Zusters van "De Voorzienigheid", geloofsbrief

Glipper Dreef 209, 2104 WG Heemstede; Postbus 614, 2100 AP Heemstede; 023-892 9900  Plattegrond

INHOUD Journaal Bestuur & Organisatie Spiritualiteit Geschiedenis Activiteiten Publicaties  Geloofsbrief
                              home                                                                                                          

Kleinst denkbare bron, onder stenen bedolven,

welt op, vliet, licht waterlint door de steppe,
waterschicht om rotsen heen de woestijn in

baant een stroomdal dwars door het onbewoonbare,
stevent af op ongenaakbare hoogten,
vaart door dode steden bruisend en muitend

drenkt de wortels van versteende platanen,
plengt oases, vloeit op velden, door tuinen,
waaiert regensluiers uit over rozen.
(Huub Oosterhuis)



…baant een stroomdal
dwars door het
onbewoonbare…




 Titel en gedicht : Huub Oosterhuis, ´Gezongen liedboek, verzamelde teksten´. Uitgever: Ten Have/Pelckmans 2000
foto's: Gisela Hoeve



Voorwoord
De beginperiode
De tweede periode:de vorming van de congregatie
De derde periode:  het begin van de katholieke                                     emancipatie
De vierde periode: de jaren van het Rijke                                            Roomsche leven
De vijfde periode:  de tijd van de grote veranderingen
De zesde periode: de periode waarin we ons leven                              herijken

De stroom voorbij het nu

Zorg
Professionaliteit
Structuren, continuïteit en gemeenschap
Ouderdom
Tot Slot









Inleiding

Wij, zusters van “De Voorzienigheid”, geloven in de God van de bijbel die zegt: “Wat je aan de minsten der mijnen hebt gedaan, heb je aan mij gedaan.” Dat geloof, ons geloof in Gods allesomvattende liefde en ons geraakt zijn door het leven van Jezus vormen samen onze spirituele bron. En daarin vindt onze roeping om ons leven te wijden aan God en onze medemens haar oorsprong.

Uit deze bron welt een stroom op, de spiritualiteit die ons draagt en gedragen heeft in ons leven en werken. Die spiritualiteit is de richtlijn voor ons handelen, is verwoord in onze Constituties en is te beschrijven aan de hand van een aantal belangrijke waarden die teruggaan op onze stichteres, Moeder Theresia. Deze waarden worden zichtbaar in de liefdewerken en hebben de smaak en de kleur van de stroom bepaald.

Het landschap waar de stroom doorheen loopt, wordt gevormd door 155 jaar geschiedenis waarin gebeurtenissen binnen en buiten de congregatie van invloed waren en zijn op de stroom en op de waarden. Nieuwe waarden kwamen erbij, andere werden minder belangrijk of verdwenen geruisloos en sommige bleven recht overeind al stonden ze soms haaks op de tijdgeest. Het landschap heeft invloed op de stroom en de stroom heeft het landschap mede vorm gegeven en doet dat tot op de dag van vandaag.

Met onze activiteiten hebben wij de bedding gevormd waar de stroom doorheen loopt. Ook de bedding verandert de stroom. En de stroom is van invloed op de bedding, immers de spiritualiteit van de congregatie heeft altijd de keuzes voor het werk bepaald en de wijze waarop we dat werk deden.

En er zijn stenen, de moeilijkheden die de tijd, die anderen of die wijzelf opwierpen. Ze waren soms een hindernis, soms een uitdaging, en hadden dikwijls grote invloed op de stroom. Soms was de stroom sterk genoeg om de stenen mee te sleuren, te breken of uit te hollen, soms kreeg de stroom haar goede loop dankzij de stenen, en hadden wij de stenen nodig om verder te komen.

De bron, de stroom, het landschap, de bedding en de stenen samen hebben ons gemaakt tot wie wij zijn, hebben vorm gegeven aan wat wij geloven en bepalen wat wij als erfenis willen nalaten.

terug
Meer over de beginperiode:
Moeder Theresia leeft met de kinderen, deelt hun armoede, zorgt voor hen, brengt structuur en gezelligheid. Ze is een diepgelovige vrouw en ze zingt en bidt met de kinderen tijdens het handwerken. Ook onderwijst ze hen. Ze is creatief, verdient geld met wassen en verstelwerk, en trekt andere gelovige vrouwen aan. Voor het welzijn van hen en van haar kinderen stelt zij eisen aan geldschieters en weldoeners. Hoewel pastoor Hesseveld de initiatiefnemer is van het huis aan de Lauriergracht en de spiritualiteit van de congregatie mede heeft bepaald, wordt Moeder Theresia door ons als eigenlijke stichteres gezien.
De bedding in deze eerste periode is het huis waar kinderen worden opgevangen, verzorgd en onderwezen. Het landschap wordt gevormd door een samenleving waarin niet veel belangstelling is voor deze kinderen. De stenen zijn de voortdurende armoede en het feit dat er te weinig vrouwen zijn die meewerken. Maar juist onder deze omstandigheden bewijst de spiritualiteit van trouw, liefde en geloof haar waarde.


