|
Zusters
van "De
Voorzienigheid",
toespraken
|
| INHOUD | Journaal | Bestuur & Organisatie | Spiritualiteit | Geschiedenis | Activiteiten | Publicaties | Geloofsbrief |
INLEIDING ZUSTER ELLEN TERPSTRA, alg. overste, tijdens de congregatiedag 20 maart 2004 Balans tussen loslaten en vasthouden, 4 september 2009 |
"Het recht
om waardig
te gaan" Waarom hebben wij u uitgenodigd voor deze congregatiebijeenkomst? In het voorjaar van 2005 zal er opnieuw een kapittel zijn. Dit kapittel zal een nieuwe bestuurs-periode inluiden. Er zal een nieuw bestuur gekozen worden.Voor de bestuursperiode van 2005 tot 2011 zal het kapittel beleidsaanbevelingen formuleren. Voorjaar 2005? Dat is nog een hele tijd voor het zover is! Maar we willen dit kapittel rustig en vooral zo breed mogelijk voorbereiden. Dat wil zeggen, met de hele gemeenschap, al is ieder vrij er op eigen wijze en naar eigen kunnen aan deel te nemen. In het kapittel zal de toekomst van onze congregatie centraal staan . Hoe de toekomst eruit zal zien kunnen we tamelijk goed aflezen aan het heden. In 2011, als er opnieuw een kapittel zal zijn en er wederom een bestuur gekozen moet worden, zal onze congregatie nog ongeveer 60 leden hebben en onze jongste zuster is dan 65 jaar. Over 20 jaar zijn we nog maar een echt kleine groep en zal ieder van de dan nog levende zusters ouder dan 78 jaar zijn. Eigenlijk kennen we deze vooruitzichten wel.Bovendien hebben ook andere orden en congregaties een soortgelijk toekomstbeeld. Daarom kwamen in januari van dit jaar alle orden en congregaties bijeen in Den Bosch om de toekomst onder ogen te zien en informatie te krijgen over hoe we ons daarop dienen voor te bereiden. Klein en kwetsbaar worden, verouderen, wil niet zeggen dat we kunnen inslapen en alleen maar hulpbehoevend hoeven te zijn. Het wil wél zeggen dat we de vragen omtrent de toekomst eerlijk onder ogen moeten zien en actief naar antwoorden moeten zoek. Het jaar 2011 is nóg verder weg dan voorjaar 2005 en twintig jaren duren nog lang. Anderzijds zuchten we vaak:” Wat gaat de tijd toch snel!”. Het bestuur –en straks het kapittel- mag dus niet aan de vraag voorbij gaan hoe we onze congregatie leefbaar en bestuurbaar houden, ook als onze capaciteiten minder worden. En die worden minder, nu al! In het komende kapittel zal dus deze vraag centraal moeten staan: Welke stappen moeten tussen 2005 en 2011 gezet worden om de toekomst vol vertrouwen tegemoet te kunnen treden? Welke aanpassingen en veranderingen in de vormgeving van de congregatie zijn noodzakelijk? Enerzijds zullen veranderingen ingrijpend zijn; anderzijds mogen zij de veiligheid van de gemeenschap niet aantasten. Met andere woorden de congregatie moet ons “thuis” kunnen blijven. Tot en met de laatste zusters moet een leven in gemeenschap mogelijk zijn, al zal die gemeenschap uiteindelijk erg klein en beperkt in haar mogelijkheden zijn. Juist omdat het komende kapittel zal gaan over zaken die ons erg ‘aan de huid komen’, willen wij ons daar, samen met u, in alle rust op bezinnen. De congregatie, die met zoveel elan en heilig idealisme werd opgericht, moet ook op een waardige wijze worden voleindigd. Daar hebben wij allen recht op. Daar moeten we gezamenlijk ook op toezien. In ons leven kunnen we niet om vragen heen over leven en dood; over geboren worden en sterven. Vragen over onze persoonlijke eindigheid én over de eindigheid van onze congregatie, hier in deze aardse werkelijkheid. Dat onze congregatie in een fase van afbouw is, is onontkoombaar. Het ís onze