|
Zusters
van "De
Voorzienigheid",
Van Heijst
|
| INHOUD | Journaal | Bestuur & Organisatie | Spiritualiteit | Geschiedenis | Activiteiten | Publicaties | Geloofsbrief |
Lezing gehouden in de feestweek ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van de Zusters van "De Voorzienigheid" 10 augustus 2002 |
PROFESSIE,
VRIJWILLIGHEID EN PROFESSIONALITEIT door Annelies van Heijst Vandaag valt er iets te vieren en iemanden te prijzen. De Zusters van "De Voorzienigheid" vieren hun hondervijftigjarig jubileum. En bij die gelegenheid hebben ze zojuist een prijs uitgereikt. Wat doe je als je een ander prijst? Je vestigt in brede kring de aandacht op die ander en je geeft het de kwalificatie `goed gedaan' mee. Prijzen is: erkenning geven en zichtbaar maken van iets dat in het verborgene gebeurt. Een prijs stelt iemand in het middelpunt van de belangstelling. Rode draad van vroeger naar nu De Voorzienigheidsprijs is bedoeld om een rode draad zichtbaar te maken van vroeger naar nu; van liefdewerken naar de inzet van vrouwen vandaag. Eerst wil ik ingaan op dat vroeger. Zijn we daarvan wel voldoende op de hoogte? Is de betekenis van de liefdewerken van vroeger wel bekend? Is zichtbaar geworden wat de zusters van De Voorzienigheid (en ook van andere congregaties en ook de broeders en de fraters) hebben gedaan en betekend? Naar mijn overtuiging is het antwoord op die vraag nee. De zorg van religieuzen voor hun medemensen is niet echt gepeild op zijn morele en spirituele waarde; niet in de theologie en niet in de geschiedschrijving. Zowel de theologie als de geschiedschrijving verheffen het woord boven de daad. Theologen vinden iets pas echt gewichtig als er scherpzinnige onderscheidingen aangebracht kunnen worden, die amper te bevatten zijn. Als ze maar kunnen teruggrijpen op gezaghebbende bronnen zoals grote kerkvaders of de heilige schrift is het goed. Maar: waarmee de zusters dag in dag uit druk waren, valt daar niet onder. De meeste geschiedschrijvers bespreken bij voorkeur mensen die veel documenten hebben nagelaten. Ze volgen sporen van papier. Zo proberen ze greep te krijgen op wat er vroeger is gebeurd. Wie zicht wil krijgen op de liefdewerken van zusters zit dan op het verkeerde spoor. Volg je in een congregatie de sporen van papier dan kom je uit bij kerkelijke leiders, bij geestelijke leidsmannen en bij de zustersbestuurders. Je komt niet uit bij de grootste groep van `gewone' zusters zelf, die dag in dag uit de liefdewerken gestalte hebben gegeven. Het begin van het allereerste kinderhuisje op de Lauriergracht is veelzeggend voor wie de zusters waren en nog zijn. `Pastoor' Hesseveld kwamen enkele schrijnende gevallen ter ore. Hij was sinds een jaar geestelijk leider in het Sint Aloysiusgestichtje voor jongens. Nu er ook behoefte was aan opvang voor meisjes, stichtte Hesseveld zelf maar een huisje. Hij sprokkelde wat geld en juffrouwen bij elkaar en zette de deuren open. Het was 5 augustus 1852. Die spontane en geïmproviseerde onderneming van vrijwilligers zou waarschijnlijk binnen het jaar zijn gestrand als niet Mietje Stroot, de latere moeder Theresia, in juni 1853 was gearriveerd. Het was, in hedendaagse bewoordingen, een beetje een puinhoop in het kersverse gestichtje. De inwonend geestelijk leidsman was ziekelijk, er was amper geld, en de juffrouwen kwamen en gingen. Mietje arriveerde en besloot te blijven. Dankzij haar ijzeren vastberadenheid en liefdevolle trouw werd groei van de congregatie mogelijk. Eigenlijk waren de eerste zusters van de Voorzienigheid vrijwilligsters van professie. En ze waren vrouwen van de daad. Dat zijn ze in hun hart altijd gebleven, ook toen ze later in hun geschiedenis een ontwikkeling van professionalisering doormaakten. Met hun goede zorgen probeerden ze de wereld om hen heen een menselijker gezicht te geven. Waarom blijkt het nu zo moeilijk die daden op waarde te schatten? Theologen zouden toch moeten weten dat, volgens het evangelie, niet het woord maar de daad doorslaggevend is voor het leven van een gelovige. In het evangelie van Matteüs, hoofdstuk 25, velt de rechter het laatste oordeel volgens deze norm: wie van jullie heeft daadwerkelijk