda van raaphorst in "Wij zeiden 'ja' ":
"Ik eindig dit enigzins rommelig overzicht met de vermelding van een nieuwe onderneming, die een vervulling is van een door velen reeds lang gekoesterde wens, n.l. de mogelijkheid te hebben, de contemplatie in het kloosterleven weer een kans te geven, hetzij als blijvende levensrichting, hetzij als een gelegenheid tot bezinning tussen de activiteiten van het gewone leven door.
Het Clarissenklooster in Eindhoven stond hiertoe een vleugel van de gebouwen af aan onze Congregatie.
Op 15 oktober 1976 namen drie religieuzen daar haar intrek, waar zij nu een eigen communiteit vormen, terwijl ze deelnemen aan alle Gebedsdiensten van de Clarissen. 
Deze Zusters treden op als gastvrouwen voor haar medezusters, die één of meer dagen van bezinning willen houden.
Moge het voor velen een oase zijn in de 'woestijnreis' door het dagelijks leven.'"






































Troffel waarmee de eerste steen gelgegd werd voor de eerste uitbreiding van Heemstede, 1959

EMMELOORD

Onze zusters trokken met regelmaat snel op met de modernisering.  Zo voegde zich in 1953 een groep bij de pioniers in de Noord-Oostpolder. Tot 1985  werkten er zusters in de gezinszorg, het onderwijs en de wijkverpleging.


ETTEN

Het Huis 'Stint Lidwina' werd in 1903 gestart. Er werd gewerkt in het onderwijs en ouderenzorg. In het huis werd plaats geboden aan 19 ouderen. In 1986 sloten de zusters er voorgoed de deuren.


's-GRAVENHAGE
Het huis bestond van 1952-1954, en was bedoeld voor pastorale arbeid als "Open deur Werk".
Zuster  Alfonsina en zuster Aresia beschrijven in een interview in 2005 in Congregatie Contact hoe die twee jaar er uitzagen.

HAARLEM

Van 1952 tot 1979
hielpen onze zusters de bisschop van Haarlem bij de administratie en de huishouding van het bisdom. De communiteit telde zes zusters.


HEEMSTEDE

Op 29 december 1950 komt het landgoed 'Bosbeek' in onze handen.
Tot  1959 wonen de zusters in het dan uitgewoonde herenhuis, tot 1960 de eerste bouw van het verzorgingshuis gereed is. Nu is Huize Bosbeek in Heemstede ons centrale huis. Het herenhuis is bestuurshuis en ons eigendom. Het zorgcentrum  werd in 1997 overgedragen aan de stichting 'Sint Jacob'. Op het terrein staan twee appartementhuizen voor enkele zusters, in zorgcentrum en verpleeghuis wonen naast veel niet-kloosterlingen 57 van onze zusters, en religieuzen uit andere congregaties.

Op verschillende plaatsen in Heemstede heeft de congregatie woonhuizen gehad voor kleine groepen. Nu leven vier van onze leden in Heemstede of directe omgeving.  Twee van hen vormen een klein convent.
terug














































HOORN

In 1896 kwamen de eerste zusters in Hoorn werken. In 1982 vertrokken de laatsten. Bij de start was het Jozefhuis, waar ze gingen werken, een 'Wees- en Armenliedenhuys' met 73 huisgenoten. Onder hen armlastige mannen en vrouwen, maar ook tientallen kinderen. In 1956 vertrokken de laatste kinderen en werd het Jozefhuis alleen bejaardenhuis.
De zusters woonden met de door hen verzorgde mensen samen. In 1970 kwam de eerste verandering, toen men op 'lekenbasis' ging werken met een dienstrooster. Het Jozefhuis is inmiddels opgegaan in een groter zorgcentrum in Blokker.
Toen in 1896 de zusters naar Hoorn kwamen, namen zij de zorg over van een wezenvader en wezenmoeder.

Onze Algemene Overste woont inmiddels weer in Hoorn, en werkte jaren in het Dekenaat.