werkelijkheid. Betekent deze realiteit dat we dat zomaar over ons heen moeten laten komen; dat we niet meer kunnen dan lijdzaam toezien? Ik denk dat ons een actievere rol is toebedeeld. Als we ons lot niet, voor zover mogelijk, in eigen hand nemen, zou het een noodlot zijn. We mogen en willen deze werkelijkheid niet alleen maar zakelijk benaderen. Het is onmogelijk voorbij te gaan aan de emoties die opgeroepen worden; aan de vragen over zin en onzin; aan de gevoelens van dankbaarheid en teleurstelling, van acceptatie en boosheid, van verdriet. Wat zou het goed zijn als we elkaar in de komende maanden die vragen zouden kunnen stellen, die gevoelens met elkaar zouden kunnen delen. Uit de tussentijdse evaluatie, die we precies één jaar geleden afgesloten hebben, kwamen informatie en communicatie als prioriteiten naar voren. Uit uitwisseling van gedachten, gevoelens en ideeën kan “levenskracht”voortkomen. Er kan zich een weg openen om samen op te gaan. Waardig te gaan! Ik hoop in deze inleiding wat richtingwijzers op die weg te kunnen plaatsen door gevoelens en vragen te benoemen. Het thema van deze dag en van de komende maanden is: “Het recht om waardig te gaan”. Ieder van ons heeft ooit de eerste stap gezet en zich aangesloten in de lange rij van zusters van “De Voorzienigheid”. We hebben onze herinneringen aan dat eerste elan, aan verwachtingen die beantwoord werden of juist niet. We koesteren onze goede ervaringen en lijden van tijd tot tijd pijn aan de desillusies. We proberen ons leven goed af te ronden; we hopen op een “schone voleinding”. Niemand van ons heeft bij haar intrede bedacht dat zij ooit die voleinding zou meemaken van de congregatie waaraan zij zich met hart en ziel verbonden heeft. Dat dit nu toch gebeurt roept emoties en vragen op. Onze levenskeuze leek én was voor ons een zinvol antwoord op een religieus verlangen. Wij noemden dat “roeping “. Generaties na ons ervaren de keuze die wij maakten – én de wijze waarop we vorm gaven aan die keuze- niet langer als zinvol. Was er met onze levenskeuze dan iets mis? Was zij dan niet zinvol? Onze congregatie is ooit gesticht is omdat een nood daarom vroeg. Onze Stichteres en alle zusters met en na haar hebben zich vanuit een spiritualiteit van toewijding totaal ingezet voor de lediging van die nood. Zijn er dan nu geen noden meer die vragen om die totale inzet? Zijn wij een minderheid geworden die maatschappelijk onbelangrijk is en die alleen nog maar zorg behoeft maar niets meer te bieden heeft? Het zijn vragen die ons misschien benauwen. Die we misschien verontwaardigd van de hand wijzen. Die we niet kunnen of willen beantwoorden. En inderdaad, als we deze vragen alleen maar met “Ja!” zouden kunnen beantwoorden, zijn we beklagenswaardig, ondertekenen we ons eigen brevet van zinloosheid. We zouden op een onwaardige wijze met onszelf en onze geschiedenis omgaan.Maar dat willen we niet! Natuurlijk, we leven ontegenzeggelijk in een andere maatschappij; er worden andere accenten gelegd, zowel op professioneel als op spiritueel gebied. Tijden zijn veranderd en daardoor veranderen ook vormen. Oók religieuze vormen. Ook levensvormen. We ondervinden dat in het leven van alle dag………….. Er valt méér te zeggen, gelóvig meer te zeggen. Ik wil het Prediker laten zeggen: “…Wat God doet, houdt stand, niemand draagt daaraan bij, geen mens doet daar iets aan af. Zo eerbiedigt men God in zijn werk. Want wat nu bestaat, bestond vroeger en al wat nog zal zijn, heeft reeds bestaan: al wat voorbijtrekt, God roept het als nieuw te