|
Zusters
van "De
Voorzienigheid",
Monteiro
|
| INHOUD | Journaal | Bestuur & Organisatie | Spiritualiteit | Geschiedenis | Activiteiten | Publicaties | Geloofsbrief |
Lezing gehouden op 5 augustus 2002 bij de opening van de feestweek ter gelegenheid van 150 jaar Zusters van "De Voorzienigheid" en de presentatie van het boek In haar naam geborgen |
Eén
van hart en één van ziel Overwegingen bij de (auto)biografische benadering van de geschiedenis van vrouwelijke religieuzen Zeer geachte zusters en andere betrokkenen bij de jarige congregatie, Van harte feliciteer ik u allen met het 150-jarig bestaan van ‘De Voorzienigheid’. De opmaat van de zeer feestelijke week die u voor zich heeft, is de presentatie vandaag van het boek ‘In haar naam geborgen’. Mij is gevraagd om vóór deze presentatie alvast iets over dit boek te vertellen. Dat is een zeer eervol verzoek, waar ik graag op inga. In de tijd die me is toebemeten wil ik vooral spreken over wat dit boek bijzonder, misschien zelfs wel uniek maakt in de geschiedschrijving over vrouwelijke religieuzen in Nederland tot dusver. Dat bijzondere zit ‘m in de vorm. Het hart van het boek wordt namelijk gevormd door uw levensverhalen. Meer dan honderd van u hebben een uitvoerige lijst met vragen kunnen invullen over uw persoonlijke achtergrond, uw motivatie om in te treden, uw werkzaamheden, de spiritualiteit van u en uw gemeenschap en veranderingen die zich daarin in de loop der tijd hebben voorgedaan. Ongeveer vijftig zusters hebben daarenboven nog eens meegewerkt aan individuele vraaggesprekken of groepsgesprekken, waarin de genoemde onderwerpen nog verder werden uitgediept. Dit bijzonder rijke materiaal heeft Suzanne Hautvast bewerkt tot levensverhalen, telkens gegroepeerd rond een thema: roeping, intrede, werkzaamheden, gemeenschapsleven, ouder worden, spiritualiteit. Zij is dan wel de auteur van de levensverhalen, feitelijk heeft u hier allemaal aan meegeschreven. Zonder u had dit boek niet in deze vorm tot stand kunnen komen en ook dat maakt het tot een bijzondere uitgave. Het was uw congregatiebestuur dat uitdrukkelijk vroeg om een meer biografische aanpak in het nieuwe boek. Dat is opmerkelijk en het zegt iets over het zelfverstaan van uw gemeenschap anno 2002. Annelies van Heijst laat in haar boeiende historische inleiding op het boek zien dat dat zelfverstaan steeds aan verandering onderhevig is geweest. In de verschillende negentiende en vroeg-twintigste-eeuwse kronieken van de congregatie werd zij beschreven als een organisch deel van de katholieke kerk in opbouw. In het gedenkboek dat in 1927 verscheen bij het 75-jarig bestaan, van de hand van zuster Gerardina, treedt de congregatie naar voren als een hoogkerkelijk instituut, waarin de eendracht in geloof en werken de boventoon voert. Vijftig jaar later is het juist de veelzijdigheid van de congregatie en haar leden, die in een nieuw gedenkboek door zuster Reinilda van Raaphorst wordt benadrukt. Zij schildert de congregatie vooral als een bewogen religieuze gemeenschap van vrouwen. Steeds wisselende beelden die, zo laat Annelies van Heijst zien, ook telkens weer een andere visie op de oorsprong en het oorspronkelijke charisma van De Voorzienigheid weerspiegelen. Welk beeld roept dit nieuwe jubileumboek, vijfentwintig jaar later, anno 2002 op? Wat zegt dit boek, met uw levensverhalen als kern, over uw congregatie en hoe zij zichzelf nu ziet? En kun je wel van een ‘echte’ congregatiegeschiedenis spreken door die biografische