De beginperiode



Moeder Theresia staat aan het begin van de stroom. In 1853 komt zij als Maria Stroot aan in Amsterdam in het huis aan de Lauriergracht waar kinderen worden opgevangen die half-wees zijn of naar wie niemand omkijkt. Zij blijft waar geen van haar voorgangsters dat volhield. En als alles moeilijk is, verwijst zij naar de naam van het gesticht, De Voorzienigheid: "God zal voorzien ook in moeilijke tijden."
Zij legt de basis voor de spiritualiteit van de congregatie, voor de waarden die belangrijk zijn: innerlijke bewogenheid, trouw, zorg voor de meest kwetsbaren, solidariteit, liefde, dienstbaarheid, doen wat je te doen staat, ruimte scheppen waar die niet is, in een sfeer van hartelijkheid, eenvoud, regelmaat, flexibiliteit en realiteitszin. Moeder Theresia is, zo wordt later gezegd, een levende regel.



terug

Meer over de tweede periode (de tweede helft van de 19e eeuw):
De groeiende groep zusters verhuist met de kinderen naar een groter onderkomen en de bedding wordt verbreed. Als gevolg van de kerkelijke erkenning doen pastoors en kerkbesturen steeds vaker een beroep op de congregatie om nieuwe taken op zich te nemen. Samen zijn de zusters tot veel in staat en in de liefdewerken krijgt hun geloof handen en voeten. Het aantal kinderhuizen wordt uitgebreid, er worden scholen gesticht en naaischolen opgericht. Op verzoek wordt ook zorg gegeven aan bejaarden uit minder draagkrachtige milieus. Werkzaamheden gericht op nieuwe terreinen in de samenleving beïnvloeden op die manier het landschap.
Ook deze periode kent haar eigen stenen, hindernissen zowel als stapstenen. Naast de blijvende armoede en de toeloop van kinderen, komt het gebedsleven door het vele werk soms in verdrukking. Kerkelijke en burgerlijke hoogwaardigheidsbekleders zijn lang niet altijd voldoende bereid om de financiële en personele voorwaarden te scheppen, en de congregatieleden bij al hun werk voldoende tijd en gelegenheid te geven voor gebed en bezinning.


 

De tweede periode: de vorming van de congregatie

<
Het stroompje krijgt meer kracht. Er ontstaat in deze periode een echte congregatie met een naam ‘De Arme Zusters van het Goddelijk Kind’, met een kerkelijke erkenning, met een Regel en Constituties. Nieuwe waarden worden belangrijk, vooral waarden die betrekking hebben op het leven van een gemeenschap: een gestructureerd en deels gezamenlijk gebedsleven, opofferingsgezindheid, eenvoud, geduld, aandacht voor het zus­terlijke samenle­ven, zelfversterving en streng­heid voor jezelf. De geloften waarin deze waarden worden uitgedrukt, evenals de Regel bieden een kader. Dat legt de zusters beperkingen op, maar waarborgt ook het behoud van de inspi­ratie en bindt de gemeenschap.



terug
Meer over de derde periode (rond de eeuwwisseling)
Er worden in deze periode huizen voor ouderenzorg opgericht en het aantal scholen en huizen voor kinderen wordt uitgebreid. In de toewijding aan de liefdewerken speelt een waarde als zelfheiliging zeker een rol. Overigens meer in de betekenis van een verlangen naar heelwording en opgenomen worden in Gods liefde, dan in de betekenis van het eigen heil vooropstellen waarbij degenen voor wie wordt gezorgd uit beeld raken of gebruikt worden voor dat doel.
De band met de kerk is in deze periode stevig. Onze zusters zijn ook middel in de kerkelijke hiërarchie en zieltjes winnen past dan wel niet in de spiritualiteit van Moeder Theresia, maar wordt wel van de congregatie verwacht. Ook komt het verzoek om hosties voor de kerken te bakken. Dit werk wordt als eervol en heilig beschouwd, en past bij een congregatie die de Eucharistie als een belangrijke spirituele bron ervaart. Zo maakt ook dit werk deel uit van de liefdewerken, het versterkt het gemeenschapsgevoel en biedt een kader voor bezinning.


De derde periode: het begin van de katholieke emancipatie



De kleine stroom van weleer wordt een echte stroom en loopt door een landschap waarin de katholieke emancipatie in volle gang is. De congregatie groeit en verwerft steeds meer maatschappelijk aanzien. De bedding wordt steviger en breder. De liefdewerken worden uitgebreid.