Overigens dateerde het Jozefhuis op het Achterom uit ten minste 1774. Uit dat jaar stamt een ingemetselde steen met de tekst:
Hier koestert schrandre zorg
het weesken in haar schoot
hier heeft stokoud gebrek
een toeverlaat in nood

(Jan Waardenburg, oud twee jaren, opdat zijn naam nooit sterven zou, tot troost van grijze en blonde haren, lei de eerste steen van dit gebouw)

Uit het afscheidsgesprek van de zusters:

"Er was vroeger nog geen opleiding voor dit werk. Die kwam er pas in de '50-er jaren. je werd er gewoon op afgestuurd. En we vonden dat heel gewoon. Als je voor het eerst iemand moest wassen, zeiden je medezusters: "Kijk maar hoe wij het doen en doe maar of je 't altijd gedaan hebt."
We kregen gratis kost en inwoning en wat kleedgeld. Meer hadden we ook niet nodig. We werkten ongeveer dag en nacht. Dat veranderde in 1970. Toen kwam er een nieuwe regeling van het rijk en kregen we een salaris en werktijden op lekenbasis. Als groep hadden we een klein eigen budget voor de gewone kosten. De rest van ons inkomen ging naar de congregatie, die er het missiewerk van onze zusters mee betaalde en de laatste tijd ook de zorg voor onze eigen oudere medezusters.
Intussen is er veel veranderd in het beleid rond de bejaarden. Vroeger was het armenzorg, nu worden ze serieus genomen als bewoners, die samen hun wensen kunnen inbrengen.
"Ja, dat is wel het ideaal. Maar sinds het rijk stimuleert dat ouderen zo lang mogelijk op zichzelf blijven wonen, worden de mensen, die hier binnenkomen, steeds ouder en hebben ze meer hulp en verzorging nodig. Vroeger hadden we een vitale bewonerscommissie en konden mensen elkaar ook meer bieden aan gezelschap en ontspanning. Nu missen de mensen de energie. Ze laten het makkelijk aan ons over. En dat is toch niet de bedoeling."


Sinds 1982 is in de zorg nog veel meer veranderd. Inmiddels is er een beweging gestart die fundamentele kritiek heeft op de wijze waarop de zorg nu 'professionaliseert'. Management zonder beroepskennis en bureaucratisering in de vorm van vereiste formulieren voor elke verrichte handeling, verzieken de zorg en slorpen veel van het aantal beschikbare uren op. De handen aan het bed zijn daardoor zeer beperkt.
terug


KROMMENIE

Van 1960 tot 1982
werkte een aantal zusters in Krommenie,  in het onderwijs, de ouderenzorg en de wijkverpleging. Tevens was de leefgemeenschap een steunpilaar in de parochie.


KWINTSHEUL

Het Huis 'Sint Maria' werd in 1926 opgericht om de zorg voor onderwijs en de zorg voor ouderen op zich te nemen. In 1968 bood het huis plaats aan 34 ouderen. In 1971 werd de arbeid overgedragen aan niet-kloosterlingen en vertrokken onze zusters uit Kwintsheul.


LANGERAAR

In 1912 werd in Langeraar begonnen met onderwijs:kleuter- en  lager onderwijs en huishoudschool. Ook kwam er een verzorgingshuis. In 1968 werd plaats geboden aan 80 ouderen en waren 24 aanleunwoningen voor echtparen in aanbouw. In 1971 werd de arbeid overgedragen aan niet-kloosterlingen en de gemeenschap beëindigd.















LEIDEN

Het  tweede huis dat de congregatie begon was in Leiden, Hogewoerd 57 met de opvang van en onderwijs aan 'arme meisjes'. Onze zusters werkten  in dit huis van 1856 tot 1963.
In Huize Sint Liduina aan de Zoeterwoudse Singel 34 verzorgden de zusters -in de jaren 1933 tot 1976- de opvang en het onderwijs aan meisjes met een verstandelijke beperking. Vanaf 1976 tot 1990 zetten de zusters de arbeid voort vanuit een andere woonplek in Leiden.
Inmiddels is er nog één klein convent van zusters die met name in de parochie actief zijn. 


