Zusters van "De Voorzienigheid", Dordrecht
INHOUD Journaal Bestuur & Organisatie Spiritualiteit Geschiedenis Activiteiten Publicaties  Geloofsbrief
                                home                                                                                                                                         
Vierjarig verblijf in Dordrecht, 1943-1947

verteld door zuster Vianney in het Congregatie Contact juni 2005

Er zijn maar heel weinig zusters die weten dat halverwege de oorlogstijd een groepje zusters naar Dordrecht vertrok op aanvraag van Mgr. Huibers. Ook in de archieven staat er tot dusverre niets over vermeld.
De hoogste tijd dus om een gesprek te hebben met de enige nog overlevende, Zr. Vianney Ketelaar.

In Dordrecht was een bejaardenhuis St. Anna. Zowel dat bejaardenhuis als de pastorie waren door de Duitsers gevorderd. Beide groepen hadden onderdak gekregen  in een mooi groot huis dat eigendom was van de familie Eras. De man was directeur van de Lipsfabriek. Het waren gegoede lui. (waarschijnlijk waren zij door de Duitsers gedwongen om hun huis open te stellen maar dat vertelt het verhaal niet!)

De bewoners van het bejaardenhuis waren over het algemeen van 'betere stand'. Een aantal van hen waren bij de eigen familie ondergebracht. Het bejaardenhuis stond onder leiding van een aantal Duitse zusters.
Mgr. Huibers had aan rector Starrenburg om zusters gevraagd. Door het bombardement op Rotterdam en doordat één van de kapelaans gevangen zat in Scheveningen was hij zeer bezorgd over de priesters die uit hun pastorie moesten en uiteraard ook voor de bejaarden aldaar die dreigden geen verzorging meer te krijgen omdat de Duitse zusters zouen vertrekken.
Het was op 1 januari 1943, dat vijf zusters naar haar nieuwe bestemming zouden vertrekken. Het waren de zusters Lucia (overste), Hermana, Cordula, Walburgis en Vianney.

"Vroeg in de ochtend zaten we allemaal in de refter van het internaat. Rector Starrenburg hield nog een mooi woordje en toen vertrokken we. In de trein stelde Moeder Lucia voor om maar even te gaan mediteren. Daar kwam niet zoveel van terecht. Het thema van de meditatie was: "Alles gaat voorbij... niets gaat voorbij". We moesten er vreselijk om lachen!
Toen we op de plaats van bestemming aan kwamen waren de Duitse zusters al vertrokken ( er kon dus helemaal geen overdracht plaats vinden en de zusters werden dus zo in het diepe gegooid.)

We werden binnengelaten via een klein halletje maar daar achter was een grote deftige hal. Daar stond een prachtige kast met kostbare spullen. Je kon zien dat hier rijke mensen woonden. Onze verschillende taken waren al gauw verdeeld. Zr. Cordula en Hermana kwamen vooral in de keuken terecht. Zr. Walburgis en ik kregen de dagelijkse zorg voor de bejaaren, de priesters en de familie Eras.

Er waren ongeveer dertig bejaarden en vier priesters. Er was een benedengang en een bovengang. In de benedengang woonden ongeveer vijftien bejaarden en de pastoor en kapelaans van de parochie. Op de bovengang woonden ook ongeveer vijftien bejaarden en dan ook de familie Eras.

Wij wisselden wekelijks van gang. Het werk hield in dat we alles schoon moesten houden en dat we iedereen van eten en drinken moesten voorzien, dat in de keuken klaargemaakt werd door de zusters Hermana en Cordula.
We waren het liefst in de benedengang. De priesters waren heel aardig en maakten graag een praatje met ons. Als je de beurt van de bovengang had dan moesten we ook de familie Eras bedienen. We moeten daar ook alles schoon houden. Dat was niet altijd gemakkelijk. Mevrouw stelde veel eisen. Ook als je de kamer moest doen. Daar werd je doodmoe van. In het begin voelde je je heel erg de dienstbode van meneer en mevrouw. Maar ja, zij hadden het ook niet gemakkelijk met al die vreemde mensen in huis.
Beneden was het veel meer ontspannen.

Er was heel veel werk te doen en we waren de hele dag bezig tot 's avonds laat. Ik heb wel met gaten in mijn kousen gelopen omdat er geen gelegenheid was om mijn kousen te stoppen. Op zondagavond moesten we dan ook nog het geld van de kerk tellen en tot rolletjes maken. Soms waren we tot twaalf uur 's nachts daarmee bezig. Ik klaag niet hoor. We waren jong en je deed het gewoon.

Een hoge sprong

We wisten niet zoveel. Het was oorlogstijd en je kon eigenlijk niemand vertrouwen. Als ik de 'beneden gang' had dan had ik ook de bel.
Ik mocht niemand zomaar binnen laten en in het begin kende ik de mensen niet. Ook de Duitsers mochten niet zo maar naar binnen. We moesten heel voorzichtig zijn.

We moesten nog leren hoe we moesten handelen in oorlogstijd. Dit nieuwe werk in een vreemde stad was een 'hoge sprong'. We moesten ineens zelfstandig een heel huis runnen. We hadden de zorg voor zo'n vijftig mensen. We moesten financieel uitkomen en leren omgaan met bonnen en punten. We kregen niet zomaar extra levensmiddelen toegestopt zoals in Amsterdam nog wel eens gebeurde. Dat was allemaal veel te gevaarlijk. Voor de heren maakte zuster Cordula porties want zij moesten op verschillende tijden de Heilige Mis lezen en degenen die het eerst aan het ontbijt kwamen hielden niet altijd rekening met de anderen.
Dinsdags gingen we naar het Antonius lof. We liepen dan in een rijtje naar de kerk. Het gebeurde nogal eens dat van de andere kant een groepje Duitsers aan kwamen en ze gingen dan precies lopen waar wij liepen en we werden dan gedwongen om aan de andere kant te gaan.Dat was erg vernederend!

Primitief maar een goede sfeer

Onderling was er een goede sfeer. We werkten samen om alles goed te laten verlopen. We haden veel begrip voor elkaar en er was een goeie band. We kwamen tijdens het eten samen in de zitkeuken. Dat was ons enige onderkomen.

Hadden jullie nog weel zo iets als een gemeenschappelijk gebed?
Daar kan ik me niet veel van herinneren. We hadden altijd veel werk te doen. We hadden op zolder wel een klein kapelletje. Maar soms was je zo gespannen dat we tijdens het bidden in de lach schoten. Het was ook een heel spannende tijd.
Op zolder sliepen we ook. Er waren vijf bedden met een gordijntje. Er was daar geen waterleiding, geen toilet dus of een kraan. We moesten ons erg behelpen. 's Morgens moesten we via een hele steile trap naar beneden. Maar ja, je was jong en je deed het. 's Nachts hoorde je vaak de soldaten langs komen op straat. Dat maakte je wel angstig.

Ik was zevenentwintig jaar en ben daar ongeveer acht maanden geweest. In het geheel zijn de zusters daar vier jaar geweest. Zr. Walburgis en ik waren jonge zusters. We hadden geprobeerd te doen zoals we het leerden en zoals ik zelf een antwoord vond en die verantwoordleijkheid heb ik ook gedragen.