terug
Meer over de vierde periode (eerste helft van de 20ste eeuw):
Stroom
De dualistische theologie die in deze periode steeds bepalender wordt, heeft invloed op de richting van de stroom. Het is een theologie waarin het transcendente geestelijke wordt gezet tegenover het zondige lichamelijke. Die theologie bepaalt sterk de religieuze waarden van die tijd en daarmee ook de spiritualiteit van de congregatie. Christelijke volmaaktheid, zelfheiliging, zedigheid en moederschapsideologie vieren hoogtij. Onze zusters worden geacht om als een moeder te zorgen voor de kinderen en tegelijk afstand te bewaren, een opvatting van moederschap die past in de tijd en in de theologie. Maar deze afstandelijkheid mondt soms uit in een weinig moederlijke en menselijke benadering. Hieronder lijden niet alleen de kinderen maar ook veel zusters omdat ze inzien dat deze afstandelijke zorg voor niemand ideaal is.
Landschap:
De kerkelijke wetgeving van 1917 regelt het dagelijkse leven tot in de finesses en heeft een diepgaande invloed op de waarden van de congregatie. De cultuur van strikte gehoorzaamheid, uniformiteit, eenvoud en zwijgzaamheid waarin iedereen maar te doen heeft wat haar wordt opgedragen, biedt mogelijkheden voor het opzetten en uitvoeren van veel grote projecten. Maar die cultuur heeft ook een keerzijde. Het je afwenden van de wereld, de zwijgzaamheid, ook over de gemeenschappelijke inspiratiebron en het werk, komen de gemeenschap noch het werk, noch de individuele zusters ten goede.
In het belang van het werk en omdat de congregatie vanuit haar spiritualiteit gewend is in te gaan op hulpvragen, worden onze zusters soms van de ene dag op de andere overgeplaatst. Daardoor kunnen de projecten groeien, maar het belemmert de individuele continuïteit in het werk. Dat is zeker voor de kinderen niet altijd plezierig. Ook is er nauwelijks oog voor wat een zuster wel of niet aankan en voor wat
het werk eigenlijk inhoudt.
De strikte taakverdeling binnen de gemeenschap komt wel het werk ten goede. En omdat elke functie waardevol is en elk radertje onmisbaar, draagt die taakverdeling ook bij aan het gemeenschapsgevoel.
Bedding:
De bedding van de stroom is in deze periode breed en stevig. Het aantal scholen wordt uitgebreid en de huizen worden groter. Er worden bovendien scholen gesticht voor onderwijs aan moeilijk lerende kinderen, de zorg voor gezinnen komt van de grond en de congregatie zet scholen op in Indonesië en later in Brazilië.
Religieuze congregaties hebben in deze periode dankzij hun werk in de zorg en het onderwijs, en misschien ook dankzij het strikt gereglementeerde leven, veel maatschappelijk aanzien en de toeloop van nieuwe leden is groot. Bij het eeuwfeest in 1952 zijn er 760 leden in 33 huizen.
Stenen:
De kerkelijke wetgeving, met de strenge regels en strikte gehoorzaamheid die erin wordt voorgeschreven, zijn vooral voor de persoonlijke groei en het welzijn van de congregatieleden een obstakel. Velen ontdekken hoe ze creatief en eigenzinnig met de ge- en verboden kunnen omgaan, maar dat geldt  niet voor iedereen. De regels, het niet gezien worden, de zwijgzaamheid ook over persoonlijke problemen en het gebrek aan aandacht voor wat hen bindt, doen sommige congregatieleden tot op de dag van vandaag pijn. Tegelijk zijn het ook stapstenen die uitbreiding en kwaliteitsontwikkeling van de liefdewerken mogelijk maken. Zoals het vergroten van scholen en opvanghuizen het mogelijk maakt steeds meer kinderen op te vangen en te onderwijzen, maar tevens de basis legt voor de te grote scholen en instituten van nu.
Als de verantwoordelijkheid voor het onderwijs en de zorg steeds meer wordt overgenomen door de overheid en vakdiploma’s een vereiste worden, geldt dat ook voor onze zusters. Terwijl zij de zorg voor kinderen en ouderen dikwijls als hun levenswerk zien, mogen zij hiermee slechts doorgaan als ook zij de vereiste diploma’s halen. Velen,   ook oudere zusters, doen dat, anderen zijn daartoe niet in staat en zijn gedwongen ander werk te zoeken. Het is een ontwikkeling in het landschap die van grote invloed is op de liefdewerken van de congregatie en op individuele zusters. 

De vierde periode: de jaren van het Rijke Roomsche leven

De stroom is in deze periode krachtig, de bedding sterk,  het landschap geeft de stroom veel ruimte. De periode tot 1950 is in feite de bloeitijd van de congregatie. Het aantal kloosters neemt toe, de conventen worden groter, de liefdewerken worden uitgebreid met zorg aan ongehuwde moeders en met scholen voor moeilijk lerende kinderen.  Maar er worden ook forse stenen in de stroom gelegd. De gangbare theologie en de kerkelijke wetgeving die in 1917 wordt afgekondigd zijn zulke stenen die grote invloed hebben op de stroom. De theologie schrijft afstandelijkheid voor, de wetgeving eist van religieuzen een strakke dagorde, en de pioniersgeest institutionaliseert. Binnen de congregatie worden gehoorzaamheid, eenvoud, saamhorigheid en uniformiteit belangrijke waarden, evenals gastvrijheid en je onthouden van een oordeel. De reeds lang aan den lijve gevoelde armoede wordt nu tevens een opgelegde deugd, zelfversterving wordt opdracht en de ruimte voor kritische en creatieve geesten kleiner. Omdat de opgelegde regels in feite voortkomen uit de monastieke traditie en slecht passen bij een actieve congregatie, is er soms sprake van waarden die botsen. Dat komt het werk, noch de gemeenschap, noch de individuele zusters ten goede.
Aan het einde van deze periode wordt de verantwoordelijkheid voor scholen en verzorgingshuizen steeds meer overgenomen door de overheid. Dat heeft ondermeer als gevolg dat ook van de zusters die er werken diploma’s worden geëist.
















...bron, onder stenen bedolven...










Meer over de vijfde periode (de jaren ’60 en ’70 van de 20ste eeuw):
Stroom:
Eind jaren zestig leggen de meesten van ons het uniforme habijt af en velen gaan hun eigen naam weer gebruiken. Dat betekent dat wij plotseling naar buiten toe niet meer herkenbaar zijn als religieuzen en dat alleen nog in onze houding en werk kunnen laten zien. We krijgen een eigen budget, en gaan onszelf en elkaar in een ander licht zien. Sommigen bloeien op, anderen worden onzeker. Er wordt geëxperimenteerd met liturgievormen en gebeden. Maar het is niet makkelijk om je eigen  spirituele weg te ontwikkelen als er altijd sprake was van een collectieve en gezamenlijk onderwezen spiritualiteit. Het valt ook niet mee om onafhankelijk te zijn als je nooit geleerd hebt keuzes te maken, of om jezelf te worden als je altijd moest opgaan in een uniforme gemeenschap. En hoe kun je een goed gemeenschapsmens zijn als je nooit hebt leren nadenken over de voorwaarden om dat te zijn? Hoe ga je relaties aan als de nadruk altijd lag op zelfverloochening en afstand bewaren? De nieuwe vrijheid brengt ook verwarring en eenzaamheid mee.
Landschap:
De verzuilde samenleving verandert in de jaren ‘60 in een seculiere samenleving. De positie van de congregatie ten opzichte van het kerkelijk instituut wordt zelfstandiger. Dat, samen met het verdwijnen van de liefdewerken, betekent dat religieuzen niet alleen hun maatschappelijke positie maar ook hun aanzien kwijtraken. Het noviciaat van de congregatie houdt op te bestaan.