Zr. Maria Gieske vertelt over Leiden
"Van 1942 tot 1946 en van 1959 tot 1968 was ik werkzaam in het Liduinahuis in Leiden. Ik was groepsleidster van verstandelijk gehandicapte kinderen in de leeftijd van 14 tot 16 jaar. Deze kinderen kwamen uit gezinnen van ouders met eenzelfde  beperking. Dat leidde veelvuldig tot verwaarlozing. Deze kinderen hadden dan ook meteen een behoorlijke achterstand in het leven: zonder goede ouderlijke zorg, zonder geborgenheid en warmte opgegroeid. Dat gemis is door anderen nooit helemaal goed te maken, al deden we ons best.
Ik herinner mij nog heel goed dat ik zeer emotioneel was bij de eerste kennismaking met een heel grote groep kinderen, gekleed in jurken met grote schorten voor. Ik was niet alleen emotioneel, maar ik vond het ook heel zwaar op mij afkomen.
Het kinderhuis kreeg voor mij iets van een harnas, een van de wereld afgezonderde plek. De wijze waarop ik de kinderen benaderde werd erg bepaald door mijn eigen opvoeding thuis, die veilig en harmonieus was geweest. Dit was de basis van waaruit ik werkte.
Het leverde me vaak innerlijke conflicten op. Dan voelde ik de strijd in mezelf tussen de huisregels en het leefbaar en prettig maken voor de kinderen. Je moest altijd een weg zien te vinden tussen de discipline van het internaat en de belangen van het kind. Maar we hebben toch veel gelachen, ik kon vaak keten met ze, samen baldadig zijn, bijvoorbeeld op de slaapzaal met kussengevechten. Ik weet dat ik eens plotseling dacht: "O God, ik houd van al die kinderen, maar van iedereen anders.'
In de jaren ´60 kwamen er groepsleidsters van buiten. Dat doorbrak een bepaalde strakheid en de samenwerking verliep heel goed. We zochten ook vakantieadressen voor de kinderen, ik vond zulke adressen ook binnen mijn eigen familie.

Enkele jaren geleden ontving ik een brief van een mevrouw die als 16-jarige bij mij in de groep zat. In haar lange brief bedankte zij mij 'omdat u', zo schreef zij, 'hekjes wist weg te doen'.
Met deze opmerking was ik zeer gelukkig. Ik was gelukkig omdat ik me bewust werd dat de pogingen om het de kinderen naar de zin te maken haar niet ontgaan waren. De moeite was hiermee beloond.
Ik lees in het boek In haar naam geborgen, uitgegeven bij gelegenheid van het 150-jarig bestaan van de Congregatie onder meer op blz. 14: 'Mietje maakte het regime minder fanatiek en gaf de meisjes ruimte om te spelen ...'.
Bijna 30 jaar werkte ik als groepsleidster bij kinderen en ik heb daarvan nooit spijt gehad."
terug


LIMMEN

De arbeid in Limmen in Huize 'Sint-Mariaoord' werd in 1913 begonnen. In dit dorp in Noord-Holland werkten de zusters in het kleuteronderwijs,  lagere onderwijs en een huishoudschool. Ook was er een verzorgingshuis waar in 1968 53 ouderen werden verzorgd en 20 aanleunwoningen gereed kwamen.  In 1971 werd de arbeid in dit dorp van bollenboeren aan anderen overgedragen.


LOOSDUINEN

Ruim een halve eeuw, van 1908 tot 1959 zorgden de zusters in het 'Leonardusgesticht' voor 'ouden van dagen' en ze verzorgden het kleuter- en lager onderwijs.