naakten gekleed, hongerigen gevoed, of een ander werk van barmhartigheid gedaan? Alleen die zo handelde heeft geleefd overeenkomstig het geloof. Ook de parabel over de barmhartige Samaritaan wijst in die richting. De enige die zich een echte naaste toonde ten opzichte van de gewonde man langs de weg, was de Samaritaan. Het evangelie draait dus de verhouding tussen daad en gelovige gezindheid om. Om te weten of je met een ware gelovige te maken hebt, moet je kijken naar diens handelen. Aan de vruchten ken je de boom. Beslissend is: je toewenden naar een ander in nood, of je afwenden en doorlopen. Wat de zusters van De Voorzienigheid verbindt met de mensen aan wie zij zojuist een prijs hebben gegeven, raakt elkaar. Wat hen verbindt is deze eensgezindheid: ik wend me tot de ander die in de knel zit. Die toewending heeft drie kenmerken, die ik nu een voor een zal bespreken. De toewending is daadwerkelijk en responsief (niet praten maar poetsen); die toewending schept een nieuwe lotsverbondenheid en daardoor nieuwe sociale verhoudingen; en die toewending is niet uitgeput bij het lenigen van een nood. Deze drie kenmerken vormen volgens mij de verbindende rode draad tussen de liefdewerken en de prijswinnaars van vandaag. Bij het bespreken van die drie kenmerken zal ik ook dat andere aspect van de zusterlijke identiteit aanstippen: hun professional zijn. De zusters zijn namelijk als vrijwilligers begonnen, maar ze zijn meegegaan met hun tijd en hebben zich geprofessionaliseerd. Het is begrijpelijk dat ze vandaag vrijwilligers eren en die beschouwen als deel van hun traditie. Dat is volkomen terecht. Maar het is slechts de helft van hun traditie. Ik bepleit dat ze ook professionals gaan zien als behorend tot hun erfgoed. In onze samenleving zijn immers grootschalige instituties onontbeerlijk voor rechtvaardige en liefdevolle menselijke verhoudingen. Als vrouwen mogen we de aanspraak op de publieke sfeer niet opgeven; religieuzen hebben daar juist een kostbare traditie in! Het eerste kenmerk van toewending: daadwerkelijk en responsief. Zusters hebben met hun liefdewerken de waardigheid behoed van de maatschappelijk allerzwaksten. Zorgen voor verlaten kinderen was het hoofddoel van de congregatie en nog altijd ligt daar het hart van veel Zusters van `De Voorzienigheid'. De latere doelen waren altijd in die geest, met een voorkeur voor het kleine, zwakke en kwetsbare. Hoe belangrijk die daadwerkelijke toewending was laat de oorsprongsgeschiedenis die ik zojuist vertelde zien: de stichteres en de stichter blonken uit in vasthoudende nabijheid. Andere mensen zagen het misschien ook wel, maar ze deden niets, dat was het verschil. Het zorgen van de zusters was dus een soort van antwoorden. Religieus gesproken: op God die hen riep. Menselijk gesproken: op het appel dat van de mens in schrijnende nood uitging. Die elementen zijn duidelijk terug te zien in de criteria voor de Voorzienigheidsprijs. Gezocht is naar vrouwen die daadwerkelijk iets doen. Vrouwen die een nood hebben opgepikt, die momenteel door andere mensen of instituties genegeerd wordt. Vrouwen die daadwerkelijk en uit vrije wil zijn begonnen met aanpakken. Het tweede kenmerk van toewending: het schept een nieuwe lotsverbondenheid en daardoor nieuwe sociale verhoudingen Zusters hielpen op een bepaalde manier. Zij gaven niet een stukje van zichzelf maar verbonden hun hele leven aan hun `doelgroep'. Toen de Arme Zusters van het Goddelijk Kind, zoals ze tot 1968 heetten, begonnen, waren er amper sociale voorzieningen. Een verwaarloosd kind liep verloren. De zusters hebben toen hun leven zo ingericht dat ze plaats maakten voor deze kinderen. Ze schiepen, sociaal gesproken, een ruimte die er eerst niet was. Het jubileumboek Wij zeiden: `ja' uit 1977 bevat daar mooie getuigenissen over: hoe het leven van zusters en kinderen door elkaar heen liep. Je zou kunnen zeggen: met hun professie gaven zusters hun oude leven `in de wereld' op om nieuwe menselijke verhoudingen te kunnen scheppen. Dat doen vrijwilligers die in aanmerking komen voor de Voorzienigheidsprijs ook: ze gaan iets aan met mensen met wie ze niet door banden van het