Dankzij nieuwe individuele activiteiten en nieuwe maatschappelijke contacten worden we steeds meer gevoed door niet-congregatieleden en gaan wij meer en meer eigen wegen. Daardoor worden de onderlinge verschillen duidelijker en er tekent zich een nieuwe pluriformiteit af.
De vernieuwingen brengen ook spanningen mee tussen vrijheid en vrijblijvendheid, tussen ruimte nemen en ruimte geven, tussen je eigen weg gaan en je met elkaar verbonden voelen, tussen discretie en openheid. Met alle aandacht die in deze periode in het beleid en het denken terecht uitgaat naar de individuele zusters - als een inhaalslag bijna - komt opnieuw de aandacht voor de gemeenschap in de verdrukking. We hebben soms het gevoel uit elkaar te groeien – ‘we vielen uit elkaars genade’. Daarentegen ontdekken sommigen ook de vreugde van echte vriendschappen,  wat door hen als ‘een ontzettend groot goed’ wordt ervaren.
Bedding:
Dat de liefdewerken in deze periode grotendeels worden losgelaten en worden overgedragen aan leken, betekent identiteitsverlies. Maar omdat tot dan toe de vorm en de inhoud van zorg en onderwijs wezenlijk bepaald werden door onze spiritualiteit, verandert er met ons terugtrekken ook daarin iets. Religieuze waarden als liefde, solidariteit en trouw hebben steeds minder een  vanzelfsprekende plaats in zorg en onderwijs.
Wel worden ook in deze periode nieuwe, vaak kleinschalige activiteiten begonnen en de waaier van werkzaamheden wordt breder. Sommigen zoeken een eigen arbeidsplek of sluiten zich aan bij bestaande activiteiten in binnen- en buitenland. Partij kiezen voor de armen wordt vooral met de handen beleden. En al doen we dat niet langer in de zorg en het onderwijs, het is wel in de lijn van Moeder Theresia.
Stenen:
Het landschap is grillig, de seculiere maatschappij heeft weinig kennis over de geschiedenis  van religieuzen en hun bijdragen aan het welzijn van mensen en weinig waardering daarvoor. Er zijn talrijke stenen in de stroom, de bedding is niet altijd duidelijk en de grote stroom van weleer deelt zich in deze periode in vele kleine stroompjes.


De vijfde periode: de tijd van de grote veranderingen



In deze periode is vanwege de heftige kerkelijke en maatschappelijke ontwikkelingen het landschap grillig en de stroom woelig. Veel religieuze waarden die belangrijk waren in de vorige periode, zoals uniformiteit, gehoorzaamheid, deemoed, moederschap, zelfver-sterving, opoffering en ook vroomheid zijn -  passend in de tijdgeest  - gaan  knellen. Als congregatie omarmen wij de vernieuwingen die vanuit Vaticanum II worden gestimuleerd en dat heeft grote invloed. Sommigen van ons varen er wel bij, voor anderen gaat het allemaal te snel. Het gebedsleven verandert, de dualistische theologie wordt onder kritiek gesteld, de geloften worden anders en individueler ingevuld. Meedenken en discussiëren worden normaal en in 1968 worden wij voor het eerst allemaal betrokken bij het kapittel. Vrijheid, eigen verantwoordelijkheid, aandacht voor de persoonlijke ontwikkeling -  ieder mens is uniek! - en pluriformiteit worden belangrijk.
Ook op de gemeenschap als geheel is de invloed van de vernieuwingen groot. Wij veranderen onze naam en heten voortaan Congregatie der Zusters van “De Voorzienigheid”, naar het gesticht waar Moeder Theresia haar werk begon. De ruimte en de vrijheid die gegeven en genomen worden, worden groter. Er vormen zich kleinere woongroepen en sommige zustersgaan op zichzelf wonen. Er worden nieuwe, vaak kleinschalige activiteiten ondernomen. Het werk, vooral in het onderwijs en de bejaardenzorg,wordt in deze periode afgebouwd en bijna helemaal overge­nomen door niet-kloosterlingen. Deels omdat we bewust ruimte willen maken, deels omdat er geen zusters meer beschikbaar zijn. Maar ook omdat de toegewijde inzet van religieuzen niet meer wordt begrepen en niet past bij de eisen van de tijd. De liefdewerken - het religieuze ideaal van weleer - worden losgelaten, het kader van de regel valt weg, en de aandacht verschuift vooral naar de vraag hoe ieder haar eigenheid vindt.