MAASTRICHT

Van 1987 tot 1989 woonden drie zusters in Maastricht, in een huis dat een andere congregatie ter beschikking stelde zolang het niet verkocht was. Doel: grbeuik maken vanhet drielandenpunt, om vanuit Maastricht zowel in Nederland als Duitsland en België eutonieonderwijs te kunnen geven. Zuster Roas Spekman was daarin opgeleid.

terug














MOORDRECHT

In het begin van de twintigste eeuw was er geen katholieke school in Moordrecht en moesten de kinderen naar andere dorpen. Het bracht de pastoor uit die tijd ertoe om zusters te vragen naar Moordrecht te komen. In 1913 werd daar "De Voorzienigheid" gestart. Tot het einde, in 1964,  was er naast de lagere school altijd een internaat voor (schippers)kinderen.

Zr. Petra de Knegt, geboren in Moordrecht, over dit huis
"In het internaat waren zo'n 60 jongens. Schipperskinderen, maar ook wel jongens uit grote gezinnen. Een van die schippersjongens kwam zondagsavonds wel eens bij ons thuis slapen; met name als hij in het weekend bij zijn ouders was die dan weer 'van wal staken', dan hoefde hij even nog een nachtje niet naar het internaat. En hij voelde zich thuis in ons grote gezin.
Het mooie kerkje en ook de Lagere School van Moordrecht werden druk bezocht, veel generaties kregen er onderwijs.
Naast het kerkje was een mooi voetbalveld waar jongens zich heerlijk vermaakten. Zelf ging ik vaak met plezier helpen bij de zusters. Soms was dat lange gangen schrobben met zr. Eugenia, soms was dat met de kinderen werken bij zr. Theodulpha. Ook zong ik graag mee in het zusterskoor. Er woonden in Moordrecht twaalf zusters, die samen het werk in de school en het internaat op zich namen."














Zr. Marga Boots over de schipperskinderen Van 1938 tot 1953 werkte zr. Marga Boots (zr. Osmunda) bij de jongste groep op het internaat in Moordrecht. Twintig kinderen van 6 tot 9 jaar, daarna gingen ze naar een andere groep. Soms zat er een kind van 4 jaar tussen.
In de oorlog waren er twee onderduikkinderen bij. Een jongen van 18, klein van stuk, die daardoor aan de Arbeitseinsatz ontkwam en een joodse jongen. Zijn ouders zaten ondergedoken. Bij de Schouwburg in Amsterdam, waar de joden werden verzameld, was voor enkelingen een ontsnappingsroute via het buurtcafé en ons Hubertushuis aan de overkant. Ook die Joodse familie is langs die weg ontkomen en de zoon overleefde dus in de groep van zr. Marga de oorlog.
Als de andere kinderen op vakantie gingen, kon hij niet zomaar naar zijn ouders. Hij ging dan naar een opvangfamilie. Het was gevaarlijk, in Moordrecht zat een heel felle NSB-er. Ons internaat was niet per auto bereikbaar, daardoor kregen we nooit razzia’s.
Ik heb heel goede herinneringen aan die jaren, de kinderen geloof ik ook. Ik ben zelf een pleegkind, ik voelde aan wat die kinderen misten. Mijn pleegouders heb ik heel hoog, maar het is toch heel moeilijk. Ik liet die kinderen kind zijn, ik liet ze spelen. Dat vond ik het belangrijkste. In het weekend was het altijd rotzooi bij mij. Dan speelden ze schippertje, alle meubels door elkaar, ieder zijn eigen bootje. Zelfs de kleinste kinderen konden ook alle soorten schepen uit elkaar houden.
Eén keer hadden ze ineens wekenlang ruzie. Ik vroeg ze hoe het kwam en toen zeiden ze: ‘Bertie is er niet’. Dat was het kleinste jongetje, maar dat was duidelijk de leider. Ik had dat niet eens gemerkt. Leuk was dat, dat zo’n joch al zo’n invloed had.
De kinderen gingen in de vakantie altijd weg. Hun ouders probeerden in de grote vakantie in Rotterdam te liggen. En anders ging zo’n kind naar familie. Ook mochten ze wel twee weken eerder van school als hun ouders moesten gaan varen. Alleen  in de oorlog bleven er ook wel kinderen bij ons in de vakantie; of ze gingen juist helemaal mee op de boot.
Op een reünie, waar ik niet bij was, vroeg een heer een keer naar zr. Osmunda, ‘want toen mijn moeder overleden was, was zij als een moeder voor me.’
En nog maar kort geleden konden we met vier zusters eraan meewerken dat die joodse jongen die bij mij zat ondergedoken in de oorlog, van de Duitse overheid een kleine financiële genoegdoening krijgt ter vergoeding van het oorlogsleed. Het is mooi, zoiets dan nog te ervaren."