bloed of de sociale conventie zijn verbonden. De maatstaf voor die nieuwe verhoudingen is een kritische. Niet het menselijk reilen en zeilen is ijkpunt maar het Rijk Gods van liefde en gerechtigheid. Behalve het scheppen van nieuwe verhoudingen deden Mietje Stroot en al haar latere medezusters nog iets anders. Ze verbonden hun eigen levenslot aan marginale mensen net zoals de vrouwen die zijn voorgedragen voor de Voorzienigheidsprijs op een of andere manier hebben gedaan. Als er weinig ruimte was in de huizen, schikten de zusters in. Als er te weinig eten was, spaarden de zusters zich het brood uit de mond. (De parallel met de vrouw die de Voorzienigheidsprijs heeft gewonnen is treffend!) De zusterlijke liefdadigheid was: vrijwillige lotsverbondenheid, uit liefde voor de medemens. Dit scheppen van nieuwe liefdevolle verhoudingen met kinderen die eigenlijk vreemden voor hen waren heeft ook op sociaal vlak grote betekenis gehad. Dat is tot op heden te weinig onderkend. Met hun liefdewerken hebben religieuzen het sociale geweten onder katholieken, en in bredere zin onder de hele bevolking, gevormd. Zo kwamen sociaal uitgestoten groepen `op de agenda' van de samenleving en de politiek. De overheid is het als haar taak gaan beschouwen om die zorg over te nemen. Voor dit aspect van de liefdewerken, wegbereider van sociale rechten en mensenrechten, hebben we nog veel te weinig oog. Nog steeds worden caritas en recht tegenover elkaar gezet als concurrerende grootheden. Het eerste zou mensen afhankelijk hebben gemaakt en klein gehouden, het tweede niet. Door hun lot te verbinden aan mensen die niet meetelden, deden religieuzen iets dat de essentie raakte van waar het tegenwoordig in mensenrechten nog steeds om gaat. Dat ieder mens meetelt zoals zij of hij is, ook en juist degene die in de ogen van de machtigen der aarde er niet toe doen. Het derde kenmerk van toewending: die raakt niet uitgeput bij het leningen van een nood. Het derde kenmerk van toewending brengt me bij de hedendaagse professionaliteit. Die professionaliteit is óók een aspect van de zusterlijke zorgtraditie. De zusters zouden dat wat mij betreft nadrukkelijker mogen claimen. Zij hebben daar zelf een hele geschiedenis liggen en voor een menswaardige inrichting van onze maatschappij zijn professionele zorginstellingen onontbeerlijk. De negentiende-eeuwse liefdewerken zijn opgericht in een fase waarin professionalisering in de omgang met kinderen, zieken en ouderen nauwelijks bestond. Om te zorgen hoefde je niet door te leren. Iedereen kon het - of moest het maar kunnen. (Al zullen ook toen natuurtalenten hebben bestaan en mensen die het nooit leerden...) Echte professionalisering brak pas door in loop van de negentiende eeuw. Het eerst in het onderwijs, daarna in de ziekenzorg en in het maatschappelijk werk. Zusters gingen mee in die trend. Zij professionaliseerden mee, omdat er nieuwe kwaliteitseisen werden gesteld aan zorgende werkzaamheden. Zij wilden het graag goed doen, heel goed. De professionalisering waarvoor ook religieuzen zich zo hebben ingezet, is hen opgebroken. Onder invloed van de professionalisering gingen religieuzen hun betekenis voor de samenleving uitdrukken in termen van vakbekwaamheid en institutionele degelijkheid. In gedenkboeken is dat duidelijk te zien. Religieuzen waren trots op wat zij in hun vak voorstelden, en dat was niet weinig. Maar die professionaliteit ging ook knellen. Bijvoorbeeld als religieuzen van hun lekencollega's het verwijt kregen zich niet aan werktijden of vakantiedagen te houden. Meer werken zou `niet professioneel' te zijn. Want professioneel werd verstaan: niet te betrokken zijn en de grenzen van je beroep in acht nemen. Het professioneel goed-zijn-in-je-vak liet niet veel ruimte meer voor een essentieel bestanddeel van de liefdadige bewogenheid. Namelijk het in beginsel grenzeloze van de toewending. In beginsel grenzeloos al maakte de praktijk natuurlijk inperkingen noodzakelijk. Grenzeloos, want het ging de religieuze om heel de mens, en niet alleen een bepaald aspect, waarvoor zij als verzorgster, onderwijzeres of maatschappelijk werkster toevallig verantwoordelijk was. En