terug







Meer over de zesde periode (van het einde van de 20e eeuw tot heden)
Stroom:
Het wegvallen van de liefdewerken vraagt met name om bezinning op de waarde van gemeenschap-zijn en zusterschap. Zusterschap als religieus ideaal verwijst naar een gemeenschappelijk doel en een gemeenschappelijk verlangen. Maar hoe houd je dat religieuze ideaal vast als het ‘waartoe’ niet langer duidelijk is? Wat deel je samen, wat wil je delen, met wie wil je delen en van wie wil je zuster zijn?
Velen van ons weten dat ze niet op de eerste plaats zijn ingetreden vanwege de gemeenschap maar vanwege de liefde voor God en voor kwetsbare mensen en kinderen. En om te horen bij een groep religieuze vrouwen die dat in hun dagelijkse leven gestalte geeft. Gemeenschap is nooit het eerste doel van de congregatie geweest, maar een platform van waaruit gewerkt werd. De gemeenschap stond in dienst van de liefdewerken - die overigens op hun beurt weer gemeenschapsvormend waren.
Toch blijkt in deze verwarrende periode dat het met name dankzij de mede-zusters is dat velen van ons de kracht vinden om aan onze roeping trouw te blijven. De congregatie blijft het veilige dak, het tegenover waaraan wij kunnen groeien, het midden van waaruit wij gestalte kunnen geven aan onze idealen. Het behoren bij de congregatie is onze levenskeuze, onze roeping is onze opdracht en de Constituties blijven onze richtlijn. De verhalen en de vriendschap van medezusters zijn ook vaak een onmisbare religieuze voedingsbodem. Juist daarom is trouw aan elkaar ook zo’n bindend element.
Stilte, gebed en gezamenlijke bezinning horen wezenlijk bij de identiteit van de congregatie. Maar we zijn niet allemaal meer in staat de gemeenschappelijke gebedsdiensten mee te maken. Vanwege ziekte of ouderdom, of omdat we een heel eigen spirituele ontwikkeling doormaakten. Iedereen praktiseert haar gebedsleven op een eigen manier. Sommigen gaan nooit naar de kapel maar bidden op hun kamer mee, anderen hebben hun heel eigen gebedspraktijk, en weer anderen gaan iedere dag naar de parochiekerk om een Eucharistie mee te vieren.
De waarden die onze spiritualiteit van oudsher vormgaven, zijn niet langer vanzelfsprekend en nieuwe vragen worden gesteld over wat gemeenschap-zijn en religieus leven nu betekenen. Daarover wordt in de congregatie veel nagedacht en gepraat, en Bosbeek bijvoorbeeld is tevens oefenplaats van gepraktiseerde spiritualiteit. Want de zorg die we vroeger aan de meest kwetsbaren gaven, geven we daar nu aan elkaar of krijgen we van elkaar. Vooral de kleine extra zorg die het leven kleur geeft en mensen aan elkaar bindt. Vaak zijn wij elkaars mantelzorgers, ook als een medezuster stervende is. Bosbeek is een plek waar mensen naar elkaar omzien en de ander veiligheid bieden, iets dat ook wordt opgemerkt door de andere bewoners.
We proberen wel zoveel mogelijk vast te houden aan gemeenschappelijke bezinningsmomenten. Omdat je daarin elkaar op een wezenlijk niveau ontmoet, samen kunt blijven zoeken naar de gemeenschappelijke religieuze idealen en zo kunt blijven groeien. De ouderdom kan wel degelijk een periode zijn van nieuwe mogelijkheden voor contact en voor persoonlijke en religieuze ontwikkeling. Bij het sterven van medezusters merken we steeds weer hoe hecht de gemeenschap is en hoe samenbindend momenten van afscheid zijn.
Landschap:
Degenen van ons die zelfstandig wonen of in een kleine communiteit - ongeveer eenderde - voelen zich deel van de gemeenschap al vraagt dat vanwege de woonsituatie een wat actievere inzet. We worden gedragen door het vertrouwen dat onze medezusters staan voor eenzelfde ideaal van bevrijding en hoop - hoe vaag ook - en dat wij met elkaar een traditie en een geschiedenis delen. We proberen, waar en hoe we ook wonen, dat gezamenlijke religieuze ideaal vorm te geven in de manier waarop we leven en omgaan met anderen. 
Tweederde van ons woont in Bosbeek. Sinds Bosbeek in 1997 is overgedragen aan de Stichting Sint Jacob en er ook niet-congregatieleden wonen, kun je daar niet meer spreken van een gemeenschap in de zin van vroeger, van zusters onder elkaar die de zorg hebben voor elkaar en die samen hun religieuze leven vorm geven. Er zijn geen gemeenschappelijke maaltijden meer eigen appartementjes. Hoe heerlijk velen dat ook vinden - ‘dit is een heilige plek voor mezelf’ - en de gezamenlijke zitkamer is vervangen door het verandert de gemeenschapsvorm.
Bedding:
Individueel wordt de bedding nog steeds hier en daar verstevigd. Met pioniersfuncties op nieuwe plekken als Amsterdam Zuid-Oost, Almere en Centraal Amerika, en vrijwilligerswerk in de zorg, in het vredeswerk en voor mensen in de marge. Wie niet meer daadwerkelijk de handen uit de mouwen kan steken, is erbij betrokken in gebed en met belangstelling. En via het Maria Stroot Fonds, dat besluit over financiële steun aan projecten die in de lijn liggen van onze spiritualiteit. Het gaat steeds om zorg voor vrouwen en kinderen, vluchtelingen, slachtoffers van rampen, kerkelijke en armoedeprojecten, en projecten die voortvloeien uit de vroegere missiewerken van de congregatie. En het fonds zou zijn naam niet waard zijn als het niet vooral zou uitkeren aan kleine projecten die in de wereld van de geldschieters weinig kansen maken.