terug






NEDERHORST DEN BERG

Een 'nederzetting' nog uit de negentiende eeuw! In dit plassengebied rond Loosdrecht kwamen al  in 1892  onze zusters werken voor het onderwijs: lager onderwijs en kleuterschool. Gedurende geruime tijd werden enkele ouderen uit het dorp opgenomen in het klooster om er verzorgd te worden.  Zo leefden er in 1968 vier ouderen samen met 9 zusters van "De Voorzienigheid". Vanwege de ligging aan een grote plas was het tevens een vakantieoord voor eigen zusters. Het huis werd in 1976 overgedragen aan een oecumenische leefgemeenschap die uit de Basisgroep 'Palmpit' te Bussum ontstond.


NOORDWIJKERHOUT

Een van onze oudste 'uitbreidingen'. In 1864 begonnen onze zusters er in het onderwijs te werken. Dat breidde zich uit tot opname en verzorging vavn kinderen, in een eigen pand. De arbeid werd in 1971 uit handen gegeven en de communiteit beëindigd. Na vertrek uit het klooster bleef een kleine groep zusters nog samenwonen in Noordwijkerhout tot 1982.
Ook werkte van 1910 tot 1968 een aantal zusters in het retraitehuis.

NOOTDORP

Van 1906 tot 1973
waren onze zusters werkzaam in het onderwijs en de ouderenzorg.


OUDERKERK

In 1926 begon het onderwijs in deze plaats. Daar kwam later de ouderenzorg bij in het 'Sint-Theresia-rustoord'. In 1968 bood dit huis plaats aan 80 ouderen. In 1977 werd de arbeid overgedragen aan niet-kloosterlingen en vertrok de laatste zuster.


SCHEVENINGEN

In 1867 werd een huis in scheveningen aangekocht. De belangrijkste functie was verpleging van eigen zusters. Na de oorlog was het huis te oud en te slecht om deze functie nog langer te vervullen. Bosbeek, het huidige centrale huis van de congregatie, werd toen aangekocht voor die functie. In 1960, toen Bosbeek verpleegcapaciteit kreeg, werd Scheveningen afgestoten.

Zuster Pancratia Sigfried vertelt:
Scheveningen werd wel "De kracht van de congregatie"genoemd, hoewel daar de zwakste zusters zaten. In Scheveningen was er dagelijks Uitstelling van het Allerheiligste (een fraaie, doorgaans gouden, monstrans waarin een Hostie zichtbaar achter glas was geborgen, ter aanbidding. Als er uitstelling is, moet er ook steeds iemand biddend aanwezg zijn, red.). De aanbidding door de dag werd afwisselend door alle zusters verzorgd.
Ik verbleef een paar keer voor wat kortere tijd in Scheveningen. Het huis was voornamelijk voor oude en zieke zusters bedoeld. Zodoende kwamen zusters van andere huzien daar ook naar toe, soms voor korte tijd, soms blijvend.
Er was ook een permanente groep zusters die er woonde en die werkzaam was in huis voor de zorg van de zieken. Er was een grote ziekenkamer, hoofdzakelijk voor de oudste zusters en de zeer ernstig zieken.
Ik lag op het zogenaamde balkon, samen met vier of vijf andere zusters, om te kuren wegens tuberculose. Ook hier was een kloosterlijke regelmaat van dagorde. Ik spreek dan van de jaren 40-41; 46-47; 50-52. Doorgaans verbleef ik hier voordat ik opgenomen werd in het sanatorium. Het was geen triest verblijf, we hadden ook veel pret!
Vanuit het balkon (1ste etage) keken we uit op de tuin die door een van de zusters werd verzorgd. Achter de tuin lag een huis voor ongehuwde moeders, verzorgd door de zusters "Onder de bogen". Ook daar konden we op uitkijken.
Aan het huis was een rector verbonden, er was dus goede geestelijke verzorging.
De behuizing was over het algemeen minimaal en op den duur werd er echt uitgekeken naar een nieuw onderkomen. In 1960 werden alle zusters naar Bosbeek, Heemstede overgebracht.
 terug
