het ging de religieuze om in beginsel alle mensen, niet alleen deze ene met wie zij nu net te maken had. De strikte afbakeningen die bij de professionaliteitcode horen - afbakeningen zoals: `dit is het verkeerde loket' en `die vraag hoort bij een andere deskundige' - is zusters wezensvreemd. Wat dat betreft zijn ze, hoe professioneel ze ook zijn geworden, altijd vrijwilligers gebleven. Het is dan ook niet toevallig dat ze ervoor hebben gekozen hun prijs uit te reiken aan vrijwilligers. In het bijzonder aan vrijwilligers die iets doen waaraan voorbij wordt gegaan in de bestaande instituties. Ik kan die keuze heel goed begrijpen en ben het er van harte mee eens dat al die mensen die zich belangeloos inzetten voor anderen niet genoeg geprezen kunnen worden. Toch denk ik dat religieuzen niet alleen in het vrijwilligerswerk erfgenamen kunnen zien, al zijn vrijwilligers dat zeker. Ook de beroepsverzorgers zijn, zoals ik al heb opgemerkt, hun erfgenamen. Wel is dit erfgoed in de loop der tijd verschraald. Tot ongenoegen van veel religieuzen, die de ontwikkelingen in de zorgsector en het onderwijs jammerlijk de verkeerde kant vinden opgaan. Het zou mij een lief ding zijn als religieuzen alsnog de handen ineen sloegen - ik spreek nu even als een voormalige SNVR-vrouw - om in die sfeer iets te doen. Religieuzen zouden, aangezien ze nu zelf hun eigen zorginstellingen voor oude medereligieuzen in beheer hebben - daar iets kunnen veranderen aan de codes van professionaliteit. Drie grenzen in het professionaliteitbegrip Als ik de tekenen van de tijd goed versta, zijn we namelijk beland in een fase waarin de traditie van actieve religieuzen precies voor het professionele zorgdragen van tegenwoordig zeggingskracht kan hebben. Er is namelijk een crisis in de zorg gaande, die zijn weerga niet kent. Die crisis is niet primair een kwestie van geldgebrek, zoals ons vaak te geloven wordt gegeven. Het is een crisis van het professionaliteitbegrip zelf: van de betrokkenheid die daardoor tot stand wordt gebracht. Ongeveer een eeuw lang is onder beroepskrachten professionaliteit aangezien voor het hoogste ideaal, het best mogelijk en nog steeds zijn er ontwikkelingen om professionalisering verfijnder door te voeren. Toch komen momenteel de grenzen van professionaliteit in zicht, en wel op drie vlakken. Ik zal die tot slot nog kort uiteen zetten. De eerste grens van professionaliteit is: schrikbarend weinig mensen die beroepshalve voor anderen willen zorgen. Het vrijwilligerswerk bloeit, maar professionele zorgdragers zijn nauwelijks te vinden. De meest weerlozen blijven verstoken van broodnodige zorg of krijgen alleen het materieel hoognodige. De overheid heeft dit voorjaar zelfs overwogen het leger in te zetten in de zorgsector. Hoe beledigend is dat niet voor de mensen die in die instellingen verblijven en als een overtollige restcategorie worden besproken... Verzorgen is een erkend beroep met betaling en professionaliteitcodes. Maar het is geen aantrekkelijk beroep geworden. Sommigen zoeken dan de oplossing in vrijwilligers. Ik ben het daar niet mee eens. Hoe belangrijk vrijwilligers ook zijn: zij mogen niet als enigen het echt menselijke gezicht van de samenleving vertegenwoordigen. Religieuzen met hun grote instellingen van vroeger hebben juist een traditie in het vormgeven van structureel mensen recht doen. Daarop zouden we moeten teruggrijpen. Een tweede grens van het professionaliteitbegrip is deze. De huidige vakmatige voorschriften in de zorgsector werken knellend en knechtend. Ze jagen personeel weg of veroorzaken een burn out. Met name verzorgen is opgedeeld in series handelingen en vaardigheden die moeten worden bijgehouden, liefst schriftelijk. Methoden en technieken zijn doelen op zich geworden. De mens om wie het gaat, raakt buiten beeld. Zorgen is een product geworden en zorgdragers productiemedewerkers. En alles strikt op tijd, want tijd is geld. Beroepsverzorgers, van wie velen het heel goed bedoelen, wordt zinvol en prettig werken onmogelijk gemaakt. Velen van hen lijden daaraan. Om dit te veranderen zijn geen extra arbeidskrachten nodig, zelfs geen vrijwilligers of meer geld. Om