benadering? Die besteedt immers vooral aandacht aan de levens van individuele zusters, aan wat zij in en aan hun leven en werk hebben beleefd. Hoe zijn die persoonlijke geschiedenissen verweven met een meer algemene geschiedenis van uw gemeenschap? Tenslotte wil ik ingaan op de vraag op welke wijze idealen over het religieuze leven van vroeger en nu het biografisch spreken kunnen beïnvloeden. Zelfbeeld vanuit een (auto)biografische benadering Het beeld dat dit nieuwe boek oproept, is een rijk beeld. Het laat de rijkdom van uw zusterschap zien. Als gemeenschap kon u doen en deed u wat u als enkeling niet had kunnen doen, zo wordt duidelijk. Het gemeenschapsleven en de wetenschap met eigen medezusters verbonden te zijn in de zorg voor anderen hebben een diepe bezieling en grote inzet mogelijk gemaakt en vormen nog altijd belangrijke bronnen waar u uit leeft. Annelies van Heijst verbindt dit in haar inleiding aan wat zij noemt een ‘spiritueel surplus’, waaruit u als zusters steeds opnieuw kon en kunt putten en waardoor u zich blijvend wilt inzetten voor anderen naar wie niemand omziet. Geestkracht en daadkracht zijn de woorden die steeds, al lezende in het boek, bij me opkwamen. Door zijn bijzondere opzet laat het boek zien dat de congregatiegeschiedenis méér is dan één verhaal dat een historica uit diverse bronnen kan samenstellen. Die geschiedenis wordt óók gemaakt en bepaald door individuele ervaringen. Worden die ervaringen in de gangbare geschiedschrijving meestal ondergeschikt gemaakt aan een groter verhaal, dat overkoepelend werkt en een zekere representativiteit nastreeft, in dit boek is ervoor gekozen dat nu juist níet te doen. Levensverhalen kennen een eigen ritme, dat niet altijd spoort met de ‘grote’ verhaalschema’s waarin historici leren denken en waarin politieke, kerkpolitieke of economische aspecten maatschappelijke ontwikkelingen moeten verklaren. Die aspecten blijken maar ten dele bruikbaar om de geschiedenis van een religieuze gemeenschap te analyseren. Laat ik dat proberen te verduidelijken met een voorbeeld. Dat er behoefte was aan zorg voor weeskinderen in het midden van de negentiende eeuw, kan verklaard worden uit toenmalige maatschappelijke en economische verhoudingen. Maar daaruit kan niet verklaard worden dat Mietje Stroot op 5 juni 1853 besloot om bij de kinderen in het kinderhuis De Voorzienigheid aan de Amsterdamse Lauriergracht te blijven. Met behulp van bekende, grote verhaalschema’s kan de ontwikkeling van uw gemeenschap beschreven worden als instituut, in het licht van de katholieke emancipatie en de rol die de liefdewerken daarin vervulden. Maar als het gaat om de bezieling van degenen die zo’n liefdewerk als het kinderhuis De Voorzienigheid op zich hebben genomen en vanuit religieuze en charitatieve bewogenheid hebben voortgezet en verder uitgebreid, schieten deze schema’s wellicht toch tekort. Dan is een andere benadering van de geschiedenis nodig, die vooral van binnenuit, vanuit de betrokkenen zelf een nieuw verhaal mogelijk maakt. De autobiografische onderzoeksmethode, die aan de levensverhalen ten grondslag ligt, dateert al van de eerste decennia van de twintigste eeuw. Zij is afkomstig uit de sociologie. Deze methode werd ontwikkeld om materiaal te verzamelen onder arme, gemarginaliseerde of deviante groepen in de samenleving. Via egodocumenten, brieven en levensverhalen kwamen mensen aan het woord die in andere onderzoeksbenaderingen veronachtzaamd dreigden te worden. Doel van de