STEENWIJKERWOLD

In 1894 richtte de congregatie een huis op te Steenwijkerwold. Er werden bejaarden verzorgd en kinderen opgevangen tot in de veertiger jaren van de vorige eeuw en er werden verschillende scholen gesticht. Naast de kleuter- en lagere school ontstonden er scholen voor voortgezet onderwijs (ULO/MAVO en HAVO) lager en voortgezet huishoudonderwijs en een opleiding voor de akte NXX. De Normaalschool werd opgericht in 1896. De hieruit ontstane Kweekschool/Pedagogische Academie/PABO (voorloper van de R.K. PABO te Zwolle) kreeg landelijke bekendheid. Door de terugloop van het aantal internen konden in de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw vluchtelingen worden opgenomen, eerst uit Urugay en daarna uit Vietnam. In 1985 verlieten de zusters het klooster te Steenwijkerwold. De leerlingenhuisvesting werd verplaatst naar Zwolle en de scholen voor voortgezet en beroepsonderwijs werden gehuisvest in Steenwijk, Wolvega of Zwolle.

Steenwijkerwold was jarenlang een studiecentrum voor het hele noordoosten. In 2004 werd er een uitgebreide tentoonstelling gehouden over de zusters van "De Voorzienigheid". 


Zr. Coletta Berger over meisjes van de huishoudschool
"Als jonge lerares werkte ik met jonge meisjes op de huishoudschool en gaf les in naaldvakken. Op de school in Steenwijkerwold werd hard gewerkt aan de ontwikkeling van de meisjes. Het onderwijs op ons scholencomplex leverde feitelijk een bijdrage aan de ontwikkeling van de hele streek, want de leerlingen kwamen wel uit het hele noorden.
Ook op de huishoudschool werden de meisjes klaargemaakt voor de maatschappij. De inzet was toch om ze tot zelfstandigheid te brengen, in staat te stellen om verantwoordelijkheid te nemen voor zichzelf, in een beroep of voor hun toekomstig gezin.
Wat we deden kun je eigenlijk wel een bijdrage noemen aan de emancipatie. De meisjes werden op school op alle fronten gevormd, ze kregen een maatschappelijke en culturele ontwikkeling. Ze kregen huishoudonderwijs, kunstgeschiedenis, ze bezochten musea en er was muziekonderricht. De vorming was erop gericht dat ze, voor wie dat haalbaar was, ook konden doorstromen naar het hoger onderwijs
De tijd die ik werkte op de Rosaschool in Amsterdam vond ik als Amsterdamse trouwens ook een goede tijd. Die meisjes waren meer direct, echte volkskinderen. Die kon ik echt alles meegeven tijdens de naaldvaklessen, ook sociale vaardigheden; ik kon ze leren wat hun rechten en hun plichten waren. Mijn plicht als lerares was om goed onderwijs te geven en daar hoorde die sociale vorming wel bij,  vind ik.
Vóór de jaren zeventig sprak je niet over de rechten van het kind, dat onderwerp was niet aan de orde. Het uitgangspunt was, dat je werkte met je hoofd, je hart en je handen. Dat heb ik gedaan.
Wat wij deden was natuurlijk wel werken aan de ontwikkeling van jonge meisjes, hen toegang geven tot goede vorming, tot hogere vormen van onderwijs. Het gaf meisjes veel meer beroepskeuzemogelijkheden. En degenen die later snel trouwden, kregen dan een behoorlijke bagage mee als moeder en als zelfstandige partner naast hun man. Door de vorming die ze bij ons ontvingen waren zulke jonge vrouwen niet al te afhankelijk van de man en daardoor ook minder kwetsbaar in de relatie.
Ik heb geen idee of die meisjes iets te kort kwamen, of ze bepaalde rechten ontbeerden. Dat soort denken moest nog ontwikkeld worden. We gaven ze veel bagage mee, we leerden ze alles wat je in het leven in Nederland nodig hebt om jezelf te redden.
De rechten van de vrouw, waar men nu over spreekt, daar ging het toen nog niet zo over. Het huishoudonderwijs waaraan ik mee mocht werken, was Algemeen Vormend Onderwijs. Ik denk dat hier wel in opgesloten zit dat je je eigen leven structuur kunt geven. We hebben de meisjes wel klaar gemaakt voor hun toekomstige leven van die tijd."