De zesde periode: de jaren waarin wij ons leven herijken



Het einde van de liefdewerken, het kleiner worden van de con­gregatie, het ouder worden, de gevoelde afhankelijkheid hebben invloed op onze waarden en vooral op die waarden die betrekking hebben op het gemeenschap-zijn. Mildheid, zusterschap, hartelijkheid en vrolijkheid worden belangrijker maar tegelijk ook moeilijker. Sommige waarden verdiepen zich, zoals het persoonlijke gebedsleven, het geloof, de zorg voor elkaar, het trouw blijven aan je roeping. Ook het besef hoe belangrijk het is en was om met elkaar ergens voor te staan. Het nadenken over spiritualiteit, over religieus leven, over motivatie en verlangen, maar ook over hoe samen goed oud te worden en deze laatste fase van de congregatie te beleven, dat alles gebeurt in deze periode volop en is een groeiende kracht in de gemeenschap.
Ook zijn wij ons nog beter gaan realiseren dat een gemeenschap wint aan kracht als er ruimte is voor ver­schil­len, als ieder in haar eigenheid erkend wordt en ge­respecteerd en als er ondanks de gebondenheid vrijheid is. En als er, zoals altijd gebeurde, ook samen gevierd en gefeest wordt. Het zijn de kenmerken van de Congregatie der Zusters van “De Voorzienig­heid” die teruggaan op Moeder Theresia en die maken dat wij ons er thuis blijven voelen en anderen zich doorgaans bij ons thuis voelen: de eenvoud, de ruimte, de vrijheid, de hartelijkheid van een doe-maar-gewoon-huis-tuin-en- keuken-congregatie die alles aanpakt, maar overigens niet altijd ontsnapt aan het gevaar te verburgerlijken.
Hoewel wij graag spreken over ‘de periode van voltooiing’, en de liefdewerken zijn afgebouwd, werken we ook nog steeds aan de bedding van vele stroompjes. Er worden belangrijke en ingrijpende stappen gezet in deze periode. Naast de meeste andere huizen, wordt ook het moederhuis in Amsterdam gesloten. Bosbeek wordt overgedragen aan de Stichting Sint Jacob. Er wordt  een nieuwe bestuursstructuur aangenomen: naast het congregatiebestuur een kerkelijk rechtspersoon ter wille van de materieel-financiële zorg voor de zusters en het beheren van het (erf)goed van de congregatie. In het bestuur van deze rechtspersoon hebben ook leken zitting. De Commissie Bijdragen krijgt -  nu als  het Maria Stroot Fonds - een grotere mate van zelfstandigheid en het Gastenhuis wordt opengesteld als  ontmoetingsplek. Er wordt hard gewerkt aan een nieuwe cultuur van openheid. De benoeming van niet-congregatieleden als coördinatoren en op allerlei ondersteunende en beleidsniveaus getuigt van dit streven, evenals de intentie om alles in de congregatie bespreekbaar te maken. Waar wordt samengewerkt met niet-kloosterlingen ontstaat bovendien vanuit het zoeken naar een gedeelde inspiratie het geassocieerd lidmaatschap. Dit geeft niet-kloosterlingen de mogelijkheid om in het religieuze leven te delen en biedt onszelf de kans om geïnspireerd te worden door andere gelovige vrouwen.

Niet altijd in zoveel woorden maar wel in essentie is de spiritualiteit van Moeder Theresia nog heel levend in de congregatie. Waar het ons nog altijd om gaat is dat we ons geraakt door het leven van Jezus en het geloof in God willen inzetten voor wie klein en zwak is en naar wie niemand omkijkt. Al het werken aan de bedding getuigt van die traditie van de congregatie. We doen dat met de mogelijkheden die we hebben en in de omstandigheden waarin we verkeren en zonder pretenties, wetend dat we zelf ook niet volmaakt zijn. En we weten ons daarbij gesteund door Gods allesomvattende liefde. Vanuit die intentie werken en leven wij. De naam Voorzienigheid verstaan wij als persoonlijke opdracht: er zijn voor de ander en dat in het groot of in het klein handen en voeten geven; doorgeven aan de ander wat God mij geeft en gegeven heeft. 

terug




... waait regensluiers uit over rozen...

 














Meer over het werk:
De vele kinderen die door ons zijn gevormd in de huizen en de scholen zijn onze levende erfenis, evenals onze lekencollega's die op dezelfde manier werken als wij, ook als het moeilijk is. En er zijn vele anderen die straatkinderen, drugsverslaafden, straatprostituees, uitgeprocedeerde gezinnen, illegalen en vluchtelingen opvangen. Wij zullen deze mensen, hun organisaties en projecten zo lang mogelijk steunen met onze feitelijke en financiële hulp, met onze aandacht, met onze gebeden.





Meer over zorg:
Onze zorg zette mensen in de aandacht voor wie geen aandacht was, maakte ongelijkheid zichtbaar en schiep nieuwe liefdevolle verhoudingen. Onze congregatie heeft op die manier mede aan de basis gestaan van de verzorgingsstaat zoals die in Nederland is gegroeid. Omdat wij vonden dat het werk zo goed mogelijk moest gebeuren en het zoveel mogelijk mensen ten goede moest komen, hebben wij ook bijgedragen aan de professionalisering, de institutionalisering en de schaalvergroting in de zorg en het onderwijs. Nu dreigt in deze beide sectoren de menselijke maat uit het oog verloren te raken. Dat is iets wat wij absoluut niet bedoeld hebben, wat wij als pijnlijk ervaren en wat haaks staat op onze spirituele inzet van weleer.
Het gaat ons er niet alleen om dat er zorg gegeven wordt,  maar ook op welke manier dat gebeurt en of het bijdraagt aan een meer menslievende samenleving. Daarom zouden wij willen overdragen hoe onze spiritualiteit, ons Godsbesef en ons mensbeeld leidraad zijn geweest bij het waarom, het hoe en waartoe van onze zorg. Overigens wel in het besef dat we zelf hierin evengoed steken hebben laten vallen en dat er altijd een spanning is tussen waarden die je voorstaat en die je waarmaakt.
Wij geloven dat ieder mens beeld is van God. Elk mens draagt iets van het goddelijke in zich en ieder mens heeft gelijke waardigheid en gelijke rechten op deze wereld. Waar die waardigheid en die rechten geschonden worden, zijn wij verantwoordelijk om daar wat aan te doen. Zorg, vinden wij, moet bijdragen aan de waardigheid van degene die de zorg ontvangt maar zeker ook van degene die zorg geeft en beiden zijn daarvoor verantwoordelijk.
Goede zorg betekent de handen uit de mouwen steken waar dat nodig en zinvol is, met liefde, geduld en respect voor de wensen en eigenaardigheden van de ander. Maar goede zorg gaat  verder dan actief handelen en het bieden van oplossingen. Het is ook nabijheid en aandacht, het is een relatie aangaan en de tijd nemen - ook als er niets meer te doen is - met menselijkheid als toetssteen. Ieder mens is uniek en hoe groot de zorginstituten ook zijn geworden, ieder mens moet als zodanig gezien worden.
Onze visie op zorg hangt samen met onze visie op de samenleving. Want de vraag ‘waartoe zorgen wij?’ leidt onvermijdelijk tot kritiek op een cultuur waarin zelfontplooiing, autonomie en eigen verantwoordelijkheid de enig zaligmakende waarden lijken te zijn. Wij geloven daarentegen in een samenleving die de waarden hoog houdt die in onze spiritualiteit belangrijk zijn en ons liefdewerk hebben gedragen: bewogenheid, trouw, dienstbaarheid, solidariteit, liefde, acceptatie van het onvolmaakte en het ongewisse, wederzijdse afhankelijkheid. We willen er voor pleiten om die waarden in dezelfde woorden en in dezelfde betekenis weer een plaats te geven in het dagelijkse leven en het publieke debat.
Lange tijd heeft onze congregatie met name zorg gegeven. Nu en in de toekomst zal dat nog slechts in kleine kring gebeuren en dat hopen we zo goed mogelijk te doen. Meer en meer zullen we ontvangers worden van zorg en we willen ons steeds opnieuw bezinnen op de verantwoordelijkheid die die positie van ons vraagt. Daarnaast willen we aandacht blijven vragen voor tekorten in de zorg waar wij die constateren en voor mensen en organisaties die ons inziens wel goede zorg geven of organiseren. Hen willen we ook daadwerkelijk steunen.