methode was ook om de verhouding tussen individuele ervaringen en sociale structuren nauwkeuriger op elkaar te betrekken dan bij andere onderzoeksmethodes mogelijk bleek. Stem geven aan wie geen stem hadden en het individu terugplaatsen in de grote geschiedenis waaruit het soms weggeschreven leek te zijn. Deze twee doelstellingen van de autobiografische benadering mogen ook toepasselijk heten voor vrouwelijke religieuzen in de geschiedenis. Via levensverhalen is hun verleden op een zinvolle wijze te onderzoeken en te beschrijven. Het congregatiebestuur heeft gekozen voor dat nieuwe verhaal, vanuit een eigentijds zelfbeeld, waarvan de congregatie zélf en haar zusters zélf het middelpunt vormen. Met die keuze wordt erkend dat ieder van u met een eigen levensverhaal is ingetreden, dat ieder van u bij intrede haar eigen kracht én haar eigen broosheid inbracht. Het boek doet recht aan uw onderlinge verscheidenheid: verscheidenheid in achtergrond, in de motieven om in te treden, in de wijze waarop ieder van u uw leven als religieuze beleefd heeft en beleeft, verscheidenheid ook in wat u bindt aan de gemeenschap waar u voor gekozen hebt. Bij al die verscheidenheid wordt zo ook iets zichtbaar van de eenheid die uw gemeenschap ook wil zijn. Niet uniform, maar wél één. Eén van hart en één van ziel, zoals in de regel van Augustinus staat. In de mooie theologische reflectie, die het boek besluit, snijdt Judith de Raat de kwestie aan óf en hoe deze kloosterregel, die de bisschop van Haarlem ooit voor uw gemeenschap koos, in uw leven ook werkelijk als richtsnoer en leidraad heeft gefunctioneerd. De passage over de eenheid van hart en ziel komt uit het boek Handelingen (4,32-35) en beschrijft het levensontwerp van de eerste christengemeente rond de apostelen. Zij streefden gemeenschap na, in materiële zin - een gemeenschap van goederen- en in spirituele zin - een gemeenschap van geestverwanten. Echter, niet het samen hébben, maar het samen zíjn krijgt de nadruk in de bijbeltekst. Die nadruk probeerde en probeert u in uw leven te spiegelen. Dat dat kan, dat mensen op grond van een diepe wilsverwantschap hun levens aan elkaar willen en durven verbinden en gemeenschap willen zijn, is heel bijzonder en ook inspirerend. Dat uw streven en de bron van waaruit u dit streven voedt in het nieuwe gedenkboek op zeer directe en persoonlijke wijze zijn vastgelegd, is zinvol in een tijdvak waarin religie een hoogstpersoonlijke aangelegenheid is geworden en niemand zich meer gemakkelijk, laat staan pro Deo verbindt aan iets of iemand buiten het eigen blikveld. In die zin mogen we het nu al een ‘spraakmakend’ boek noemen, een boek dat aandacht vraagt voor een bijzonder bestaan. Een boek dat laat en doet spreken en ongetwijfeld ook van zich zal doen spreken. Veel verhalen, toch één congregatiegeschiedenis? Als de talrijke verhalen, waaruit het boek is opgebouwd, vooral verscheidenheid weergeven, kun je dan nog wel van een congregatiegeschiedenis spreken? Ik denk dat dat met recht kan. Want in ieder afzonderlijk verhaal resoneert de ontwikkeling van de congregatie mee, of van het huis waarin u lange tijd gewoond en gewerkt heeft. Wie haar verhaal vertelt, stemt dit impliciet en tenminste ten dele af op dat ‘grotere verhaal’ van de eigen gemeenschap. Daarin bestaan, net als binnen andere religieuze gemeenschappen, ongetwijfeld vaststaande voorstellingen van belangrijke of ingrijpende gebeurtenissen. Die gedeelde voorstellingen vormen als het ware het raster of