Zuster Teresina Linnenbank over jonge studenten
"Mijn werk begon in 1964 te Steenwijkerwold. De congregatie had daar een internaat voor meisjes vanaf 12 jaar. De eerste jaren had ik ULO-leerlingen. Ze waren intern, omdat er in hun woonomgeving geen R.K. school voor voortgezet onderwijs was. Omdat de leerlingen in die tijd alleen in de vakanties naar huis gingen, waren de leidsters van ’s morgens vroeg tot het naar bed gaan aanwezig. Er waren vaste studietijden op school, waar de leidsters bij aanwezig waren. Door deze regelmaat behaalden de internen heel goede resultaten en stond de school in het land hoog aangeschreven.
Door fusies van enkele scholen werd ook het  internaat kleiner. In 1978 bleef ik met 60 leerlingen, inmiddels meisjes en jongens, alleen over. Het internaat kreeg een meer huiselijk karakter. De huiskamer was de plek voor studie, een kopje koffie/thee, een spelletje of zomaar een praatje. Van mijn vrije tijd van 18.00 uur tot 20.00 uur werd dagelijks dankbaar gebruik gemaakt door vijf jongetjes uit het dorp (van 9-13 jaar). Ze kwamen knutselen, een ‘koppie’ doen of voor een praatje. Dit hebben zij zes jaar volgehouden. Nog steeds is er een band als we elkaar in de stad ontmoeten. Eén van die jongens (nu vader van vijf kinderen) gaat volgens zijn vrouw nooit onverzorgd de straat op, omdat hij mij tegen kan komen!
In 1990 is de laatste school naar Zwolle verhuisd. Daar werd in 1994 een flat gebouwd voor 60 studenten. Bij de bouwplannen heb ik gepleit voor een ruimte om te kunnen    tafeltennissen en dat is gelukt. Ik heb er heel veel competities gespeeld met de studenten. Het gaf een ontspannen sfeer, waardoor andere contacten ook meer ruimte kregen. Ook het poolbiljart was erg in trek. Elke avond stond ik steevast met één van de jongens een uurtje te poolen, terwijl hij praatte over alles wat hem bezighield. Zijn moeder vertelde mij, dat ze zelfs jaloers op mij was, omdat ze thuis geen idee hadden wat er in hun zoon omging.
De studentenhuisvesting werd voor veel leerlingen een vertrouwde woonplek. De jongeren kwamen bij mij als een blanco blad. Ik deed het zonder de verhalen die ouders over hun kind wilden geven. Zelf namen ze mij in vertrouwen. Enthousiast vertelden ze over de dingen die plezierig waren, maar ook hoorde ik wat niet lukte op school en thuis. Er ontstond een band door het respect dat wij voor elkaar hadden. Ieder mocht zichzelf zijn, maar normen en waarden stonden hoog in het vaandel. Waar ik altijd moeite mee had was dat leerlingen in de vakantie naar huis moesten, ook als ze geen goed of soms helemaal geen thuis hadden.
Veel ouders gaf het een veilig gevoel, dat er toezicht was bij hun kinderen. Ik heb deze woonvorm altijd een goede opstap naar zelfstandigheid gevonden. Velen hielden hier  blijvende vriendschappen aan over. Mijn rol als gastvrouw was veelzijdig: ik hield toezicht, begeleidde bij de studie,  waar nodig voedde ik ze op, loste wat computerproblemen op en boorde een gaatje of sloeg een spijker wanneer er iets moest worden opgehangen.