 

De stroom voorbij het nu


Zo zijn wij geworden wie we tot hiertoe zijn, zo hebben wij geleerd uit onze geschiedenis en zo is onze spiritualiteit gegroeid. En hoe nu verder? Wat willen wij als erfenis nalaten? Wat willen wij dat blijft en wat geloven wij dat blijft? <




Wij geloven in ieder geval dat het werk voor de meest kwetsbare mensen in onze samenleving en onze wereld door moet gaan. En wij vertrouwen erop dat dat doorgaat ook als de congregatie ophoudt te bestaan. Dat vertrouwen is gebaseerd op een groot godsvertrouwen, maar ook op de werkelijkheid. Er zijn tal van projecten en tal van mensen die met dezelfde inzet werken. Soms tegen de klippen op. Stroompjes en stromen, vaak door dezelfde bron gevoed en gehinderd door dezelfde stenen.






Wij geloven dat zorg voor anderen in de breedste zin van het woord het leven vorm en zin geeft, en zorgrelaties kwaliteit aan het bestaan geven. Wij zijn er diep van overtuigd dat mensen mens worden door en aan elkaar – ‘om mens voor een mens te zijn, wordt alleman geboren’- en dat naaste-zijn een opdracht is.
Wij geloven ook dat het van belang is om de vraag te blijven stellen waartóe wij zorgen. Onze congregatie heeft in het verleden concrete zorg gegeven aan kwetsbare en gekwetste mensen en daarmee tevens zichtbaar gemaakt dat er mensen zijn die om wat voor reden dan ook niet voor zich zelf kunnen zorgen en voor wie anderen dat moeten doen. Anderen zoals wij,omdat wij vinden dat dat onze opdracht is en omdat er voor óns gezorgd wordt.
God sloot een verbond met zijn volk. Als afgeleide daarvan verbonden wij ons lot aan dat van mensen wier waardigheid geschonden werd en zorgden wij voor hen. Lange tijd hebben wij dat kunnen doen omdat weldoeners, die in ons en ons werk geloofden, dat mogelijk maakten. Nu wij zelf het werk niet meer kunnen doen, is het onze beurt om anderen in hun werk te steunen



terug









 ...waterlint...
Meer over professionaliteit:
Ooit deden wij onze professie. Het Latijnse woord ‘professio’ betekent naast ‘beroep’, op de eerste plaats ‘openlijke verklaring’. Bij onze grote professie getuigden wij van ons geloof, beleden wij onze roeping en verklaarden wij waarvoor wij staan en waarom. Daaruit kwam en komt onze toewijding voort, de kern van onze professionaliteit. Daarop kunnen wij worden aangesproken, ook door elkaar, en daarover waren en zijn wij bereid ons te verantwoorden. Onze toewijding is een levenslange die wij opbrengen dankzij de gemeenschap waarin wij leven. Een dergelijke toewijding kan geen norm zijn, de voorwaarden daarvoor passen bovendien niet meer in de huidige tijd.
Toewijding betekent overigens niet grenzeloos geven. Het betekent wel je inzetten met hart en ziel, gevoelig zijn voor de vragen van de ander, ruimte daaraan geven, trouw zijn aan je inzet en je daarop laten aanspreken. Wat wij in een jarenlange praktijk met vallen en opstaan hebben geleerd is dat inzet met hart en ziel tevens betekent zorg hebben voor je eigen hart en ziel en staan voor je eigen waardigheid. Ook dat maakt wat ons betreft deel uit van professioneel handelen.

terug

Wij geloven dat om goede zorg te kunnen geven meer nodig is dan alleen het ontwikkelen van vaardigheden en het vergaren van kennis. Professionaliteit vraagt wat ons betreft ook om toewijding, sterker nog, impliceert die zelfs. Wij hebben geleerd dat de liefdewerken konden slagen dankzij die toewijding, die minstens onze intentie was bij de zorg voor het lichamelijke én geestelijke welzijn van anderen, onafhankelijk of die binnens- of buitenshuis, betaald of onbetaald werd gegeven.
In die toewijding bouwden wij, individueel en gezamenlijk, kennis op over onderwijs en zorg, en ontwikkelde zich onze professionaliteit die op de eerste plaats de waardigheid van de ander voorop stelt, zowel naar lichaam als naar ziel. Vanuit onze geloofsovertuiging vinden wij immers dat ieder ander dat waard is.