het raamwerk voor de herinneringen en verhalen van individuele zusters. Behalve een passend kader voor de eigen herinneringen, kunnen die gedeelde voorstellingen echter ook een belemmering vormen. Wat nu als iemands verhaal en beleving buiten dat gedeelde kader valt? Een mooi voorbeeld in het boek is het verhaal van de zusters die in de hostiebakkerij hebben gewerkt. Dit laat zien dat er binnen de congregatie lange tijd een officiële versie bestaan heeft van hoe dit werk, het bakken van de hosties, gewaardeerd moest worden. In een roepingenfolder uit de jaren vijftig staat te lezen - ik citeer: ‘De zusters vinden het een grote uitverkiezing dat zij de middelaressen mogen zijn bij de totstandkoming van het hoogste genademiddel’. Eén van de zusters die dertig jaar in de hostiebakkerij heeft gewerkt, reageert hier verbaasd op en zegt: ‘Zo heb ik nooit over mijn werk gedacht’. Hoe zij en de andere zusters die in de bakkerij werkten er wél over dachten, bleef onderling grotendeels onuitgesproken. Want over eigen of andermans werk mocht je niet praten. Een citaat: ‘Tijdens de recreatie sprak je niet over je werk, dat mocht niet. Je kon niet zeggen: wat heb je dat mooi gedaan of wat je de tafel leuk gedekt.’ Of het werk leuk was of gewaardeerd werd, ook daarover werd niet gesproken. Ik citeer: ‘We dachten niet na over de waardering voor ons werk. We deden ons werk en het was gewoon.’ Zo luidden de ongeschreven codes binnen de congregatie waar eenieder mee vertrouwd gemaakt werd in het noviciaat. Grondtoon van die codes was de gehoorzaamheid: ‘Je had gehoorzaamheid beloofd en je deed wat er van je verlangd werd.’ Door het onderzoek van Suzanne Hautvast werd u dus gevraagd naar zaken die u vroeger nooit mocht of nooit hoefde te benoemen. Ook op die manier vertelt het boek een nieuw verhaal, waarin ruimte is voor ervaringen die ooit niet bespreekbaar waren. Dat kunnen ook pijnlijke ervaringen zijn. De vernieuwingen van de jaren zestig en zeventig is bijvoorbeeld zo’n fase in de congregatiegeschiedenis waar met gemengde gevoelens op wordt teruggekeken. Naast blijdschap over concrete veranderingen en de afschaffing van gedateerde gebruiken, was er ook zorg om hoe het nu verder moest. Sommige zusters hebben zich toen ontheemd gevoeld in hun gemeenschap. ‘Wij zijn toen uit elkaars genade gevallen’, vertelt één van hen. Onderling bleek er niet echt meer een gedeelde visie te bestaan op wat de congregatie kon en moest zijn. Die visie moest opnieuw groeien, ditmaal niet opgelegd zoals vroeger, maar geleidelijk gedijen vanuit de persoonlijke en individuele gezichtspunten van alle zusters. Om daar samen naartoe te kunnen groeien, moest u elkaar wel eerst leren kennen. Dat was één van de paradoxale inzichten van de vernieuwingen: dat u zo lang bij elkaar had gewoond en samen had gewerkt, zonder elkaar echt te kennen. Het was één van de eisen van de nieuwe tijd, die vroeger niet zo belangrijk waren geweest en in elk geval ondergeschikt aan het werk waartoe u zich gecommitteerd had. Spreken belemmerd door religieuze idealen? Dit brengt mij bij mijn laatste vraag: hoe kunnen de idealen van het religieuze leven, idealen van vroeger en nu, het autobiografisch spreken beïnvloeden? Anders gezegd: in hoeverre spelen werken deze idealen door in de wijze waarop u uw levensverhaal vertelt? Het is niet eenvoudig om dat nauwkeurig vast te stellen. Om toch een antwoord, of een begin van een antwoord te geven, herneem ik nog even het al genoemde streven dat