Zusters van "De Voorzienigheid", Elly Moonen
INHOUD Journaal Bestuur & Organisatie Spiritualiteit Geschiedenis Activiteiten Publicaties  Geloofsbrief
                                home                                                                                                                                         

Inleidingen Steyl 2010

In eenvoud de Heer dienen.

We kunnen een leven lang blijven leren – ook als je ouder wordt, zelfs als je zeer oud bent. Leren wil zeggen dat er andere, verborgen betekenissen aan de oppervlakte kunnen komen; betekenissen die je voor die tijd niet zag. Het klooster, een religieuze gemeenschap, is van oudsher een plek waar mensen elkaar oproepen en uitdagen om een leven lang te blijven zoeken naar datgene wat wezenlijk is in een mensenleven; dat wordt samengevat in de woorden: in eenvoud de Heer dienen. Maar wat verstaan we onder die woorden? Wat bedoelen we daarmee?

Als je een hoge leeftijd bereikt, brengt het leven je soms naar plaatsen waar je niet wilt zijn. “Dit had moeder nooit gewild,” zei een verdrietige dochter, toen haar moeder thuis niet meer verzorgd kon worden en afscheid moest nemen van haar vertrouwde huis. We herkennen in zo’n uitspraak het verdriet, de pijn, de onmacht. Maar ook de illusie: want wie kan het leven leiden dat zij wil? Niemand wíl pijn, onzekerheid, nare herinneringen, verdriet – en toch komt het soms op onze weg.
De Heer, of de Allerhoogste, de Levende, de Ene – of welke naam we geven aan het mysterie van alle leven – nodigt ons uit om, voorbij de illusie, aandacht te geven aan alles wat het leven ons schenkt: het vreugdevolle en het verdrietige, het mooie en het mislukte – en het te plaatsen in de relatie met Degene-die- we- God noemen.. We worden uitgenodigd om ons open te stellen voor en ons te verbinden met het leven zoals het zich aandient. Dan kan er nieuwe betekenis ontstaan. De Pools Amerikaanse schrijver en dichter Czeslaw Milosz. (1911 – 2004) beschrijft dat in zijn gedicht ogen. In dit gedicht, een ode aan zijn verzwakte ogen, beschrijft hij hoe hij een nieuwe relatie aangaat met zijn oude ogen. Hij neemt afscheid van zijn ogen én hij houdt ze in hoge ere omdat ze hem nieuwe dingen laten zien. Zo krijgen ze voor hem een nieuwe betekenis. 
Het leven, met alles wat er in is -met wat we willen én met wat we niet willen: dat ís er eenvoudigweg. Ons geloven daagt ons uit dat hele leven in verbinding te brengen met God; in dienst van de Heer te stellen. Dat verandert niets aan de feiten van ons leven: pijn, verdriet, teleurstelling, afnemen van kracht. Maar het kan wel gevolgen hebben voor de betekenis die we aan die feiten geven.

Verhuizen

Een mens moet regelmatig verhuizen: soms letterlijk, naar aan ander huis, een andere kamer. Veel zusters zijn verhuisd in de afgelopen periode en we weten hoe ingrijpend dat is. Steeds kom je voor de vraag te staan; wat wil je bewaren, wat kun je wegdoen, wat is belangrijk voor je nieuwe huis? Vaak moet je ook “geestelijk” verhuizen: gewoonten, gedachten, ideeën, idealen achter je laten of bijstellen. Daarbij probeer je te bewaren wat van waarde is. Hoe maak je onderscheid, hoe weet je wat echt van waarde is?

Die vragen kunnen het verlangen oproepen naar eenvoud. Eenvoud is iets anders dan overzichtelijk of simpel. Vaak wordt gezegd: vroeger was het leven eenvoudiger. Klopt dat wel? Vroeger hoefde je niet zo vaak te kiezen –  het leven was beslist overzichtelijker. Bidden vóór het eten, seks ná het huwelijk, geloven ín de kerk, zusters bínnen de muren van het klooster en geen volle kledingkasten. Maar was het leven eenvoudiger?

Is eenvoud niet veel meer een verlangen, dat herinnert aan onze oorsprong en aan de bestemming van ons bestaan? Een verlangen naar heelheid? Bij heelheid denken we vaak aan een situatie van gaafheid en harmonie. Is dat niet vooral een ideaal? Nemen we de gebrokenheid, de kwetsbaarheid van ons menselijk bestaan wel voldoende serieus? Wij, mensen, hebben vaak het eenvoudige idee, dat geluk samenvalt met een gaaf en een harmonieus bestaan. In de verhalen van de Schrift komt zulk geluk zelden voor. In de Bijbelverhalen gaat het over blinden, lammen; over kinderen die doodgaan, over berouwvolle tollenaars en overspelige vrouwen, over een feest dat dreigt te mislukken, over jaloezie en wraak, over een beloofd land waaruit men weer verdreven wordt, over een paradijs waarin men niet mag blijven. In de psalmen vinden we naast uitbundige lof en dank ook grote hoeveelheden ellende en narigheid.

In de Bijbelverhalen hebben gebrekkige, onvolmaakte mensen een centrale plaats. Dat is niet toevallig. Gebrekkig zijn is een deel van ons leven. Gebrekkig, kwetsbaar, onvolmaakt: juist die ervaringen kunnen ons openen. Dat maakt het mogelijk onszelf te verstaan als aangelegd op heelheid. Die ervaringen kunnen ons doen verlangen naar God, de Ene. Ons verlangen naar harmonie, naar gaafheid – niet het bezit ervan – maakt het mogelijk om lief te hebben, om te rouwen en te hopen. In ons verlangen naar eenvoud en heelheid kunnen we ons menselijk tekort overstijgen; dat stelt ons in staat ons met anderen en met God in verbinding te treden.