voorschijn.” Deze bijbelse wijsheid moge ons tot steun zijn! En…..hoe tegenstrijdig dit ook klinkt een toekomstperspectief in zich dragen. Wij staan nu dus voor een grote opgave: op een waardige wijze gaan – de weg gaan van de afbouw. Dat wil zeggen: we moeten nadenken over hoe we op een goede en veilige wijze kunnen omgaan met onze werkelijkheid. En wie ons daarbij kunnen helpen. Hoe raakt dit ons? Misschien vervult deze gedachte u met verdriet. Of met boosheid. Misschien wilt u zich door mij niet van de wijs laten brengen en blijft u hopen en geloven in perspectieven. In zijn boek ‘Het recht om waardig te sterven’ zegt de schrijver David Kessler: “Ieder heeft het recht om de hoop niet te verliezen, ook al verandert het perspectief van die hoop.” Het kan ook zijn dat u uitgedaagd wordt, energie krijgt, creatief wordt. Dat u zegt: we hebben het recht om tot het laatst behandeld te worden als een levende gemeenschap. In ieder geval moeten we zelf tot het laatst toe handelen als een levende gemeenschap. In de laatste jaren hebben we gebeurtenissen beleefd, die ons met de neus op de feiten hebben gedrukt: het afscheid van ons Moederhuis in Amsterdam, onze bakermat; de fusie met de Stichting Sint Jacob, de secularisatie in Bosbeek die ondanks alle inspanningen toch niet tegen te houden is, de hulp van een coördinatrice voor de zusters die buiten Bosbeek wonen…. We zijn ondanks onze afnemende mogelijkheden toch een levende gemeenschap gebleven! En kunnen dat blijven, ook in dit jaar! Zo verschillend als we zijn, zo verschillend zullen we ook wel reageren op wat ik vandaag hier in ons midden breng. Eén ding is echter zeker: juist in deze fase moeten we elkaar ruimte laten. We kunnen met elkaar praten. Met elkaar bidden. Maar misschien wil je dat nu juist niet, wil je in alle stilte nadenken en je vragen en gedachten voor God neerleggen. Het komt erop aan dat we elkaar respecteren. Juist daardoor ondersteunen we elkaar en dat kan bindend werken. Dat kan de manier zijn om elkaar te begeleiden op de weg die we te gaan hebben. Straks, op het Zusterfeest, zingen we ter afsluiting weer het lied van Moeder Theresia: Uw geest, o sterke vrouwe Leeft tot der eeuwen end. Uw huis, uw congregatie Blijft hier uw monument. Ik ontkom nooit aan de brok in mijn keel bij dat zingen. Dat kan sentiment zijn, maar ook betrokkenheid. Staat dit lied in schrille tegenstelling tot de werkelijkheid? Of putten wij uit “Haar” de geest van sterkte? Ik ben zo vrij niet te geloven in criticasters die ons leven bagatelliseren. Me klein te laten maken. Hoewel ik graag kritisch kijk naar mijn en onze geschiedenis wil ik mij niets laten aanpraten wat afbreuk doet aan mijn leven. Ik ben niet blind voor de negatieve kanten, maar benadruk de kracht die in onze levenswijze aanwezig was. Een levenskracht die in de 150-jarige geschiedenis van onze congregatie zoveel tot stand kon brengen. Hoe behouden wij die levenskracht in de laatste hoofdstukken? Nú hebben we samen de kracht nog om zelf te bepalen hoe we willen staan in deze laatste fase. Welke voorwaarden we willen scheppen om deze fase een goede, vruchtbare tijd te laten zijn. Nu kunnen we dat nog, ook al zullen we dankbaar gebruik maken van hulp en adviezen van deskundige derden. Als we de werkelijkheid nú niet onder ogen zien; nú geen visie en beleid ontwikkelen, moeten we het straks aan anderen overlaten. In de komende maanden en straks in het kapittel willen we daar met eerbied en aandacht aan werken. Want: we hebben het recht om waardig te gaan! |