terug
      

Meer over structuren

, continuïteit en gemeenschap:
De gemeenschap van de toekomst zal een andere zijn dan de onze. Niet per se een waarin iedereen onder een dak woont, niet per se een religieuze gemeenschap of een waarin levenslange inzet en geloften worden verwacht. Wel willen wij vanuit onze ervaring en in het belang van goede zorg pleiten voor een gemeenschap van mensen die een verlangen met elkaar delen of een inspiratiebron, die ze onderbouwen en uitwisselen, een gemeenschap waarin men elkaar het leven mogelijk maakt. Met vallen en opstaan hebben wij geleerd hoe belangrijk het is dat ook ieder individu daarin tot zijn of haar recht komt, gezien en gewaardeerd wordt en zijn verhaal kwijt kan. En dat daarvoor tijd en aandacht nodig zijn. Want een ketting is zo sterk als haar zwakste schakel en zonder goede zorg voor elkaar valt elke gemeenschap uiteen. Fouten en teleurstellingen moet je delen, stilstaan bij je ervaringen, er met elkaar over praten en bereid zijn er samen van te leren. Want ook elkaar tot steun zijn maakt je tot gemeenschap.
Maar wederzijdse inspiratie vraagt oefening en bezinning, gezamenlijk en individueel, op wat je doet, hoe je het wilt doen en waarom. Om goede zorg te kunnen geven moet er een goed evenwicht zijn tussen actie en contemplatie, ook dat hebben wij in die jaren geleerd. En natuurlijk zijn er regels nodig om de inspiratie en de oorspronkelijke inzet te behoeden. In het  belang van het werk en van iedereen die daarbij betrokken is. Maar die regels mogen nooit ten koste gaan van degenen die de zorg geven noch van degenen die de zorg ontvangen.




Wij geloven dat zonder structuren goede zorg weinig kans krijgt. Ook dat heeft de ervaring ons geleerd. En continuïteit – “Ik ben juffrouw Mietje en ik blijf bij de kinderen.” – maakt deel uit van goede zorg. Om die continuïteit te waarborgen, om geïnspireerd te blijven in wat je doet en het vol te houden, heb je anderen nodig. Mensen die voor elkaar instaan, die bereid zijn zich te voegen in het geheel ook als dat hunzelf niet goed uitkomt en die van elkaar op aan kunnen. Mensen die het werk en elkaar niet zomaar in de steek laten, en die samen een soort gemeenschap vormen die het individu uittilt boven de eigen beperkingen.
Volgens onze Constituties is gemeenschap een beeld van de waarachtige kerk en gevormd naar het ideaal van de eerste christenen, met waarden als gelijkwaardigheid, openheid, verantwoordelijkheid en liefde. Zo probeerden wij gemeenschap te zijn om zorg te kunnen geven aan mensen die daarvan afhankelijk waren en nog dagelijks leren wij hoe gemeenschap kan bijdragen aan goede zorg. 

terug

Meer over ouderdom:
Dat betekent niet dat oud worden gemakkelijk is. Naast zorg voor andere bejaarden hebben wij net als alle religieuze congregaties altijd voor onze eigen oude medezusters gezorgd en daarmee  veel geleerd over ouderdom. Nu ervaren wij aan den lijve, en met name in Bosbeek, wat het betekent om oud te worden en wat ervoor nodig is om dat samen goed te doen. Dat gaat niet vanzelf. Het vraagt om geduld, om belangstelling en aandacht voor elkaar, om respect voor elkaar hoe verschillend je ook bent. Het vraagt om zelfinzicht en zelfkennis, om het kennen en aangeven van je eigen grenzen, om weten hoe je omgaat met verdriet, en accepteren dat het leven ongewis en onvolmaakt is en niet altijd in harmonie. En het vraagt om rust en stille aandacht om je te verzoenen met je eigen eindigheid. Vanuit ons geloof dat mensen mens worden aan elkaar, is het tevens een opdracht om te leren zorg van een ander in liefde te aanvaarden en zo samen in een zingevende relatie te groeien. Dat vraagt om bezinning op en trouw aan je eigen diepste overtuigingen.




Wij geloven dat geen mens ooit verloren raakt en wij leven in het vertrouwen dat het goed komt. Dat betekent dat de ouderdom voor ons niet alleen maar in het teken staat van het sterven en/of de angst daarvoor, maar een op zichzelf staande fase is die nieuwe mogelijkheden biedt voor verdieping en contact. Ons gemeenschappelijk leven en onze cultuur van bezinning zijn daarbij belangrijke inspiratiebronnen. Onze congregatie is ook in deze fase een oefenplaats om verder te blijven kijken dan onszelf en mee te blijven werken aan de voorzienigheid van God, om de geest van openheid door te geven en in het omgaan met elkaar te laten zien wat religieus zijn betekent. Samen zouden wij graag een praktijk nalaten van vruchtbaar oud worden.



De stroom is klein begonnen, is breed geworden, en is uiteen gegaan in vele kleine stroompjes. Als een delta in het laagland. De bedding is stevig geweest en is vager geworden. Maar wij geloven niet dat die kleine stroompjes bij gebrek aan bedding zullen opdrogen. Integendeel. We geloven hardnekkig dat al die stroompjes elkaar weer vinden, en met andere stroompjes van gelijke kleur en smaak samenvloeien, en sterk blijven, zelfs als ze tegen de tijdgeest ingaan. Want uiteindelijk verwachten wij een nieuw Jeruzalem, waar geen armen meer zijn, waar niemand voor iemand bang hoeft te zijn, niemand honger heeft, niemand wordt uitgesloten en niemand klein en zwak is. Dat is 155 jaar lang onze inzet geweest, dat zal onze inzet blijven.
Want zoals onze Constituties zeggen: “Het past in onze traditie dat je je hart openzet voor wie je nodig heeft en opkomt voor wie klein en zwak is, vandaag en op jouw plaats, naar de mate van jouw mogelijkheden. In die geest wil je volgelinge zijn van Jezus van Nazareth, De mens door God bedoeld. Jezelf toetsend aan Hem, probeer je heil te brengen en mee te werken aan Zijn Rijk van liefde en gerechtigheid.”



terug