Ik geniet van de verhalen over hoe zij zichzelf maatschappelijk hebben ontwikkeld en vind het fijn om te horen dat het internaat eertijds en later de leerlingenhuisvesting daarin een belangrijke rol hebben gespeeld."

Zie ook website parochie Steenwijkerwold

terug


STOMPWIJK

Zelfs in de oorlog werd het avontuur aangegaan van een nieuwe start. In 1944 kwamen zusters naar Stompwijk om er in het onderwijs te gaan werken. Zij deden dat tot 1968. Er werkten en woonden op dat moment 9 zusters in Huize 'Immaculata'.

ULFT

Ook in dit uiterste oosten van het land werd de arbeid al in de negentiende eeuw opgepakt. In 1892 begonnen er zusters te werken in het onderwijs. Later kwam er ouderenzorg bij. In 1968 bood het huis 'De Voorzienigheid' plek aan 85 ouderen en waren er 32 aanleunwoningen voor echtparen in aanbouw. In 1997 verliet de laatste groep zusters deze plek om in Heemstede rust te genieten.


VOORHOUT

"Onze broeders" van de congregatie der Broeders van O.L. Vrouw van Zeven Smarten hebben in Voorhout een groot wooncomplex bestemd voor levensloopbestendig wonen.  Sinds 1978 woonde er een grote groep zusters van "De Voorzienigheid". Inmiddels wonen er nog acht zusters, waarvan vier zusters in het woonzorgcentrum en vier zusters in aanleunwoningen.

Zr. Christian Kortekaas vertelt:
"In maart 1979 besluit het bestuur van de Boroederscongregatie om mij te benoemen tot Hoofd-verzorging in het hoofdgebouw van de B.N.S. ("Buitenplaats Nieuw Schoonoord"), alsmede de medische zorg voor de broeders die op het terrein woonachtig waren in de aanleunwoningen. Per 1 januari 1980 ging dat in.
Intussen is dit complex uitgebreid met een vernieuwd zorgzentrum en psycho-geriatrische afdelingen en heeft ook de B.N.S. zich aangesloten onder een stichting waar meerdere huizen deel van uitmaken.



WARMOND

Sinds 1976 leeft een groep zusters in het zorgcentrum als een eigen convent van  onze zusters. Deze groep is inmiddels klein geworden en van een conventsleven is er geen sprake meer.

WESTERBLOKKER

Van 1908 tot 1956 werden in Huize 'Bethlehem' oudere mensen verzorgd door onze zusters.

IJMUIDEN

In 1977 ging een groep zusters in IJmuiden wonen. Inmiddels is die groep weer opgeheven, één van de zusters woont er nog.

ZWAAGDIJK

Na de oorlog, in 1946, gingen er een aantal zusters in Zwaagdijk wonen om dit Westfriese dorp te helpen in het onderwijs. De zusters werkten in het kleuteronderwijs, het lager onderwijs en er was een naaischool. Het bleef altijd een kleine groep die leefde in een 'normaal'  huis.  In 1964 werd de arbeid weer overgedragen aan niet-kloosterlingen.
terug