de grondtoon van uw regel vormt: één van hart en één van ziel. Leven uit deze stelregel was het ideaal toen de meesten van u intraden, pakweg tussen 1930 en 1960. Die nagestreefde eenheid vergde, in de toen gangbare visie, het overstijgen van iedere individualiteit. Tijdens het noviciaat leerde u zichzelf vooral begrijpen als een deel van een groter geheel, zónder echte eigen inbreng of een eigen mening. Individuele verhalen laten zien dat deze richtlijnen in de praktijk van uw congregatie niet altijd zo streng werden geïnterpreteerd. Vermoedelijk was dat aan het werk te danken. Daarin bestond zeker de nodige vrijheid en ruimte voor eigen initiatief, wat door sommigen van u ook zeer werd gewaardeerd. Achter de veronderstelde en ook nagestreefde eenheid ging met andere woorden een duidelijke diversiteit schuil. Over die diversiteit, over ieders eigenheid, werd echter niet of nauwelijks, of uitsluitend in afkeurende zin gesproken. Want het was de eenheid in eendracht waaraan u zich had verbonden. Bij intrede had u uw persoonlijke keuzevrijheid prijsgegeven omwille van een hoger doel. U stierf aan de wereld en kreeg een nieuwe, religieuze identiteit, gesymboliseerd in uw kloosternaam. U leerde zichzelf in een nieuwe taal begrijpen, in de religieuze of spirituele taal waarin uw gemeenschap zichzelf en haar doelstelling uitdrukte. Die taal maakte de individuele ervaring ondergeschikt aan het collectieve verhaal. Maar dat was wel de taal waarin u leerde te vertellen wie u was en wat u wilde in dit leven. Tot op zekere hoogte is deze taal waarin u zichzelf en uw keuze voor het klooster kon verwoorden als het ware verdampt sinds de jaren zestig. Afzonderlijke levensverhalen laten dat mooi zien. Roeping, opoffering, versterving - allemaal begrippen die met de vernieuwingen in kerk en kloosterleven steeds verder op de achtergrond raakten. De geloften, het fundament van uw bestaan, werden opnieuw en vanuit persoonlijk doorleefde inzichten ingevuld. Er kwamen nieuwe woorden, oude woorden kregen een nieuwe betekenis. Dit spreekt misschien nog het meest uit de levensverhalen rond spiritualiteit. ‘Vroeger gebruikten wij het woord spiritualiteit niet’, vertelt een zuster. ‘We spraken over volgelinge zijn van Jezus, doen wat Hij heeft gedaan. Dat betekende in de praktijk dat we deden wat er te doen viel.’ Ook verderop in haar verhaal wordt duidelijk dat zij haar geestelijk leven, haar verlangen naar meditatie en gebed, meestal ondergeschikt moest maken aan de zorg voor de kinderen. ‘Ik ging aan het werk en bleef voortdurend aan het werk’, zoals ze zelf zegt. Spiritualiteit heeft in haar beleving vooral met de Geest te maken en ook wat dat betreft neemt zij een verschil tussen vroeger en nu waar. ‘We riepen de Heilige Geest weliswaar vaak aan, we hoopten op verlichting, maar we vroegen ons niet af hoe je tot die verlichting moest komen. We dachten dat het vanzelf zou gaan. Nu is het veel meer een proces geworden, waarin je zelf een bewuste rol moet spelen.’ Dit citaat laat mooi zien hoe taal en geloofstaal veranderd zijn en hoe die verandering haar sporen heeft nagelaten in ieders herinnering en zelfbeeld. Zulke ingrijpende veranderingen maken het spreken over zichzelf vroeger en zichzelf nu ingewikkeld. Tussen vroeger en nu gaapt als het ware een biografische kloof. Om een voorbeeld te geven: u staat nog altijd achter uw keuze om in te treden, maar u zou nu niet meer zo kunnen en willen leven zoals toen u intrad. Dat is zo’n biografische breuk die u met elkaar deelt. Uw verhalen laten zien dat u door de vernieuwingen als het ware mentaal afstand heeft genomen van het tijdvak vóór de jaren zestig. Degenen die erover vertellen, hechten eraan steeds de toenmalige context te verhelderen, in de maatschappij, in de kerk en in het werk. Op die manier verduidelijken zij waarom zij toen zó geleefd en zó gewerkt hebben. Het is alsof ze niet alleen anderen ervan proberen te overtuigen dat alles toen nu eenmaal anders was, maar zeker ook zichzelf. Zo herstellen zij in hun verhalen de scherpe breuk die de vernieuwingen teweeg hebben gebracht in hun leven. Niet alleen uit eigen beweging, maar uitgenodigd door de vragen van Suzanne Hautvast. De levensverhalen maken goed zichtbaar wát er allemaal veranderd is, hoe u dezelfde gebleven bent en toch ingrijpend bent veranderd, individueel en als gemeenschap. Die gemeenschap is niet meer voor iedereen synoniem met samen wonen en samen werken. Aan het samen werken is door de toenemende leeftijd van de meesten van u een einde gekomen. En samen wonen hoeft niet altijd tot een vruchtbaar gemeenschapsleven te leiden. Paradoxaal genoeg heeft de keuzemogelijkheid om alleen of in een gemeenschap te wonen de gemeenschapsband misschien eerder versterkt dan verzwakt. Vooral degenen die op zichzelf wonen, ervaren dat ze in een nieuw soort eenheid van hart en ziel met hun medezusters kunnen leven. Zij ervaren een gemeenschap van leven, van een samen zelfstandig zijn, verbonden door het charisma van de congregatie die die eenheid van hart en ziel gesmeed heeft en nog altijd voedt. Dat charisma en die eenheid, bij alle verscheidenheid, worden weerspiegeld in het boek met de mooie titel: ‘In haar naam geborgen’. Graag feliciteer ik u daar van harte mee. Geraadpleegde literatuur Christien Brinkgreve e.a., Levensverhalen (themanummer Amsterdams Sociologisch Tijdschrift) (Amsterdam 2002); Annelies van Heijst, ‘Waarom religieuzen zorg droegen. Spirituele geschiedschrijving ter discussie’, Tijdschrift voor geestelijk leven 53,4 (1997) 407-419; Suzanne Hautvast, Annelies van Heijst en Judith de Raat, In haar naam geborgen. Portretten van Zusters van de “De Voorzienigheid” (met portretten van Katinka Stieger) (Heemstede 2002); Barbara Henkes, Heimat in Holland: Duitse dienstmeisjes 1920-1950 (Amsterdam 1995); Selma Leydesdorff, Wij hebben als mens geleefd. Het Joodse proletariaat van Amsterdam (Amsterdam 1987); Marit Monteiro, Vroomheid in veelvoud. Geschiedenis van de Franciscanessen van Oirschot 1797-1997; Gerhard Nijhof, Levensverhalen. Over de methode van autobiografisch onderzoek in de sociologie (Amsterdam 2000). Curriculum vitae van de lezinghoudster Dr. Marit Monteiro is historica. Zij is één van de oprichters van Stichting Echo, waarvan zij tot 2000 tevens bestuurslid was. Zij promoveerde in 1996 op een proefschrift over geestelijke maagden (klopjes) in Noord-Nederland. Zij is bijna tien jaar verbonden geweest aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, eerst als assistent in opleiding, vervolgens als universitair docent. Van 1996 tot eind 1999 werkte zij aan een studie over de geschiedenis van de Franciscanessen van Oirschot in opdracht van die congregatie. Dit boek verscheen in 2000 onder de titel Vroomheid in veelvoud. Momenteel is zij in dienst van de Nederlandse Provincie van de Orde der Dominicanen en schrijft een boek over de geschiedenis van de Nederlandse dominicanen in de negentiende en twintigste eeuw. Marit Monteiro |