dit te veranderen is een herziening nodig van het professionaliteitbegrip zelf. Niet door er nog meer regels en voorschriften aan te hangen maar door het terug te plaatsen in het levensbeschouwelijke kader waarin het thuishoort: dat van de menselijke bewogenheid en liefdevolle bekommernis. De traditie van de liefdewerken bood dat bredere kader dan het strikt `professionele'. Daar gebeurde het zorgen tegen een spirituele en morele horizon, in het kader van het zoeken naar zin, waardigheid en liefde, ook al leerden zusters in de loop der tijd ook professionele methoden en technieken. Daarom deden veel zusters méér dan ze hoefden, en was iemand die in de penarie zat bij hen zelden aan het verkeerde loket. Een derde grens in het professionaliteitbegrip kan ik het best illustreren met te verwijzen naar de dramatische gebeurtenissen enkele weken geleden in Roermond. Een vader stak zijn huis in brand en daarbij kwamen zes van zijn kinderen om. Verschillende hulpverleningsinstanties wisten dat er problemen waren, maar bleken niet in staat om te helpen. Op welke grens wijst dit? De overgespecialiseerde zorg- en hulpverlening kan niet waarmaken wat ze claimt: bereiken van mensen die zorg en hulp het hardst nodig hebben. Alle professionalisering moet dienen om beter te helpen, in de praktijk werkt dat niet. Er zijn allerlei randgroepen die buiten de circuits vallen: verhandelde vrouwen uit het voormalige Oostblok of de derde wereld, verlaten en verwaarloosde tienermeisjes die in handen van `loverboys' vallen en tot prostitutie worden gedwongen, families die van generatie op generatie erg arm zijn, uitgeprocedeerde asielzoekers, totaal vereenzaamde ouderen, psychiatrisch zieken die op straat zwerven. In al die gevallen schiet de professionele zorg te kort. Om de simpele reden dat de zorgbehoevenden de hoge drempel van de hulpverlening niet halen. Om aan bod te komen moet je heel wat weten en hebben. Zoiets simpels als een adres bijvoorbeeld. In zijn geweldige boek Een theorie van de presentie, verschenen in 2001, schetst prof. dr. Andries Baart een indringend portret van een vrouw in een Utrechtse achterstandswijk, die anno vandaag met haar kinderen op drift raakt. Door geweld uit haar woning verdreven, aan de drugs en aan de zwerf, belanden moeder en haar dochtertjes bij de thuislozen op Hoog Catharijne. De kinderen lijden daar honger en kou, vervuilen en gaan niet meer naar school. Denk nu niet dat de hulpverlening geen weet heeft van de situatie. Tal van instanties waren op de hoogte, allerlei professionals waren er druk mee. maar niemand kon helpen. Om te helpen moet je de ivoren toren van de instantie uit, regels ondergeschikt maken aan mensen, en een betrokkenheid tonen die omvattender is dan werkuren. Gelukkig begint het bij professionals te dagen dat hier een probleem zit. Ik heb uit betrouwbare bron vernomen dat een hoge ambtenaar van de gemeente Utrecht Baarts boek tot diep in de nacht heeft liggen lezen. Volgens Baart, en ik ben het daar hartgrondig mee eens, wringt de schoen bij de opvatting van professionaliteit zelf. Naast professionaliteit als interventie (doelgericht tussenbeide komen en een probleem verhelpen en je dan weer terug trekken) moet ook een professionaliteit als presentie ontwikkeld worden. Presentie in de vorm van: bewust gekozen en volgehouden iemand nabij zijn, speciaal mensen die het erg slecht gaat. Ik zie hier een directe verbindingslijn met de liefdadige traditie van religieuzen én met de vrijwilligers die vandaag zijn voorgedragen voor de Voorzienigheidsprijs. Ik kom aan het slot van mijn verhaal. Meestal zijn feestvierders degene die cadeautjes ontvángen. De zusterlijke feestvierders hebben vandaag geschenken gegéven. Ze reiken een prijs uit en prijzen anderen. Ze hebben mij daar helemaal niet om gevraagd, maar ik maak van de gelegenheid gebruik en - ik denk namens vele aanwezigen - draai de zaak even om. Ik wil de zusters van De Voorzienigheid, en ín hen ook eerdere generaties zusters, prijzen, om wat zij hebben betekend en nog betekenen in de samenleving en kerk van vandaag. Wat mij betreft hebben de zusters zélf de Voorzienigheidsprijs verdiend! |